1 Thessalonicenzen 3:11-13
In deze woorden vinden wij het ernstig gebed van den apostel. Hij verlangt het werktuig te mogen zijn om meerderen zegen aan de Thessalonicenzen te brengen, en het enige middel daartoe is, nu hij zo ver van hen verwijderd is, het gebed, vergezeld van zijn schrijven aan hen. Hij begeert dat zij mogen volmaakt worden, ofschoon hij daar persoonlijk de bewerker niet van zijn kon. Hij gaf niet voor over hun geloof te heersen, of hun het geloof te kunnen geven, en daarom bad hij voor hen. Merk op:
I. Wie hij bad: God en den Heere Christus. Bidden is een gedeelte van de Godsverering, en alle waarachtige godsdienstige verering komt alleen God toe. Het gebed wordt hier opgezonden aan onzen God en Vader zelf en aan onzen Heere Jezus Christus. Dus is Jezus Christus onze Heere God, evenals God onze Vader God is. Het gebed moet gericht worden tot God als onzen Vader. Zo leerde Christus Zijne discipelen bidden, en zo leert de Geest der aanneming ons bidden en roepen: Abba Vader! Het gebed moet niet alleen opgezonden worden in den naam van Christus, maar ook tot Christus zelf, als onze Heere en Zaligmaker.
II. Waar hij om bidt, zowel voor zich zelven en zijne medearbeiders, als voor de Thessalonicenzen.
1. Hij bidt dat hij en zijn medearbeiders door den wil van God spoedig tot hen mogen komen, dat God hun weg richte tot hen, vers 11. Men zou denken, dat de reis naar de een of andere plaats iets was, dat van den wil des mensen afhing en in zijn eigen macht stond, en dat Paulus daarom niet behoefde te bidden. Maar de apostel wist dat wij in God leven, ons bewegen en zijn, dat wij van God afhankelijk zijn in al onze bewegingen en daden, zowel als voor den voortduur van ons leven, dat de goddelijke Voorzienigheid al onze zaken regelt, en dat het alleen aan haar te danken is wanneer wij daarin voorspoedig zijn, dat God onze Vader bestuurt waar Zijn kinderen zullen gaan en wat zij zullen doen, en dat in het bijzonder Jezus Christus de daden regelt van Zijn getrouwe dienaren, die Hij als sterren in Zijn rechterhand houdt. Laat ons God erkennen in al onze wegen en Hij zal onze paden recht maken.
2. Hij bidt om den voorspoed der Thessalonicenzen. Hetzij hij gelegenheid moge krijgen om tot hen te komen of niet, ernstig bidt hij om het welzijn hunner zielen. En er zijn twee dingen, die hij voor hen begeert, en welke wij moeten begeren voor ons zelven en voor onze vrienden.
A. Dat zij overvloedig gemaakt worden in de liefde, vers 12, in liefde tot elkaar en tot alle mensen. Wederzijdse liefde is een vereiste voor alle Christenen, en niet alleen dat zij elkaar liefhebben, maar dat ze ook genegenheid voelen voor en levendig belangstellen in het welzijn van alle mensen. De liefde is uit God, en de vervulling van het Evangelie zowel als van de wet. Timotheus bracht goede tijding omtrent hun geloof, ofschoon het niet volmaakt was, en omtrent hun liefde, ofschoon de apostel bidt dat die moge vermeerderen en overvloedig worden. Wij hebben reden om te verlangen naar wasdom in elke genade, en behoeven den invloed des Geestes om te wassen in de genade, en de weg om dien te verkrijgen is het gebed. Wij ontvingen niet alleen de genade, die eerst ons deel werd, van God, maar moeten ook de vermeerdering daarvan alleen van Hem verwachten. En terwijl wij bidden, moeten wij ons benaarstigen. Om daartoe de Thessalonicenzen aan te sporen, vermeldt de apostel hun opnieuw zijne liefde, zijn overvloedige liefde voor hen. B. Dat zij mogen bevestigd worden onberispelijk in heiligheid, vers 13. Deze geestelijke zegening wordt vermeld als een gevolg van het toenemen en overvloedig worden in de liefde. Opdat Hij (de Heere) uwe harten versterke. Hoe meer wij groeien en overvloedig worden in de genade, en voornamelijk in de genade der liefde, des te meer zullen wij er in bevestigd en vastgesteld worden. Heiligheid wordt vereist in allen, die ten hemel willen gaan, en daarin moeten wij onberispelijk zijn, dat is: wij moeten in alle dingen zo handelen, dat wij in geen enkel opzicht in tegenspraak zijn met onze belijdenis van heiligheid. Ons verlangen moet zijn, dat onze harten worden bevestigd in heiligheid voor God, en bewaard worden tot de toekomst van onzen Heere Jezus Christus, en dat wij mogen onberispelijk zijn voor God den Vader en eenmaal onbestraffelijk gesteld voor den troon Zijner genade, wanneer de Heere Jezus zal komen met al Zijne heiligen. Merk op:
a. De Heere Jezus zal zeker komen, en komen in Zijne heerlijkheid,
b. Wanneer Hij komt, zal Hij komen met al Zijne heiligen, zij zullen met Hem in heerlijkheid verschijnen,
c. Dan zal de voortreffelijkheid zowel als de noodzakelijkheid van heiligheid aan het licht treden, omdat zonder deze onze harten in dien dag niet zullen kunnen bestaan, of iemand onbestraffelijk zijn en de eeuwige veroordeling ontkomen.