Hebreeën 2:14-18
Hier gaat de apostel voort met de handhaving van de vleeswording van Christus, die niet de natuur der engelen aannam, maar die van het zaad Abrahams, en hij toont aan de reden en het oogmerk daarvan.
I. De vleeswording van Christus wordt gehandhaafd. Waarlijk, Hij neemt de engelen niet aan, maar Hij neemt het zaad Abrahams aan, vers 16. Hij nam vlees en bloed aan. Ofschoon Hij als God voorbestond van alle eeuwigheid, toch nam Hij in de volheid der tijden onze natuur aan in vereniging met Zijn goddelijke natuur, en werd werkelijk en waarachtig mens. Hij nam niet de engelen aan, maar Hij nam het zaad Abrahams aan. De engelen vielen, maar Hij liet hen over aan zich zelven, liggende onder de ellende en heerschappij hunner zonden, zonder hoop op redding. Christus had nooit het voornemen om de Zaligmaker der gevallen engelen te worden, zoals hun boom viel zo ligt hij en zo moet hij in eeuwigheid liggen, en daarom nam Hij hun natuur niet aan. De natuur der engelen kon geen verzoenend offer zijn voor de zonden der mensen. Nu, Christus besloot het zaad van Abraham te herstellen en uit zijn gevallen staat op te heffen, en daarom nam Hij de menselijke natuur aan uit ene afstammelinge uit de lenden van Abraham, opdat dezelfde natuur, die gezondigd had, ook zou lijden, om de menselijke natuur te herstellen tot een staat van hoop en proef, en allen, die de barmhartigheid aannamen, tot een staat van bijzondere gunst en zaligheid. Nu is er hoop en hulp voor den voornaamsten zondaar, in en door Christus. Hier is een prijs betaald, voldoende voor allen en geschikt voor allen, want het was in onze eigen natuur. Laat ons allen dan acht geven op den dag onzer zalige bezoeking en de onderscheidende barmhartigheid waarderen, welke bewezen werd aan gevallen mensen, en niet aan gevallen engelen.
II. De reden en het oogmerk van de vleeswording van Christus worden verklaard.
1. Overmits dan de kinderen des vlezes en bloeds deelachtig zijn, zo is Hij ook desgelijks derzelven deelachtig geworden, en den broederen in alles gelijk geworden, vers 14,17. Want geen hogere of lagere natuur dan die des mensen, welke gezondigd had, kon voor de zonden der mensen lijden om de gerechtigheid Gods te voldoen en den mens tot een staat van hoop te verheffen, en de gelovigen kinderen van God en dus broeders van Christus te maken.
2. Hij werd mens om te kunnen sterven, want als God kon Hij niet sterven, en daarom nam Hij een andere natuur en staat aan. Hierin wordt de wondervolle liefde Gods openbaar, dat Christus, ofschoon wetende dat Hij in onze natuur zou moeten lijden en hoe Hij in die natuur zou moeten sterven, haar nochtans gewillig aannam. De offeranden der wet kon God niet aannemen als een middel ter verzoening. Daarom werd voor Christus het lichaam toebereid, en Hij zei: Zie, Ik kom om Uwen wil te doen!
3. Opdat Hij door den dood teniet doen zou degenen, die het geweld des doods had, dat is den duivel, vers 14. De duivel was de eerste zondaar, en de eerste verleider tot zonde, en de zonde was de oorzaak van den dood, hij kan dus gezegd worden het geweld des doods te hebben, omdat hij de mensen in de zonde trok, waarvan de wegen die des doods zijn, en omdat hem dikwijls toegestaan wordt de gewetens der mensen te verschrikken met de vreze des doods, en omdat hij is de uitvoerder van de goddelijke gerechtigheid, die hun zielen van hun lichamen scheidt om te verschijnen voor Gods rechterstoel teneinde daar hun vonnis te ontvangen, waarna hij hun pijniger wordt zoals hij vroeger hun verleider was. In deze opzichten kan van hem gezegd worden, dat hij het geweld des doods heeft gehad. Maar nu heeft Christus hem, die het geweld des doods had, in zoverre teniet gedaan, dat hij niemand meer onder de macht van den geestelijken dood houden kan. Ook kan hij niemand in de zonde trekken, die de oorzaak des doods is, en van niemand de ziel uit het lichaam eisen, en over niemand het vonnis uitvoeren, dan over hen, die verkiezen en voortgaan zijn gewillige slaven te zijn en volharden in hun vijandschap tegen God.
