Leviticus 16:29-34
1. Hier is: De dag, welke voor die plechtigheid was aangewezen. Hij moet jaarlijks waargenomen worden op de tiende dag van de zevende maand, vers 29. De zevende maand was voor de eerste maand gerekend, totdat God verordineerd had, dat de maand, waarin de kinderen Israëls uit Egypte gingen, als de eerste gerekend en aldus genoemd zou worden. Sommigen hebben het denkbeeld geopperd, dat deze tiende dag van de zevende maand de dag geweest is, waarop onze eerste ouders gevallen zijn, en dat hij ter gedachtenis daarvan als een vastendag werd waargenomen. Dr. Lightfoot heeft uitgerekend, dat dit de dag was, waarop Mozes de laatste maal van de berg gekomen is, toen hij de nieuwe tafelen meebracht en de verzekering, dat God met Israël verzoend was, en zijn aangezicht glinsterde. Die dag moet een dag van verzoening zijn in al hun geslachten, want de herinnering aan Gods vergeven van hun zonde met het gouden kalf kon hen aanmoedigen om te hopen, dat God op hun berouw en bekering al hun overtredingen zou vergeven.
2. De plicht van het volk op die dag:
a. Zij moeten rusten van al hun arbeid, het zal u een sabbat van de rust zijn, vers 31. Het werk van de dag zelf was genoeg, en zo het goed gedaan werd, was het een goede dag van werken, daarom moeten zij in het geheel geen ander werk doen. De arbeid van verootmoediging voor zonde vereist zo'n sterke inspanning van de geest, dat dit ons niet zou toelaten aan iets anders te denken. De verzoendag schijnt die sabbat te zijn, waarvan gesproken wordt door de profeet, Jesaja 58:13, want het is dezelfde als de vastendag, waarvan in de vorige verzen gesproken wordt.
b. Zij moeten hun zielen verootmoedigen. Zij moeten zich onthouden van alle verkwikking van het lichaam ten teken van hun innerlijke verootmoediging van de ziel en berouw over hun zonde. Zij allen vastten op die dag, dat is zij gebruikten spijs noch drank (behalve de zieken en de kinderen) en legden hun versierselen af, en zalfden zich niet, zoals Daniël, Hoofdstuk 10:3, 12. David kwelde zijn ziel met vasten Psalm 35:13. En het betekende het doden van de zonde, het zich afwenden er van, het losmaken van de knopen van de ongerechtigheid, Jesaja 58:6. De Joodse geleerden gaven het volk de raad om op die dag die delen van de Schrift niet te lezen, die hun met blijdschap zouden kunnen vervullen, omdat het een dag was om de ziel te verootmoedigen.
3. Het eeuwigdurende van deze inzetting dit zal u een eeuwige inzetting zijn, vers 29, 34. Het moet geen enkel jaar worden nagelaten nooit vervallen, totdat deze bedeling ontbonden zal wezen, en het type plaats zal maken voor het antitype. Zolang wij voortdurend zondigen, moeten wij er voortdurend berouw van hebben en de verzoening verkrijgen. De wet om onze zielen te verootmoedigen wegens de zonde is een eeuwige inzetting die van kracht zal blijven totdat wij gekomen zijn daar, waar alle tranen, zelfs die van berouw, van onze ogen afgewist zullen worden. De apostel beschouwt het als een blijk van de ongenoegzaamheid van de wettische offers om de zonde weg te nemen en het geweten er van te reinigen, dat daarin elk jaar weer gedachtenis van de zonden geschiedt, Hebreeën 10:1-3. De jaarlijkse herhaling van de offers toonde dat er slechts een zwak pogen in was tot verzoening, krachtdadig en afdoend kon dit slechts geschieden door de offerande van het lichaam van Jezus Christus, eenmaal geschied, die éne maal was genoeg, deze offerande behoefde niet herhaald te worden.
Laat ons dus zien wat er van het Evangelie was in dit alles. I. Hier zijn in type de twee grote Evangelievoorrechten voorgesteld van vergeving van de zonde en toegang tot God, welke wij beide aan het middelaarschap van Jezus Christus verschuldigd zijn.
