Leviticus 22:1-9
Aan hen, die een lichaamsgebrek hadden, was het vergund van de heilige dingen te eten, hoewel het hun verboden was het werk van de priester te doen, en de Joodse schrijvers zeggen: "om hen niet lui of ledig te laten zijn, werden zij gebruikt in de houtkamer, om uit te zoeken wat wormstekig was, opdat dit niet gebruikt zou worden voor het vuur op het altaar, en zij konden ook dienst doen voor het oordelen over melaatsheid", maar zij, die zich onder ceremoniëele onreinheid bevonden, die zij zich door eigen schuld op de hals gehaald kunnen hebben, mochten zelfs niet eten van de heilige dingen, zolang die onreinheid op hen was.
1. Sommige onreinheden waren blijvend zoals melaatsheid, of een vloed, vers 4. Dezen sloten het volk buiten het heiligdom, en God wilde tonen dat zij, wel verre van minder laakbaar te zijn in een priester, in werkelijkheid meer laakbaar in hem waren.
2. Anderen waren van meer voorbijgaande aard, zoals het aanraken van een dood lichaam of van iets anders, dat onrein was, waarvan men, na een zekere tijd, gereinigd kon worden door zich in water te baden, vers 6. Maar al wie aldus verontreinigd was, mocht niet van de heilige dingen eten, op straf van Gods hoogste misnoegen, die gezegd heeft, en dat gezegde heeft bevestigd: die mens zal voor Mijn aangezicht uitgeroeid worden, vers 3. Ons zijn in de tegenwoordigheid Gods en ons dienen van Hem zal, wel verre van ons te beveiligen, ons juist meer blootstellen aan de toorn Gods, als wij het wagen om in onze onreinheid tot Hem te naderen. Het verderf zal komen van het aangezicht des Heeren, 2 Thessalonicenzen 1:9, zoals het vuur, door hetwelk Nadab en Abihu gestorven zijn, uitgegaan is van het aangezicht des Heeren. Aldus zullen zij, die het heilige woord Gods ontheiligen, uitgeroeid worden door dat woord hetwelk zij zo gering schatten, het zal hen veroordelen. Wederom worden zij gewaarschuwd voor hun gevaar, zo zij in hun onreinheid van de heilige dingen eten, vers 9, opdat zij geen zonde daarover dragen, en daarin sterven Diegenen laden grote schuld op zich, die heilige dingen ontheiligen, door ze met onheilige handen aan te raken. Het eten van heilige dingen betekende deel te hebben in de verzoening: maar als zij er in hun onreinheid van aten, hebben zij, wel verre van hun schuld te verminderen, haar juist vermeerderd, zij zullen zonde dragen. Zonde is een last, die-zo de oneindige genade het niet verhoedt-hen zal doen verzinken die hem dragen, zij zullen daarin sterven. Zelfs priesters kunnen door hun onreinheid en vermetele roekeloosheid ten verderve gaan.
Dit nu:
a. Verplichtte de priesters om zeer zorgvuldig hun reinheid te bewaren, en alles te schuwen wat hen zou kunnen verontreinigen. De heilige dingen waren hun middel van bestaan, als zij ze niet mochten eten, waarvan zouden zij dan leven? Hoe meer lieflijk genot en eer wij door onze verontreiniging te verliezen hebben, hoe zorgzamer wij moeten wezen om onze reinheid te bewaren.
b. Dit boezemde het volk eerbied in voor de heilige dingen, als zij de priesters zelf er van afgezonderd zagen, zoals de uitdrukking luidt in vers 2, zolang zij in hun onreinheid bleven. Hij is ongetwijfeld een God van oneindige reinheid, die Zijn naaste dienaren onder zo streng een tucht hield.
c. Dit leert ons zorgvuldig te waken tegen alle zedelijke verontreiniging, omdat zij ons ongeschikt maakt om het vertroostend genot van Gods heiligdom te smaken. Al is het ook, dat wij niet onder blijvende mismaaktheid of gebreken gebukt gaan, zal dadelijke verontreiniging ons toch van het genot beroven van gemeenschap met God, en daarom heeft hij, "die gewassen" is, "van node de voeten te wassen," Johannes 13:10, "zijn handen te wassen" en aldus "rondom" "het altaar te gaan" Psalm 26:6. Hierin hebben wij met groten ijver over onszelf te waken, opdat wij (gelijk het zo opmerkelijk hier is uitgedrukt) de naam van Zijn heiligheid niet ontheiligen, in de heilige dingen, die wij Hem heiligen, vers 2. Als wij juist in die handelingen met welke wij voorgeven God te eren, Hem beledigen, Hem tot toorn verwekken, inplaats van Hem te behagen, dan zullen wij weldra een slechte rekening hebben over te leggen toch doen wij dit, als wij Gods naam ontheiligen door in onze onreinheid te doen hetgeen waarmee wij voorgeven Hem te heiligen.