Jesaja 37:8-20
Wij kunnen hier opmerken:
1. Dat, zo God ons innerlijk geloof geeft in de belofte, uit ons bevestigen kan in ons stil verdragen van smaad. God heeft Hizkia geantwoord, maar het blijkt niet dat Hizkia na rijp beraad enigerlei antwoord gezonden heeft aan Rabsake, maar, daar God de zaak in Zijn eigen handen genomen had, heeft hij haar kalm en gerust aan Hem overgelaten. En zo keerde Rabsake dan terug tot de koning, zijn heer om nieuwe instructies van hem te ontvangen.
2. Dat zij, die zich verlustigen in de krijg, er genoeg van zullen hebben. Sanherib ging uit om oorlog te voeren tegen Juda, zonder dat hem er reden of aanleiding toe gegeven was, en zonder dat hij vooraf een waarschuwing had gezonden. En nu trekt de koning van Cusch, of Ethiopië, met even weinig ceremonie uit ten strijde tegen hem, vers 9. Zij, die twistziek zijn, kunnen verwachten dat er met hen getwist zal worden, en soms beteugelt God de woede van Zijn vijanden door er een krachtige afleiding aan te geven.
3. Dat het slecht is om hovaardiglijk en Godslasterlijk te spreken, maar dat het nog slechter is om aldus te schrijven, want dat geschiedt meer opzettelijk en met voorbedachten rade, en wat geschreven is, spreidt zich verder uit, duurt langer, en doet meer kwaad, voor atheïsme dat geschreven werd zal gewis eens afgerekend worden.
4. Dat grote voorspoed dikwijls het hart van de zondaren verhardt in hun zondige wegen en hen nog zoveel te meer vermetel maakt. Omdat de koningen van Assyrië alle landen verwoest hebben (eigenlijk waren het echter slechts weinige, die onder hun bereik vielen) daarom twijfelen zij niet of zij zullen ook Gods land verwoesten en vernietigen, omdat de goden van de volkeren onmachtig waren om te helpen, komen zij tot de gevolgtrekking dat de God van Israël dit ook is, omdat de afgodische koningen van Hamath en Arpad een gemakkelijke prooi voor hen werden, moet de Godvruchtige, hervormende koning van Juda het ook zijn. Aldus wordt de trotsaard door de zonneschijn van de voorspoed gerijpt voor het verderf.
5. Vrijheid van toegang tot de troon van de genade en vrijheid om aldaar te spreken zijn te allen tijde het onuitsprekelijke voorrecht van het volk van God, inzonderheid in tijden van benauwdheid en gevaar. Hizkia nam Sanheribs brief en breidde hem uit voor het aangezicht des Heeren, niet bedoelende een klacht tegen hem in te brengen, behalve die welke gegrond was op zijn eigen schrift. Laat de zaak zelf spreken, hier is zij zwart op wit. Heere, doe Uwe ogen open en zie. God staat aan Zijn biddend volk toe om nederig, vrijmoedig met Hem te zijn, al hun woorden voor Hem uit te spreken, zoals Jeftha gedaan heeft de brief uit te breiden voor Zijn aangezicht hetzij van een vriend, of van een vijand, en laat de inhoud, de zorg er voor aan Hem over.
6. De grote en fundamentele beginselen van onze Godsdienst, toegepast door het geloof en gebruikt in het gebed, zullen ons van het grootste nut zijn in onze bijzondere behoeften en benauwdheden, waarin die ook mogen bestaan, tot deze moeten wij ons dus wenden en aan deze moeten wij ons houden zoals Hizkia. Hij bemoedigde zich hiermede dat de God Israëls de Heere van de heirscharen is, van alle heirscharen, van de heirscharen Israëls om hen te bezielen en aan te vuren, van de heirscharen van hun vijanden om hen te ontmoedigen en te beteugelen, dat Hij alleen God is, en dat niemand bij Hem vergeleken kan worden, dat Hij de God is van al de koninkrijken van de aarde en over die alle beschikt naar Zijn welbehagen want Hij heeft de hemel en de aarde gemaakt en daarom kan Hij alles doen, en doet Hij ook alles.
7. Als wij bang zijn voor mensen, die grote verwoesters zijn, dan mogen wij met nederige vrijmoedigheid een beroep doen op God als de grote redder en behouder. Zij hebben waarlijk alle landen mitsgaders hun landerijen verwoest. zij hebben de volken vernietigd die zich buiten de bescherming van de ware God hebben gesteld door valse goden te aanbidden, maar de Heere, die alleen God is, is onze God, onze koning, onze wetgever, en Hij zal ons behouden, die de behouder is van hen, die geloven.
8. Wij hebben in ons worstelen met God in het gebed genoeg om aan te grijpen, als wij er slechts op kunnen pleiten dat Zijn eer gemoeid is met onze zaak, dat Zijn naam ontheiligd zal worden als wij terneer worden geworpen en verheerlijkt zo wij worden geholpen en gered. Daaraan dus zal onze krachtigste pleitgrond ontleend worden. Doe het om de wille van Uw eer en heerlijkheid.