Hebreeën 7:11-28
Let op de noodzakelijkheid, dat er een ander priester opstond, naar de ordening van Melchizedek en niet naar de ordening van Aäron, door wie de volmaaktheid zou komen, die niet komen kon door het Levitische priesterschap, hetgeen daarom moest veranderd worden met zijn gehele huishouding, vers 11, 12.
I. Hier wordt bevestigd, dat de volkomenheid niet komen kon door het Levitische priesterschap en de wet. Zij konden degenen, die tot hen naderden, niet stellen in het volkomen genot van de dingen, waar zij heen wezen, zij konden alleen den weg aanwijzen.
II. Er moest dus een andere priester opstaan, naar de ordening van Melchizedek, en de volkomenheid moest door Hem en door Zijn wet des geloofs komen tot allen, die Hem gehoorzamen. God zij geloofd: wij hebben de volkomen heiligheid en de volkomen gelukzaligheid door Christus in het genadeverbond overeenkomstig het Evangelie, want wij zijn volmaakt in Hem.
III. Aangetoond wordt dat, indien het priesterschap verandert, er ook noodzakelijk verandering van wet moet zijn. Er is zo nauwe betrekking tussen het priesterschap en de wet, dat de nieuwe bedeling niet onder een ander priesterschap door dezelfde wet kon komen. Een nieuwe priesterschap kan alleen onder een nieuwe regeling bestaan, wordt op andere wijze uitgeoefend en volgens regels, die eigen zijn aan zijn aard en ordening.
IV. Niet alleen aangetoond, maar bewezen, wordt dat priesterschap en wet veranderd zijn, vers 13, 14. Het priesterschap en de wet, waardoor de volkomenheid niet komen kon, zijn afgeschaft. Een priester is opgestaan en een bedeling gegeven, door welke de ware gelovigen volmaakt kunnen worden. Dat deze verandering er is, blijkt duidelijk.
1. Er is verandering in den stam, waaruit de priesterschap komt. Ze was uit den stam Levi, maar onze grote hogepriester ontsproot uit den stam Juda, van welken stam Mozes niets gezegd heeft van het priesterschap, vers 14. Deze verandering van geslacht bewijst een wezenlijke verandering van de wet van het priesterschap.
2. Er is verandering in de wijze van ordening der priesters. Vroeger in het Levitische priesterschap, werden zij geordend naar de wet van een vleselijk gebod, maar onze grote hogepriester is dat geworden naar de kracht des onvergankelijken levens. De vorige wet bepaalde dat de bediening zou overgaan bij den dood des vaders op zijn oudsten zoon, volgens de wet van vleselijke of natuurlijke afstamming, want geen van de hogepriesters van die wet was zonder vader, zonder moeder en zonder geslachtsrekening, zij hadden het leven en de onsterflijkheid niet in zich zelven. Zij hadden zowel beginsel der dagen als einde des levens, en daarom het vleselijk gebod, de wet der afstamming, regelde hun opvolging, zoals ze alle zaken van burgerlijk recht en erfenis regelt. Maar de wet, waardoor Christus aangesteld werd tot een priester naar de ordening van Melchizedek, was de kracht des onvergankelijken levens. Het leven en de onsterflijkheid, die Hij in zich zelven had, waren Zijn recht en bevoegdheid tot het priesterschap, niet Zijn afstamming van andere priesters. Dat maakt een groot verschil in het priesterschap, en in de huishouding evenzeer, en geeft oneindig de voorkeur aan Christus en het Evangelie. Dezelfde wet, die het Levitische priesterschap instelde, onderstelde dat de priesters zwakke, broze, sterflijke schepselen waren, niet instaat om hun eigen natuurlijk leven te bewaren, maar die er mee tevreden moesten zijn, dat ze na hun dood in hun nakomelingschap voortleefden. Zij konden dus nog veel minder, door enige macht of gezag uit zich zelven, geestelijk leven of zegeningen mededelen aan degenen, die tot hen kwamen. Maar de hogepriester van onze belijdenis heeft Zijne bediening door de innerlijke kracht van onvergankelijk leven, dat Hij in zich zelven bezit, niet alleen om zich zelven bij het leven te bewaren, maar om geestelijk en eeuwig leven mede te delen aan allen, die zich waarlijk verlaten op Zijne offerande en tussenkomst. Sommigen denken dat met de wet eens vleselijken gebods bedoeld worden de uitwendige plechtigheden van wijding en de vleselijke offeranden, die gebracht werden, en dat de kracht des onvergankelijken levens ziet op de geestelijke levende offeranden, die bij het Evangelie behoren, en de geestelijke en eeuwige voorrechten door Christus verworven, die gewijd werd door den eeuwigen Geest des levens, welken Hij ontving zonder mate.
