16. Zo zal hij, zoals hij dit gedaan heeft voor zichzelf en voor de priesters, voor het Heilige, in het binnenste daarvan in het Heilige der Heiligen, vanwege de onreinheden van de kinderen van Israël en vanwege hun overtredingen, naar al hun zonden, verzoening doen, en alzo op gelijke wijze zal hij doen aan de tent der samenkomst, 1) welke met hen, de kinderen van Israël, woont in het midden van hun onreinheden; 2) de tenten van de kinderen van Israël omringen de tabernakel en ontheiligen die door de aldus verontreinigde dampkring, waarom die tabernakel evenzeer als de priesters en het volk een ontzondiging nodig hebben. 1) Dat voor de heilige plaats zelf en voor de tent der samenkomst verzoening moest geschieden door het bloed, betekent, dat Gods inwoning in de zondige mens zonder de offerande en het bloed van Christus niet heilig kan zijn, en dat de hemel zelf zou verontreinigd worden, indien, hetgeen niet kan geschieden, de zondaren zonder verzoening hierin werden ingelaten. Alzo zegt Paulus (
Hebreeën 9:23), dat de hemelse dingen door betere offeranden gereinigd worden.
Onder het Heilige hebben wij hier en in Vers 17 te verstaan, het Heilige der Heiligen, en onder tent der samenkomst, het Heilige, als grootste gedeelte van de tent der samenkomst. Ook voor het Heilige en het Allerheiligste moest verzoening worden aangebracht, niet alleen, omdat zij verontreinigd werden door de zonden van de priesters, maar ook, omdat de tent der samenkomst door de onreinheden van een zondig volk werden ontheiligd..
2) De verzoening voor het heiligdom zou ongerijmd kunnen schijnen, alsof het in de macht van de mens stond, te bezoedelen, wat God gewijd had. Maar wij weten dat God waarachtig blijft, ofschoon de gehele wereld goddeloos is. Waaruit volgt, dat, wat God heeft ingesteld door de zonde van de mensen, zijn natuur niet verandert. Indien het nu geen besmetting, tengevolge van de zonde van de mensen heeft aangekleefd, zou de verzoening overbodig zijn. Maar, ofschoon het Heiligdom op zichzelf geen besmetting naar zich toetrok uit de misdaden van de mensen, toch echter werd het terecht gerekend zelf, met betrekking tot de zonde en schuld van het volk, onrein te zijn. Maar alzo was dan ook de schuld groter, omdat de mensen (wie het overigens is voorgesteld God te dienen), indien zij dat met minachting of met minder eerbied deden, en Zijn heilige Naam ontheiligden. Voor allen was het een afschuwelijke heiligschennis het altaar en het heiligdom van God te verontreinigen. Maar Mozes verklaart hier de Israëlieten schuldig aan deze heiligschennis, waar hij beveelt het Heiligdom te reinigen. Verder merken wij op, dat de mensen zo de heilige dingen van God bezoedelen, dat echter niets van haar natuur verloren ging, noch haar waardigheid geweld werd aangedaan. Waarom hij het juist uitdrukt, dat het Heiligdom verontreinigd werd, niet ten gevolge van zijn onreinigheden, maar van die van de kinderen van Israël. Nu is de waarheid van deze zaak tot ons nut te verstaan. Door de Doop en de Heilige tafel verschijnt God ons in Zijn eniggeboren Zoon. Deze zijn de onderpanden van onze heiliging. Maar, omdat onze natuur bedorven is, laten wij, voor zoveel in ons is, niet toe, dat deze organen van de Geest, waardoor God ons heiligt, ontheiligd worden. Doch, wanneer geen vee meer geslacht wordt, behoort men erom te zuchten en smekend erom te vragen, dat Christus onze onreinheden, waardoor de Doop en de Heilige tafel bezoedeld worden, met de besprenkeling van Zijn bloed reinigt en zuivert. Als reden van de reiniging is vast te stellen, omdat de tabernakel bij hen woonde te midden van hun onreinheden. Met welke woorden Mozes bedoelt, dat de mensen zo bezoedeld en door bederf aangetast waren, dat zij, al wat heilig was, verontreinigden, tenzij de ontzondiging tussenbeide kwam. Want voor uitgemaakt neemt hij aan, dat het niet anders kon, of de mens droeg altijd enige onreinheid bij zich..