21. En Ik zal voor de ware kinderen Gods uit Israël en de Heidenen hunlieder door de vijanden in zovele vervolgingen vergoten bloed(
Openbaring 6:6) reinigen, dat Ik niet in den vroegeren tijd gereinigd had, wat nog ongewroken was zal Ik in dien dag des oordeels niet ongewroken laten (
Openbaring 6:10); en de HEERE de Almachtige, eeuwige Vader van onzen Heere Jezus Christus, zalals Koning der heerlijkheid zichtbaar en eeuwig wonen onder Zijn verlost en verheerlijkt volk uit Joden en Heidenen (Openbaring :4, 9)op Zion, in het nieuwe Jeruzalem en op de nieuwe aarde. Dan zal men zeggen: Ziet de tabernakel Gods is bij de mensen (
Openbaring 1).
Met zulke wonderbaar heerlijke beloften sluit onze Profeet zijne profetie. Eerst heeft hij leed verkondigd en zwaren jammer, daarna vreugde en heerlijkheid, ene heerlijkheid, waarop zelfs wij nog hopend wachten, dat de Heere zichtbaar zal wonen op Zion. En wat deze beide delen verbindt, is de bekering van het volk. Deze bekering heeft alle leed in vreugde en allen jammer in heerlijkheid veranderd.
Tegenover de ellende, die aan de vijanden van God zal overkomen, stelt de Heere hier de zekerheid en veiligheid van zijn volk. De Heere zal zich keren tegen Zijne vijanden, maar te Zion, op den berg Zijner heiligheid zal Hij wonen, om immer voor Zijn volk een sterke toevlucht te wezen, om altijd Zijn volk met Zijne zegeningen genadig te zijn.
SLOTWOORD OP HET BOEK JOEL.
De Profeet Joël, een der oudsten van Israëls profeten, bevestigt inzonderheid dat een Profeet over alle tijden heenziet.
Wel is zijn Boek klein van inhoud, maar de meest grootse gedachten over de toekomst en de voltooiing van het Godsrijk worden er in gevonden.
Door Gods Geest gedreven spreekt hij ja, in verband met de plaag, welke God Zijn volk had toegezonden, over de wegneming van tijdelijke oordelen, maar bovenal ziet hij tot in de verste toekomst, tot aan het einde der eeuwen.
Hij spreekt daarom van de volle uitstorting des H. Geestes, van de vernietiging van alle vijanden van Christus kerk en van een vastheid en zekerheid voor allen, die door Gods genade zijn verlost en toegevoegd tot de Kerk, die zalig wordt.
Het is daarom zeer waar opgemerkt, dat later Jesaja, Zacharia, Ezechiël en de Openbaring an Johannes zijne Godsgedachten steeds duidelijker uitdrukken en uitwerken.