4. Opdat Hij Zijn volk mocht verlossen van de slaafse vrees des doods, waaraan zij dikwijls onderworpen zijn. Dit kan zien op de Oud-Testamentische heiligen, die meer in den geest der dienstbaarheid verkeerden, omdat het leven en de onsterflijkheid niet zo ten volle aan het licht gebracht waren als door het Evangelie. Ook kan het zien op al Gods volk, zowel onder het Nieuwe als onder het Oude Testament, wier zielen dikwijls verkeren in ontmoedigende vrees voor dood en eeuwigheid. Christus werd mens en stierf om hen te verlossen van die verslagenheid des geestes, door hun kenbaar te maken, dat de dood niet alleen is een overwonnen vijand, maar een verzoende vriend, die niet gezonden wordt om de ziel te benadelen of haar van de liefde Gods te scheiden, maar om een einde te maken aan al haar ellenden en klachten en haar den doorgang te geven naar eeuwig leven en gelukzaligheid. De dood is dus nu niet in handen van Satan, maar van Christus, niet Satans dienstknecht, maar die van Christus, niet de hel volgt hem na, maar de hemel voor allen, die in Christus zijn.
5. Christus moest Zijnen broederen gelijk gemaakt worden, opdat Hij mocht zijn een barmhartig en getrouw hogepriester in de dingen, die te doen waren om de gerechtigheid en de eer Gods te voldoen en tot redding en vertroosting van Zijn volk. Hij moest zijn getrouw aan God en barmhartig jegens de mensen.
A. In de dingen, die bij God te doen waren, voor Zijne gerechtigheid en Zijne eer, om verzoening aan te brengen voor de zonden van het volk, om te bewerken dat al de eigenschappen van de goddelijke natuur, en al de personen in het Wezen Gods, overeenkwamen in het herstel van den mens, en om God en mens met elkaar te verzoenen. Er was een grote breuk en twist tussen God en mens, ter oorzake van de zonde, maar Christus heeft, door mens te worden en te sterven, dien twist beslecht en verzoening teweeggebracht, zodat God bereid is allen in gunst en vriendschap te ontvangen, die in Christus tot Hem komen.
B. In de dingen, die de mensen aangaan, voor hun redding en troost: In hetgeen Hijzelf verzocht zijnde geleden heeft, kan Hij degenen, die verzocht worden, te hulp komen, vers 18. Merk hier op:
a. Het lijden van Christus: Hij leed verzocht zijnde en Zijne verzoekingen waren niet het kleinste deel van Zijn lijden. Hij werd in alle dingen verzocht gelijk wij, maar zonder zonden, Hoofdstuk 4:15.
b. Het medelijden van Christus. Hij kan degenen, die verzocht worden, te hulp komen. Hij heeft gevoel voor onze zwakheden, Hij is een meevoelende, tedere en kundige geneesheer, Hij weet hoe men om moet gaan met verzochte, bezwaarde zielen, want Hij heeft aan dezelfde ziekte geleden, niet van de zonde, maar van de verzoeking en beroering der ziel. De herinnering aan Zijn eigen zorgen en verzoekingen maakt Hem oplettend voor de beproevingen van Zijn volk en gereed om hen te helpen. Merk hier op: Ten eerste. De beste Christenen zijn onderworpen aan verzoekingen, aan menigerlei verzoekingen, zolang zij in deze wereld zijn, laat ons nooit rekenen op volkomen vrij blijven van verzoekingen in deze wereld.
Ten tweede. Verzoekingen brengen onze zielen in zoveel droefenis en gevaar, dat zij troost en hulp behoeven.
Ten derde. Christus is bereid en gewillig om hen te helpen, die onder hun verzoekingen tot Hem roepen, en Hij werd mens en werd verzocht, opdat Hij in alle opzichten bekwaam zou zijn om Zijn volk te helpen.