3. Er is verandering in de kracht van het priesterschap. Het vorige was zwak en onprofijtelijk en maakte niets volkomen, het laatste bracht een betere hoop, door welke wij tot God genaken, vers 18, 19. Het Levitische priesterschap had geen ding volmaakt, het kon den mens van zijn schuld niet rechtvaardigen, het kon hem niet reinigen van de inwendige bezoedeling, het kon het geweten niet reinigen van dode werken, het kon niet meer doen dan den mens tot het anti-type leiden. Maar het priesterschap van Christus heeft in zich en brengt met zich mede een betere hoop, het toont ons den waren grondslag van al de hoop, die wij op God hebben voor vergeving en zaligmaking, het ontdekt ons meer duidelijk de grote voorwerpen van onze hoop, en daardoor werkt het in ons een krachtiger en levende hoop van aanneming door God. Door deze hoop worden wij aangemoedigd om tot God te genaken, om in verbondsbetrekking met Hem te treden, om een leven van bekering en gemeenschap met Hem te leiden. Wij mogen nu naderen met een oprecht hart en met volle verzekerdheid des geloofs, hebbende onze zielen gereinigd van het boze geweten. Het vorige priesterschap hield den mens veelmeer op een afstand en in een geest van gebondenheid.
4. Er is verandering in Gods wijze van handelen in dit priesterschap. Hij heeft met een eed aan Christus gezworen, hetgeen Hij nooit deed aan de ordening van Aäron. God heeft hun nooit zulk een verzekering van hun duurzaamheid gegeven, nooit door eed of belofte zich verbonden dat zij een eeuwige priesterschap zouden zijn, en hun dus geen vooruitzicht van eeuwigdurend bestaan gegeven, maar veeleer aanleiding om de wet als iets tijdelijks te beschouwen. Maar Christus werd priester gemaakt met een eed van God: De Heere heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen, Gij zijt priester in der eeuwigheid naar de ordening van Melchizedek, vers 21. Hier heeft God onder ede verklaard de onbeweeglijkheid, uitnemendheid, kracht en eeuwigheid van het priesterschap van Christus.
