17. En geen mens, 1) ook niemand van de gewone priesters, ofschoon deze anders in het heiligdom mogen ingaan, zal in de tent der samenkomst zijn, als hij, de Hogepriester, zal ingaan uit de voorhof in het Heilige en het Heilige der Heiligen, om in het Heilige verzoening te doen, en alle in
Vers 14-
16 opgenoemde ontzondigingen te verrichten, totdat hij, na voleindiging daarvan, naar de voorhof zal uitkomen, omdat door de aanwezigheid van iemand buiten de alleen tot dit werk geroepen Hogepriester de plaats, welke geheiligd moet worden, weer zou worden ontheiligd: alzo zal hij, geheel alleen zijnde, verzoening doen voor zichzelf en voor zijn huis, en voor de gehele gemeente van Israël, en voor de woning van de Heere zelf, die zich in het midden van de gemeente bevindt.
1) Dat allen tijdens de daad van de reiniging van de toegang tot de tabernakel werden afgehouden, werd hun als straf van tijdelijke verbanning opgelegd, opdat zij zouden erkennen, dat zij zich diep voor Gods aangezicht moesten vernederen, zolang de plaats, waar het offer voor hun zonden werd gebracht, werd gereinigd. Dat was een treurig schouwspel, wanneer allen, wier zonde werd uitgewist, de tabernakel verlieten. Mede op die wijze werd hun herinnerd, dat geheel hun heil was besloten onder het één mededogen van God, terwijl zij zich zagen buitengesloten, buiten het voorgesteld middel om vergiffenis te verkrijgen; dat er geen andere vergiffenis was te bekomen, omdat zij de hoop op verzoening hadden verloren..
Dat door de Hogepriester verzoening van het Heilige en het Heilige der Heiligen, die beide bijzondere delen van de tabernakels, als tot een lichaam verzoend werden, zoals deze ook bij de ingang van de Hogepriester in de heiligste plaats, door het openen van de voorhang tot een enig voorteken gemaakt waren, zulks doet ons denken aan de vrucht van de Heilands verzoenende en volbrachte offerande, waardoor de gelovigen niet alleen met Christus in de hemel gezeten, maar ook met de engelen en de geesten van de volmaakt rechtvaardigen tot een lichaam verzoend zijn en met hen tot God mogen naderen..
Niemand, zelfs geen gewoon priester, mocht in het Heiligdom ingaan, mocht daarom de Hogepriester in dit allergewichtigste werk helpen en ondersteunen. Alleen moest hij dat grote werk van de verzoening verrichten. Zo ergens, dan wel hier in de hoogste mate, blijkt de voorbeeldende betekenis van het Hogepriesterschap van Aäron, ten opzichte van Hem, die door Zichzelf de reinigmaking van de zonde heeft teweeggebracht..