Leviticus 10:12-20
I. Mozes beveelt hier Aaron voort te gaan met zijn dienst, na deze onderbreking er van. Beproevingen moeten ons veeleer aansporen tot onze plicht, dan ons er van afleiden.
Merk op vers 12 :hij sprak tot Aaron en zijn overgebleven zonen. Dat er nota wordt genomen van hun overgebleven zijn, geeft te kennen:
1. Dat Aaron zich bij het verlies van zijn twee zonen zou troosten met de gedachte, dat God hem genadig de twee andere gespaard had, en dat hij reden had om dankbaar te zijn voor het overblijfsel, dat gelaten was, dat al zijn zonen niet waren gestorven, en dat hij als teken van zijn dankbaarheid aan God hiervoor, blijmoedig moet voortgaan met zijn werk.
2. Dat Gods bewaring van hen hen moet nopen om in de dienst te volharden, en er niet van af te laten. Hier waren vier priesters tezamen gewijd, twee werden weggenomen, en twee werden gelaten, daarom moeten de twee die gelaten zijn, er naar streven om de plaats te vervullen van hen, die weggenomen zijn, door dubbele zorg en naarstigheid in de dienst van het priesterschap.
3. Mozes herhaalt nu de bevelen, die hij hun vroeger had gegeven omtrent het eten van hun deel van de offers, vers 12, 14, 15. De priesters moeten leren, niet slechts om onderscheid te maken tussen het heilige en het onheilige, zoals hen geleerd was, vers 10, maar ook om te onderscheiden tussen hetgeen een heiligheid van de heiligheden was en hetgeen slechts heilig was, van de dingen, die zij moesten eten. Het deel van het spijsoffer, dat voor de priester bleef, was heiligheid van de heiligheden en moest dus in de voorhof van de tabernakel gegeten worden, en alleen door Aarons zonen, vers 12-13, maar de borst en de schouder van het dankoffer mochten in elke behoorlijke plaats buiten de voorhoven van de tabernakel gegeten worden, en ook door de dochters van hun gezin. De spijsoffers, die bij de brandoffers gevoegd zijn, waren enkel en alleen voor Gods eer en heerlijkheid bestemd, maar de dankoffers waren verordineerd tot bevordering van de blijdschap van de mensen en hun welzijn, daarom waren de eerste meer heilig en moesten dus meer in achting zijn. Deze onderscheiding moest door de priesters zeer zorgvuldig in acht worden genomen, en zij moesten wel toezien om er geen vergissing mee te begaan. Mozes geeft geen redenen op voor dit verschil, maar verwijst slechts naar zijn instructie, want alzo is mij geboden, vers 13. Dat was een voldoende reden, "hij heeft van de Heere ontvangen hetgeen hij hun overgegeven heeft," 1 Corinthiërs 11:23.
II. Hij doet onderzoek omtrent een afwijking van de inzetting, die bij deze gelegenheid scheen te hebben plaats gehad. Er was een bok, die als zondoffer voor het volk geofferd moest worden, Hoofdstuk 9:15. Nu luidde de wet op het zondoffer aldus: indien het bloed er van in het heilige gebracht was, zoals dat van het zondoffer voor de priester, dan moest het vlees buiten het leger verbrand worden, Hoofdstuk 6:30, maar anders moest het door de priester in het heilige worden gegeten, Hoofdstuk 6:26, 29. De betekenis hiervan wordt hier verklaard in vers 17, namelijk dat de priesters hierdoor de ongerechtigheid van de vergadering droegen, dat is: zij waren beelden van Hem, die zonde voor ons is gemaakt en op wie God "ons aller ongerechtigheid heeft doen aanlopen." Het bloed nu van deze bok was niet in het heilige gebracht, en toch schijnt de bok buiten het leger verbrand te zijn.
Let hier nu op: 1. De zachte bestraffing van Mozes aan Aaron en zijn zonen wegens de onregelmatigheid. Wederom wordt hier van Aarons zonen gezegd, dat zij die zijn, welke overgebleven waren, vers 16, en die zich dus moesten laten waarschuwen, en Mozes was zeer toornig op hen. Hoewel hij de zachtmoedigste mens op aarde was, schijnt het toch dat hij toornig kon zijn, en als hij dacht dat God niet gehoorzaamd maar onteerd was en de priesterschap in gevaar gebracht werd, dan wilde hij ook toornig zijn. Zie echter hoe zachtmoedig hij handelt met Aaron en zijn zonen, daar hij hun tegenwoordige beproeving in aanmerking nam. Hij zegt hun slechts dat zij het offer in het heilige hadden moeten eten, maar is bereid te horen wat zij tot hun verontschuldiging hadden in te brengen, daar hij er afkerig van was te spreken tot smart van hen, die door God verwond waren.