5. Er is een verandering in het verbond, waarvan het priesterschap de verzekering en de priester de zekerheid waren, dat is: ene verandering in de bedeling van dat verbond. De Evangelische bedeling is voller, vrijer, vooruitziender, geestelijker en krachtiger dan die van de wet. Christus is in dit verbond des Evangelies de waarborg voor ons bij God en voor God bij ons, om te zorgen dat het verbond in zijn beide delen nageleefd wordt. Hij, als borg, heeft de goddelijke en de menselijke natuur in Zijn persoon met elkaar verenigd, en daardoor de zekerheid van verzoening gegeven, en Hij, als borg, heeft God en mens met elkaar verenigd in den band van het eeuwig verbond. Hij pleit bij de mensen om hun verbond met God te houden, en Hij pleit bij God om Zijne beloften aan de mensen te vervullen, hetgeen God altijd gewillig is te doen in een weg, die overeenkomt met Zijn majesteit en heerlijkheid, dat is: door een Middelaar. 6. Er is een merkwaardige verandering in het aantal priesters onder deze beide ordeningen. In die van Aäron was een menigte van priesters, van hogepriesters, niet opeens maar in opvolging. Maar in die van Christus is het altijd een en dezelfde. De reden ligt voor de hand, de Levitische priesters waren talrijk, omdat zij door den dood verhinderd werden altijd te blijven. Hun bediening, hoe hoog en eervol ook, kon hen niet vrijwaren van den dood, en wanneer de ene stierf moest de andere hem opvolgen, die na een poos plaatsmaken moest voor een derden, tot het aantal al zeer groot geworden was. Maar deze onze hogepriester blijft eeuwiglijk, en Zijn priesterschap is apara baton, onovergankelijk, het gaat niet als het vorige van den een op den ander over, het blijft altijd in dezelfde hand. Er kan nooit een gaping zijn in een priesterschap, geen uur, geen ogenblik kan het volk buiten priester, om zijn geestelijke belangen in den hemel te behartigen. Zulk een gaping zou zeer gevaarlijk en gevolgenrijk kunnen zijn, want dit is de veiligheid en het geluk der mensen, dat deze eeuwig-levende Hogepriester machtig is zalig te maken ook den diepstgezonkene, in alle tijden, in elke omstandigheid, allen die door Hem tot God gaan, vers 25. Zodat het duidelijk is dat hier een grote verandering ten goede is.
7. Er is een merkwaardige verandering in de zedelijke bevoegdheden van de priesters. Zij, die priesters waren naar de ordening van Aäron, waren niet alleen sterflijke mensen, maar ook zondige mensen, die hun zondige zowel als hun natuurlijke zwakheden hadden. Zij moesten eerst offeren voor hun eigen zonden, daarna voor die des volks. Maar onze Hogepriester, die door het woord der eedzwering geheiligd was, behoefde slechts eens voor het volk, en in `t geheel niet voor zich zelven, te offeren, want Hij heeft niet alleen een onveranderlijke heiliging voor Zijne bediening, maar ook een onveranderlijke heiligheid in zich zelven. Hij is zodanig een hogepriester als ons betaamde, heilig onnozel, onbesmet, enz., vers 26-28. Merk hier op:
A. Onze toestand, als zondaren, maakte een hogepriester nodig om voor ons voldoening aan te brengen en voor ons tussen te treden
B. Geen priester kon voor onze verzoen ing met God geschikt of voldoende zijn, dan een die zelf volkomen rechtvaardig was, anders kon hij geen verzoening voor onze zonden of onze voorspraak bíj den Vader zijn.
C. De Heere Jezus was geheel zulk een hogepriester als wij nodig hadden, want Hij had een eigen, volstrekt volkomen heiligheid. Let op de beschrijving hier van de volkomen heiligheid van Christus gegeven, en uitgedrukt in verscheidene woorden, welke alle op Zijn volkomen reinheid wijzen.
a Hij is heilig, volkomen vrij van alle gewoonten en beginselen der zonde, waartoe Hij niet de minste aanleiding in Zijn natuur heeft, geen zonde woont in Hem, die nog altijd in de beste Christenen overblijft, zelfs geen enkele neiging tot de zonde.
b. Hij is onnozel, volkomen vrij van alle dadelijke overtreding, heeft geen onrecht gedaan, ook is er geen bedrog in Zijn mond gevonden, nooit deed Hij het geringste kwaad tegen God of mensen.
c. Hij is onbesmet, nooit was Hij medeplichtig aan de zonden van anderen. De beste Christenen moeten God vergeving vragen voor hun aandeel aan de zonden van anderen. Het is zeer moeilijk ons rein te bewaren, zodat wij geen deel krijgen in de schuld van de zonden van anderen, door er in enig opzicht toe bij te dragen, of door ze niet zo mogelijk te voorkomen. Christus was onbesmet, ofschoon Hij de schuld van anderen op zich nam, maar nooit werd Hij betrokken in de zonden zelf.