Laat ons dan hier zien:
1. De verzoening van de schuld, die Christus zelf voor ons aangebracht heeft. Hijzelf is beide de offeraar en het offer, waardoor verzoening teweeggebracht wordt, want Hij is:
A. De Priester, de Hogepriester, die de zonden van het volk verzoent, Hebreeën 2:17. Hij en Hij alleen is par negotio geschikt voor het werk, en waardig de eer er van te ontvangen. Hij is door de Vader gesteld om dit te doen, die Hem geheiligd heeft, en Hem tot dit doel in de wereld gezonden heeft, namelijk dat God, in Hem, de wereld met zichzelf verzoenen zou. Hij heeft dit werk ondernomen, en zich om onzentwil geheiligd, en er zich voor afgezonderd, Johannes 17:19. Dat de hogepriester zich op die dag zo dikwijls baadde, en de dienst verrichtte gekleed in fijn zuiver en wit linnen betekende de heiligheid van de Heere Jezus Zijn volkomen vrij zijn van elke zonde, en Zijn versierd zijn met alle genade. Niemand mocht bij de hogepriester zijn, als hij verzoening deed, vers 17, want onze Heere Jezus moest de pers alleen treden, en van de volkeren moest er niemand bij Hem zijn, Jesaja 63:3. Daarom hebben, toen Hij inging tot Zijn lijden, al Zijn discipelen hem verlaten en zijn gevloden, want indien er van hen gevangen genomen en met Hem ter dood gebracht waren, dan zou dit beschouwd zijn alsof zij medegewerkt hadden tot de verzoening, niemand dan misdadigers, ten opzichte van wie zulk een gedachte niet kon opkomen, moest met Hem lijden. En let op de omvang van de verzoening, die de hogepriester deed, het was voor het heilige der heiligen, voor de tabernakel, voor het altaar, voor de priesters en voor al het volk, vers 33. Christus' genoegdoening brengt verzoening teweeg beide voor de leraren en voor de gemeente, de ongerechtigheid van onze heilige (en van onze onheilige) dingen. Onze aanspraak op de voorrechten van de inzettingen, de vertroosting, die wij er in vinden, hebben wij alleen te danken aan de verzoening, aangebracht door Christus. Maar terwijl de verzoening, die de hogepriester deed, slechts de vergadering van Israël betrof, is Christus de verzoening niet alleen voor de zonden van de Joden, maar voor de zonden van geheel de heidenwereld. En ook hierin werd Aäron oneindig ver overtroffen door Christus dat Aäron het nodig had om eerst voor zijn eigen zonde offerande te offeren en van zijn zonde belijdenis te doen op het hoofd van zijn zondoffer, maar onze Heere Jezus had geen eigen zonde, en zo'n hogepriester betaamde ons, Hebreeën 7:26. Daarom is Hij ook toen Hij in de Jordaan gedoopt werd, terwijl anderen in het water stonden, belijdenis doende van hun zonde, Mattheus 3:6, terstond uit het water opgeklommen, vers 16, daar Hij geen zonde had te belijden.
B. Gelijk Hij de Hogepriester is, zo is Hij ook het offer, waarmee de verzoening gedaan wordt, want in onze verzoening met God is Hij alles in allen. Aldus werd Hij voorgesteld door de twee bokken, die beide een offer waren, de geslachte bok was het type van Christus, stervende voor onze zonden, de weggaande bok was een type van Christus, opgestaan tot onze rechtvaardigmaking. Door het lot, waarvan het beleid van de Heere is, werd beslist welke bok geslacht moest worden, want Christus werd door de bepaalden raad en voorkennis Gods overgeleverd.
a. De verzoening wordt gezegd voltooid te zijn door de zonden van Israël op het hoofd van de bok te leggen. Zij hadden verdiend verlaten en in een land van de vergetelheid weggezonden te worden, maar die straf werd hier overgebracht op de bok, die hun zonden droeg, in toespeling hierop wordt van God gezegd, dat Hij ons aller ongerechtigheid heeft doen aanlopen op de Heere Jezus, Jesaja 53:6, die van al deze schaduwen het wezen is. En Hij wordt gezegd onze zonden namelijk de straf er voor-in Zijn eigen lichaam gedragen te hebben op het hout, I Petrus 2:24. Aldus is Hij zonde voor ons gemaakt, dat is: offer voor zonde, 2 Corinthiërs 5:21. Hij leed en stierf, niet alleen tot ons welzijn en behoud, maar in onze plaats, Hij werd verlaten en scheen voor een tijd vergeten, opdat wij niet voor eeuwig verlaten en vergeten zouden worden. Sommige geleerden hebben uitgerekend, dat onze Heere Jezus door Johannes in de Jordaan gedoopt werd op de tiende dag van de zevende maand, dus juist op de verzoendag, toen ging Hij in tot Zijn ambt als Middelaar, en werd terstond door de (Geest uitgedreven in de woestijn, een afgezonderd, onbewoond land.
b. Het gevolg daarvan was, dat al de ongerechtigheden van Israël weggevoerd werden in een land van de vergetelheid. Aldus neemt Christus, het Lam Gods, de zonde van de wereld weg, Johannes 1:29. En als God de zonde vergeeft, wordt Hij gezegd haar niet meer te gedenken, Hebreeën 8:12, haar achter Zijn rug te werpen, Jesaja 38:17, "in de diepte van de zee," Micha 7:19, haar weg te doen "zover het oosten is van het" "westen," Psalm 103:12.
