Job 33:19-28
God heeft eens tot de zondaren gesproken door hun eigen geweten, om hen terug te houden van de paden van de verderver, maar zij letten niet daarop. Zij bespeuren niet dat de bestraffingen, die hun eigen geweten hun geeft om hen terug te houden van een zondige weg van God komen, die worden toegeschreven aan naargeestigheid, of aan het strikte en strenge van hun opvoeding, en daarom spreekt God tweemaal, Hij spreekt voor de tweede maal, en beproeft een andere manier om zondaren te overtuigen en te redden, namelijk door de leidingen van Zijn voorzienigheid, door beproevingen of door zegeningen, (waarin Hij tweemaal spreekt) en door het tijdige onderricht van goede leraren. Job klaagde veel over zijn kwalen, en naar die kwalen oordeelde hij dat God vertoornd op hem was. Zijn vrienden hebben dit ook gedaan, maar Elihu toont aan dat zij allen in dwaling waren, want God beproeft het lichaam dikwijls in liefde en met genaderijke doeleinden voor het welzijn van de ziel, zoals blijkt in de uitkomst. Dit deel van Elihu's rede zal ons zeer nuttig zijn in ziekte, in en door welke God tot de mens spreekt. Hier wordt:
I. De zieke beschreven in zijn uiterste ellende. Zie wat de ziekte doet, vers 19 als God haar zendt met een opdracht. Doe dit en zij doet het.
1. De zieke is vol van pijn in geheel zijn lichaam, vers 19. Hij wordt gestraft met smart op zijn leger, met smarten, die hem aan zijn bed kluisteren, of de pijn is zo hevig, dat hij geen verlichting kan vinden in zijn bed, waar hij gaarne zou willen rusten. Pijn en ziekte zullen een bed van dons in een bed van doornen verkeren, waarop hij, die placht te slapen, zich nu totdat de morgen aanbreekt heen en weer wentelt. Het geval is, zoals het hier wordt voorgesteld, heel erg, pijn is moeilijker te dragen dan ziekte, en daarmee wordt de zieke gekastijd, geen doffe, knagende pijn, maar scherpe, hevige pijn, en dikwijls zal, hoe sterker de lijder is, zoveel zwaarder de pijn zijn, want hoe volbloediger het gestel is, zoveel heviger is gewoonlijk de ziekte. Het is niet over pijn in het vlees, dat geklaagd wordt, maar over pijn in het gebeente. Het is een inwendige ingewortelde pijn, en niet alleen in de beenderen van een van de ledematen, maar in de menigte van de beenderen: alle worden aldus gestraft. Zie welk een broos, welk een vernederd lichaam wij hebben, dat, al wordt het uitwendig ook niet gedeerd of bezeerd, aldus pijnlijk gemaakt kan worden door inwendige oorzaken, zie wat de zonde teweeg heeft gebracht, welk kwaad zij aanricht. Pijn is de vrucht van zonde, maar door de genade van God wordt de pijn van het lichaam dikwijls tot een middel ten goede gemaakt voor de ziel.
2. Hij heeft alle eetlust verloren, de gewone uitwerking van de ziekte, vers 20. Zodat zijn leven het brood zelf verfoeit, het noodzakelijke voedsel en de aangename spijze, in welke hij vroeger zeer veel behagen vond. Dit is een goede reden waarom wij "geen smakelijke spijzen moeten begeren, want het is een leugenachtig brood," Spreuken 23:3. Wij kunnen er spoedig een even sterke afkeer van hebben als wij er nu naar verlangen, en zij, die weelderig leven als zij gezond zijn, kunnen, als zij er ooit door ziekte toe gebracht worden om een afkeer te hebben van smakelijke spijzen, met smart en schaamte hun zonde lezen in hun straf. Laat ons niet overmatig houden van de smaak van de spijzen, want de tijd kan komen wanneer wij zelfs van het gezicht van de spijzen walgen, Psalm 107:18.
3. Hij is een volmaakt geraamte geworden, niets dan vel en beenderen, vers 21. Door ziekte, misschien wel door een ziekte van enkele dagen, is zijn vlees, dat vet en gezond was, weggeteerd, zodat het niet gezien kan worden, het is op vreemde, verwonderlijke manier verdwenen, en zijn beenderen, die verborgen waren in vlees, steken uit, gij kunt zijn ribben, ja al zijn beenderen tellen. De ziel, die goed gevoed is met het brood des levens, kan door geen ziekte vermagerd worden, maar in het lichaam zal ziekte spoedig verandering brengen.