2. De aannemelijke verontschuldiging van Aaron voor deze vergissing. Mozes heeft de fout aan Eleazar en Ithamar geweten, vers 16, maar waarschijnlijk hebben zij naar Aarons orders gehandeld, en daarom heeft deze er zich om verontschuldigd. Hij zou hebben kunnen aanvoeren, dat dit een zondoffer was voor de vergadering, en zo dit zondoffer een stier was geweest, dan had hij geheel verbrand moeten worden, Hoofdstuk 4:21, waarom dus nu ook niet als het een zondoffer, een bok was? Maar het scheen toen anders bepaald te zijn, en daarom voert hij zijn smart tot zijn verontschuldiging aan, vers 19.
Merk op:
a. Hoe hij van beproeving spreekt, zulke dingen zijn mij wedervaren, zulke smartelijke dingen, dat zij wel moesten doordringen tot zijn hart, om het zeer treurig te maken. Hij was een hogepriester "uit de mensen genomen," en kon, toen hij de heilige kleren aandeed, niet alle natuurlijke genegenheid afleggen. Hij zweeg stil, vers 3 maar zijn smart was, evenals die van David verzwaard, Psalm 39:3. Er kan een diep gevoel van smart zijn zelfs waar een oprechte onderworpenheid betoond wordt aan de wil van God onder de beproeving. "Zulke dingen als mij nooit wedervaren zijn, en als ik thans weinig verwachtte te ervaren, ik ben diep terneergeslagen, nu ik mijn gezin te gronde zie gaan, ik moet wel treurig zijn, als God toornig is." Zo kan men veel zeggen om een beproeving te verzwaren, maar het is beter weinig te zeggen.
b. Hoe hij dit tot verontschuldiging aanvoert voor zijn afwijken van het voorschrift omtrent het zondoffer. Hij kon het niet gegeten hebben dan in zijn rouw, en met een bedroefd hart, en zou dit dan Gode welbehaaglijk zijn geweest? Hij voert niet aan dat zijn hart zo vervuld was van smart, dat hem alle eetlust ontbrak, maar dat hij vreesde dat zijn eten niet welbehaaglijk zou zijn geweest. Gode welbehaaglijk te zijn is de grote zaak, die wij moeten begeren en op het oog hebben in al onze Godsdienstige verrichtingen, inzonderheid in des Heeren Avondmaal, dat ons eten is van het zondoffer. De droefheid van de wereld staat ons welbehaaglijk verrichten van heilige plichten zeer in de weg, daar zij ons verontrust en ons onbekwaam maakt om in de vereiste gemoedsstemming feest te houden, 1 Samuël 1:7, 8, en het Gode mishaagt, die wil dat wij Hem blijmoedig zullen dienen, Deuteronomium 12:7. Treurbrood was onrein, Hosea 9:4, zie Maleachi 2:13.
3. Mozes neemt de verontschuldiging aan vers 20. Het was goed in zijn ogen. Wellicht dacht hij dat het hen rechtvaardigde in hetgeen zij gedaan hadden. God had er in voorzien, dat hetgeen niet gegeten kon worden, mocht worden verbrand. Als onze ongeschiktheid voor het betrachten van onze plicht natuurlijk en niet zondig is, dan zal daar grote toegevendheid aan betoond worden, en God wil barmhartigheid en geen offerande. Tenminste dacht hij, dat de fout er zeer door werd verzacht: "de geest was wel gewillig maar het vlees was zwak." Door de dienst van Mozes toonde God dat Hij gedacht wat maaksel wij zijn. Aaron schijnt in oprechtheid er naar gestreefd te hebben Gode welbehaaglijk te zijn en zij, die dit doen met een oprecht hart, zullen bevinden dat Hij niet met de uiterste gestrengheid let op hetgeen zij verkeerd doen. En zo moeten ook wij niet streng zijn in onze bestraffing van iedere vergissing, ziende op onszelf, opdat ook wij niet verzocht worden.