2. De ingang in de hemel, door Christus voor ons bereid, zien wij hier afgeschaduwd door het ingaan van de hogepriester in het heilige der heiligen. Dit wordt door de apostel verklaard, Hebreeën 9:7 en verv. en hij toont aan:
a. Dat de hemel de meerdere en volmaakte tabernakel is, niet met handen gemaakt, dat is, niet van dit maaksel, en dat de weg er heen door geloof, hoop en gebed, door een Middelaar toen nog niet zo klaar en duidelijk geopenbaard was als thans onder het Evangelie.
b. Dat Christus bij Zijn hemelvaart eens en voor altijd de hemel is binnengegaan, als openbaar persoon in de naam van geheel Zijn geestelijk Israël, en door het voorhangsel van Zijn vlees Hebreeën 10:20.
c. Dat Hij is ingegaan door Zijn eigen bloed, Hebreeën 9:12, met Hem medenemende naar de hemel de kracht van de offerande, die Hij geofferd heeft op de aarde, en aldus als het ware Zijn bloed sprengende voor de genadetroon, waar het betere dingen spreekt dan het bloed van stieren en bokken. Daarom wordt Hij gezegd in het midden van de troon te verschijnen "als een Lam, dat geslacht" "is," Openbaring 5:6. En ofschoon Hij voor zichzelf geen zonde te verzoenen had, heeft Hij toch door Zijn eigen verdienste de herstelling verkregen in Zijn aloude heerlijkheid, Johannes 17:4, 5, zowel als een eeuwige verlossing voor ons Hebreeën 9:12.
d. De hogepriester heeft in het heilige der heiligen wierook gebrand, hetgeen een afschaduwing was van de voorbede van Christus, om welke te doen binnen de voorhang Hij eeuwig leeft, in de kracht van Zijn genoegdoening. En wij zouden niet kunnen verwachten te leven voor de troon van de genade indien hij niet bedekt was door de rookwolk van dit reukwerk. Zonder het tussenbeide treden van een Middelaar zal blote genade ons niet behouden. Het tussenbeide- treden van Christus is daar voor God gesteld als reukwerk, als dit reukwerk. En gelijk de hogepriester eerst voor zich, dan voor zijn huis en daarna voor geheel Israël bad, zo heeft onze Heere Jezus in het 17de hoofdstuk van Johannes (dat een voorbeeld of proeve was van Zijn voorbede in de hemel) eerst zichzelf Zijn Vader bevolen, toen Zijn discipelen, die Zijn huis waren, en daarna allen, die door hun woord in Hem zullen geloven, als geheel Israël, en na aldus op de bedoeling van Zijn offerande gewezen te hebben werd Hij terstond gegrepen en ingevolge deze bedoeling gekruisigd.
e. De ingang door Christus bewerkt heeft die van Aäron hierin ver overtroffen, dat Aäron geen toegang kon verkrijgen, ja zelfs voor zijn eigen zonen niet, in het heilige der heiligen, maar dat onze Heere Jezus voor ons een nieuwe en levende weg ingewijd heeft naar het heiligdom, zodat wij dan ook vrijmoedigheid hebben om in te gaan, Hebreeën 10:19, 20. En eindelijk: de hogepriester moest weer uitgaan uit het heiligdom, maar onze Heere Jezus leeft eeuwiglijk om voor ons te bidden, en verschijnt altijd in de tegenwoordigheid Gods voor ons, waar Hij als onze voorloper voor ons is ingegaan, en waar Hij als onze pleitbezorger altijd verblijf houdt.
II. Hier is ook een type of afschaduwing van de twee grote Evangelieplichten van geloof en bekering, door welke wij bevoegd worden voor de verzoening en aanspraak verkrijgen op het voordeel er van.
1. Door het geloof moeten wij onze handen leggen op het hoofd van het offer, steunende op Christus, als de Heere onze Gerechtigheid pleitende op Zijn genoegdoening, als hetgeen waardoor alleen verzoening kon gedaan worden over onze zonden, en waardoor wij vergeving kunnen verkrijgen. "Gij, Heere, zult voor mij antwoorden. Alles wat ik te zeggen heb is: Christus is voor mij gestorven, ja wat meer is, Hij is opgestaan, aan Zijn genade en bestuur geef ik mij geheel over, en door Hem heb ik de verzoening verkregen," Romeinen 5:11.
2. Door berouw en bekering moeten wij onze zielen verootmoedigen, niet slechts voor een tijd vastende van de genietingen en verlustigingen van het lichaam, maar innerlijk treurende om onze zonden, en een leven leidende van zelfverloochening en doding van het vlees. Wij moeten ook een berouwvolle belijdenis afleggen van zonde, en dit met het oog op Christus, die wij doorstoken hebben en om Hem rouw bedrijvende, en met de hand van het geloof op de verzoening, ons verzekerd houdende, dat, indien wij onze zonden belijden, God getrouw en rechtvaardig is, dat Hij ons de zonden vergeve en ons reinige van alle ongerechtigheid.
Eindelijk. De klank van de bazuin, die in het jubeljaar vrijheid verkondigde, moest aan het einde van de verzoendag geblazen worden Hoofdstuk 25:9. Want de kwijtschelding van onze schuld, de bevrijding uit onze dienstbaarheid en ons terugkeren tot ons erfdeel zijn wij allen aan het middelaarschap en de voorbede van Jezus Christus verschuldigd. Door de verzoening verkrijgen wij rust voor onze ziel en al de heerlijke vrijheid van de kinderen Gods.