4. Hij is opgegeven, er wordt gewanhoopt aan zijn leven, vers 22. Zijn ziel nadert tot het graf, dat is: al de verschijnselen van de dood worden aan hem waargenomen, en allen die hem omringen beschouwen hem als stervende. De doodstrijd, hier genoemd de dingen die doden, gaat zich meester van hem maken, omvangt hem, Psalm 116:3. Misschien worden hiermede de ontzettende angsten aangeduid, welke diegenen hebben voor de dood als iets dat verwoest en verderft als hij hun in het aangezicht staart, die hem niet telden, van geen belang achtten, toen hij nog op een afstand was. Als het tot de zaak komt, stemmen allen hierin overeen dat-hoe zij er vroeger ook over gedacht mogen hebben-sterven toch eigenlijk een ernstige zaak is.
II. De voorziening, getroffen voor zijn onderricht, opdat hij van zijn ziekte een heiligend gebruik zal maken, en God, als Hij op die wijze tot de mens spreekt, gehoord en verstaan zal worden, en niet tevergeefs zal spreken, vers 23. Het is gelukkig voor hem als er dan een gezant bij hem is, om hem bij te staan in zijn ziekte, hem te overtuigen, raad te geven en te vertroosten, een uitlegger om hem de weg van Gods voorzienigheid te verklaren, er hem de betekenis van te doen zien, een man van wijsheid, die de stem kent van de roede, hem die stem doet horen en van degene die haar besteld heeft, want als God spreekt door beproevingen, dan zijn wij gewoonlijk nog zo onbekend met die taal dat wij er een tolk, een uitlegger voor nodig hebben, en het is goed om zo een te hebben. De raad en hulp van een goed leraar zijn even nodig in ziekte, en behoren even welkom te wezen, als die van een goed geneesheer, inzonderheid als hij goed bedreven is in de kunst om de leidingen en beschikkingen van Gods voorzienigheid te verklaren en er een goed gebruik van te leren maken. Dan is hij een uit duizend, en moet hij als zodanig gewaardeerd worden. Wat hij op zo'n tijd te doen heeft is, de mens Zijn oprechtheid, dat is Gods oprechtheid, te tonen, vers 23, dat Hij hem in getrouwheid beproeft, en hem geen onrecht doet het is nodig om daarvan overtuigd te zijn om een goed gebruik te kunnen maken van de beproeving. Of liever, er kan des mensen oprechtheid mee bedoeld zijn.
1. De oprechtheid die er is. Indien het blijkt dat de zieke waarlijk Godvruchtig is. Dan zal de uitlegger niet doen zoals Jobs vrienden gedaan hebben, zich ten taak stellen om te bewijzen dat hij een huichelaar is omdat hij beproefd is, integendeel, hij zal hem zijn oprechtheid tonen, niettegenstaande zijn beproeving, teneinde er de vertroosting van te smaken en gerust te zijn onder alles wat er met hem geschiedt.
2. De oprechtheid, die er wezen moet om leven en vrede te hebben. Als de mensen ertoe gebracht worden om in te zien dat de weg van oprechtheid de enige weg, de zekere weg is tot gelukzaligheid, en hem te kiezen om er op te wandelen, dan is het werk gedaan.
III. Dat God hem op zijn bekering genadiglijk aanneemt, vers 24. Als Hij ziet dat de zieke er waarlijk van overtuigd is dat ware bekering en de oprechtheid-die Evangelische volmaaktheid-zijn belang zijn, zowel als zijn plicht, dan zal Hij, die wacht om genadig te zijn en op het eerste teken van oprecht berouw genade betoont, hem genadig zijn, en hem in Zijn gunst en gedachten opnemen ten goede. Waar God een Godvruchtig hart vindt, daar zal Hij een genadig God worden bevonden, en: 1. Hij zal een genadige order geven voor zijn bevrijding. Verlos hem, zegt Hij, dat is: hij worde er van vrijgesteld om neer te dalen in het verderf, van die dood, die de bezolding is van de zonde. Als de beproevingen hun werk gedaan hebben, dan zullen zij weggenomen worden. Als wij tot God wederkeren in de weg des plichts, dan zal Hij tot ons wederkeren in de weg van de genade. Diegenen zullen verlost worden van neer te dalen in het verderf, die Gods gezanten ontvangen en Zijn uitleggers recht begrijpen, zodat zij er mee instemmen dat Hij oprecht is.