d. Hij is afgescheiden van de zondaren, niet alleen in Zijn tegenwoordigen toestand, nadat Hij als onze hogepriester het heilige der heiligen is binnengegaan, waar niets onreins kan binnenkomen, maar door Zijn persoonlijke reinheid. Hij heeft niet zulk een vereniging met de zondaren, zomin van nature als door verbinding met hen, waardoor enige zonde in Hem zou kunnen zijn. Die komt wel op ons door onze vereniging met den eersten Adam, daar wij in den natuurlijken weg van hem afstammen. Maar Christus was, door Zijn onbevlekte ontvangenis in de maagd, afgescheiden van de zondaren, ofschoon Hij de menselijke natuur aannam, de wonderdadige wijze, waarop die Hem meegedeeld werd, zonderde Hem van de overige mensen geheel af.
e. Hij is hoger dan de hemelen geworden- De meeste uitleggers verstaan dit van Zijn staat van verhoging in de hemelen aan de rechterhand Gods, om het werk van Zijn priesterschap te voltooien. Maar Dr. Goodwin meent dat deze uitdrukking met alle recht kan toegepast worden op de persoonlijke heiligheid van Christus, welke groter en volkomener is dan die van de hemelse heirscharen, dat is, van de engelen, die ofschoon vrij van zonden, in zich zelven niet vrij zijn van alle mogelijkheid om te zondigen. Wij lezen in Job 4:18 :Zie, op Zijne knechten zou Hij niet vertrouwen, hoewel Hij in Zijne engelen klaarheid gesteld heeft, dat is: Hij vindt toch in hen zwakheid en de mogelijkheid van te zondigen. Zij kunnen het ene uur engelen zijn en het volgende uur duivelen geworden zijn, zoals met velen hunner gebeurde, en dat de heilige engelen nu niet valle n, komt niet doordien daartoe de on mogelijkheid in hun natuur ligt, maar door de uitverkiezing Gods, zij zijn uitverkoren engelen. Het is zeer waarschijnlijk, dat deze uitlegging van de woorden: hoger dan de hemelen geworden, moet geacht worden te ver gezocht te zijn, en dat het moet verstaan worden van de waardigheid van Christus' staat en niet van Zijn persoonlijke heiligheid, en zulks voornamelijk omdat er gezegd wordt hoger dan de hemelen geworden of gemaakt, genomenos. De overige in dit vers opgegeven hoedanigheden behoren klaarblijkelijk bij de persoonlijke volkomenheid van Christus, in tegenstelling met de zondige zwakheden van de Levitische priesters, en het ligt nog te meer voor de hand om het zo op te vatten, omdat de waarde en voortreffelijkheid van Christus' priesterschap in vers 27 gesteld worden daarin, dat Hij voor zich zelven bij het priesterschap geen belang had. Hij behoefde voor zich zelven niet te offeren, het was een middelaarschap zonder eigenbelang, Hij trad als Middelaar op om voor anderen de barmhartigheid te verkrijgen, die Hij zelf niet behoefde. Had Hij die voor zich zelven nodig gehad, was Hij zelf een der partijen geweest, dan had Hij geen Middelaar kunnen zijn, een misdadiger kan niet als voorspraak voor andere misdadigers optreden. Zijn middelaarschap wordt des te meer onpartijdig en zonder eigenbelang, omdat Hij niet alleen zelf de barmhartigheid niet nodig had, die Hij voor anderen verwierf, maar omdat Hij die nooit zou kunnen nodig hebben. Ofschoon Hij er heden geen behoefte aan had, zou het kunnen zijn dat Hij wist, dat er in de toekomst omstandigheden zich konden voordoen, waarin Hij er wel behoefte aan had, en dan had Hij ook het oog moeten hebben op Zijn eigen belang, en had dan niet kunnen handelen met die volstrekte onpartijdigheid en heiligen ijver voor Gods eer ter ener zijde en met die zuivere tedere deelneming voor arme zondaren aan den anderen kant. Hieruit blijkt des te meer hoe noodzakelijk de Middelaar God moest zijn, daar niemand in zich zelven die onmogelijkheid van te zondigen bezit, die nodig was om Hem boven alle mogelijkheid van behoefte aan gunst en barmhartigheid te verheffen, indien hij bloot schepsel is.