2. Hij zal een genaderijke reden geven voor deze order: Ik heb een rantsoen of verzoening gevonden. Jezus Christus is dat rantsoen, zo noemt Hem Elihu, zoals Job Hem zijn verlosser heeft genoemd, want Hij is beide de koper en de prijs, de priester en het offer. Op zo hoge waardij waren de zielen geschat dat zij door niets minder verlost konden worden, en zo groot was het kwaad, aangericht door de zonde, dat het door niets minder verzoend kon worden, dan door het bloed van de Zoon Gods, die Zijn leven heeft gegeven tot een rantsoen voor velen. Dit is een rantsoen, dat God gevonden heeft, een uitvinding van de oneindige wijsheid, nooit zouden wij zelf dit hebben kunnen bedenken of uitvinden, ook de engelen zouden het nooit hebben kunnen uitvinden, het is de wijsheid Gods in een verborgenheid, de verborgen wijsheid, en zo'n uitvinding, dat zij de bewondering is en blijven zal van de overheden en machten, die begerig zijn om er een blik in te slaan.
Merk op, hoe God hier roemt in die vinding, eureka, eureka, -"Ik heb gevonden, Ik heb het rantsoen gevonden, Ik, Ik ben het, die het gevonden heb."
IV. Het herstel van de zieke hierop. Neem de oorzaak weg, en de uitwerking zal ophouden. Als de patiënt een boeteling wordt, welk een gezegende verandering heeft er dan niet plaats!
1. Zijn lichaam wordt weer gezond, vers 25. Dit is niet altijd het gevolg van het berouw en de bekering tot God van de zieke maar soms is het dit, en herstel uit ziekte is dan een ware zegen, als het voortkomt uit vergeving van zonde, dan is het in liefde tot de ziel, dat het lichaam verlost is van de groeve van de vertering, als God onze zonden achter Zijn rug heeft geworpen, Jesaja 38:17. Dat is de methode van een gezegend herstel: "Zoon, wees welgemoed, uw zonden zijn u vergeven, " en dan: "Sta op, neem uw bed op en wandel" Mattheus 9:2, 6. Zo ook hier: laat hem deel hebben in het rantsoen, en dan zal zijn vlees frisser worden dan het was in de jeugd, er zullen geen overblijfselen zijn van zijn kwaal maar hij zal wederkeren tot de dagen van zijn jeugd, tot de schoonheid en kracht, die hij toen bezat. Als de kwaal, die de natuur drukt, is weggenomen, hoe verwonderlijk zal dan de natuur zichzelve helpen, waarin de macht en goedheid van de God van de natuur dankbaar erkend moeten worden! Door genaderijke beschikkingen als deze, waartoe beproevingen gelegenheid geven, spreekt God eens, ja tweemaal tot de kinderen der mensen, hen doende weten, indien zij er slechts willen opletten, hun afhankelijkheid van Hem en Zijn mededogen met hen.
2. Zijn ziel zal haar vrede herkrijgen vers 26..
a. De lijder, die een boetvaardige is geworden, is een smekeling en heeft leren bidden. Hij weet dat God gebeden wil worden om Zijn gunsten, en daarom zal hij tot God bidden, bidden om vergeving, bidden om gezondheid. "Is iemand in lijden, is iemand ziek dat hij bidde". Als hij bemerkt dat hij herstellende is, dan zal hij niet denken dat het gebed niet langer nodig is, want wij hebben de genade Gods even nodig voor de heiliging van een zegen als voor de heiliging van een beproeving.
b. Zijn gebeden worden aangenomen, God zal hem gunstig wezen en een welbehagen in hem hebben, Zijn toorn zal van hem worden afgekeerd, en het licht van Gods aangezicht zal schijnen over zijn ziel. En dan volgt:
c. Dat hij de troost heeft van gemeenschap met God, thans zal hij Zijn aangezicht zien, dat tevoren voor hem verborgen was, en hij zal het zien met blijdschap, want welk gezicht kan meer verkwikkend zijn? Zie Genesis 33:10. Als had ik Gods aangezicht gezien. Alle ware boetelingen verblijden zich meer in het wederkeren van Gods gunst dan in enigerlei blijk van voorspoed en genoegen, Psalm 4:7, 8.
d. Hij geniet een heerlijke kalmte van gemoed, voortkomende uit de bewustheid van zijn rechtvaardigmaking voor God, die aan die mens zijn gerechtigheid zal wedergeven. Hij zal de verzoening ontvangen, dat is: de troost ervan, Romeinen 5:11. Gerechtigheid zal hem worden toegerekend, en daarna zal van vrede tot hem worden gesproken, de vreugde en blijdschap, die God hem dan zal doen horen maar die hij in de dagen van zijn beproeving niet heeft kunnen horen. God zal nu met hem handelen als met een rechtvaardige, aan wie het wel zal gaan. Hij zal "de zegen ontvangen van de Heere en gerechtigheid van de God zijns heirs," Psalm 24:5. God zal hem genade geven om heen te gaan en niet meer te zondigen. Dit kan misschien de hervorming, de verbetering van zijn leven aanduiden na zijn herstel. Gelijk hij bidden zal tot God, die hij tevoren veronachtzaamd heeft, zo zal hij aan de mens zijn gerechtigheid wedergeven aan wie hij tevoren onrecht gedaan heeft, zal hij vergoeding doen en in het vervolg recht handelen.
V. De algemene regel, die God volgt in Zijn handeling met de kinderen van de mensen hieruit afgeleid, vers 27, 28. Gelijk kranken na hun onderwerping herstellen, zo zullen ook alle anderen, die waarlijk berouw hebben van hun zonden en er zich van bekeren, genade bij God vinden. Zie hier
1. Wat zonde is, en welke reden wij hebben om niet te zondigen. Willen wij de aard kennen van de zonde en de boosheid ervan? Het is de verdraaiing van hetgeen recht is, het is iets zeer onrechtvaardigs, zeer onredelijks, het is de rebellie van het schepsel tegen de Schepper, de wederrechtelijke heerschappij van het vlees over de geest, en een weerspreken van de eeuwige regelen en redenen van goed en kwaad. Het is een "verkeren van de rechte wegen des Heeren, " Handelingen 13:10, en daarom worden de wegen van de zonde kromme wegen genoemd Psalm 125:5. Willen wij weten wat door de zonde te verkrijgen is? Zij baat ons niet. De werken van de duisternis zijn onvruchtbare werken, als winst en verlies vergeleken worden, dan zullen al de winsten van de zonde niet kunnen opwegen tegen de schade, die zij veroorzaakt heeft. Alle ware boetelingen zijn bereid dit te erkennen, en het is een vernederende gedachte: "Wat vrucht dan hadt gij toen van die dingen, waarover gij u nu schaamt?" Romeinen 6:21. 2. Zie wat bekering is, en welke reden wij hebben om ons te bekeren. Willen wij tonen ware boetelingen te zijn? Dan moeten wij met een verbroken en berouwvol hart onze zonden belijden voor God, 1 Johannes 9. Wij moeten het feit van de zonde belijden-ik heb gezondigd-en de beschuldiging niet ontkennen, ons niet willen rechtvaardigen, wij moeten de schuld van de zonde belijden, de ongerechtigheid, de oneerlijkheid ervan. Ik heb het recht verkeerd. Wij moeten de dwaasheid van de zonde belijden: "Zo dwaas ben ik geweest, en zo onwetend, want het heeft mij niet gebaat, wat heb ik er dan nu nog meer mee te doen?" Is er niet grotelijks reden voor, dat wij zo'n boetvaardige, berouwvolle belijdenis doen? Immers:
a. God verwacht haar. Hij beschouwt de mensen als zij gezondigd hebben, om te zien wat zij nu verder zullen doen, of zij er mee zullen voortgaan, of zich zullen bedenken en terugkeren. Hij leent het oor en luistert of ook iemand zeggen zal: "Wat heb ik gedaan?" Jeremia 8:6. Hij ziet op de zondaren met een oog van ontferming, verlangende dit van hen te horen, want Hij heeft geen welbehagen in hun verderf. Hij aanschouwt hen, en zodra Hij deze werkingen van berouw in hen bespeurt, moedigt Hij hen aan en is bereid hen te ontvangen en aan te nemen, Psalm 32:5, 6, zoals de vader uitging om de terugkerende zoon, die verloren was, te ontmoeten en te omhelzen.
b. Het zal ons tot onuitsprekelijk voordeel en gewin zijn. De belofte is algemeen: Indien enigen, wie zij ook zijn, zich aldus verootmoedigen,
a.a. Dan komen zij niet in de verdoemenis, maar zullen verlost worden van de toekomende toorn. Hij zal zijn ziel verlossen, dat zij in het verderf niet nederdale, niet ter helle nederdale, de ongerechtigheid zal zijn verderf niet wezen.
b.b. Zij zullen gelukkig wezen in het eeuwige leven en de blijdschap. Zijn leven zal het licht aanzien, dat is: alle goed, in de aanschouwing en genieting van God. Indien de profeet ons, om die gelukzaligheid te verkrijgen, een grote zaak had gesproken zouden wij ze niet gedaan hebben? Hoeveel te meer, naardien hij alleen tot ons zegt: "Was u en gij zult rein zijn." Belijd uw zonde en ontvang vergeving, bekeer u en word behouden.