Leviticus 5:1-6
De overtredingen, hier verondersteld, zijn:
1. Als iemand als getuige bezworen is om de waarheid, de gehele waarheid, en niets dan de waarheid te zeggen, de waarheid verbergt. Onder de Joden hadden de rechters macht iemand te bezweren, niet slechts, zoals bij ons, als getuigen, maar ook de persoon die verdacht werd (in tegenstelling met een regeling in onze wet, dat niemand verplicht is zichzelf te beschuldigen) gelijk blijkt uit het bezweren van de hogepriester van onze Zaligmaker die er op antwoordde, hoewel Hij tevoren gezwegen had, Mattheus 26:63, 64. Indien nu een mens zal gezondigd hebben, vers 1, dat hij gehoord heeft een stem des vloeks, dat is: indien hij bezworen wordt om te getuigen wat hij weet, "indien een eed des Heeren op hem is" 1 Koningen 8:31, indien hij in zo'n geval uit vrees om iemand te beledigen, die zijn vriend of misschien wel zijn vijand was, weigert getuigenis af te leggen, of wel een onvolledig getuigenis aflegt, dan zal hij zijn ongerechtigheid dragen. En dat is een zware last, die indien er geen middel wordt aangewend om hem weg te nemen, iemand tot in de diepte van de hel zal doen verzinken. Hij, die de stem des vloeks hoort, dat is, die aldus bezworen is, en het toch niet ontdekt, dat is: zijn getuigenis smoort en het niet uitspreekt, dan is hij een deelgenoot van de zondaar, en "haat zijn eigen ziel," Spreuken 29:24. Laat allen, die te eniger tijd geroepen worden om getuigenis af te leggen, denken aan deze wet, vrijmoedig en openhartig zijn in hun getuigenis, en er zich voor wachten uitvluchten te zoeken en hun plicht te verzaken. Een eed des Heeren is heilig, daar moet niet mee gebeuzeld worden.
2. Dat iemand enig ding heeft aangeraakt, dat naar de ceremoniele wet onrein was vers 2, 3. Als iemand door zo'n aanraking verontreinigd was en onbedachtzaam in het heiligdom kwam, of indien hij verzuimde zich volgens de voorschriften van de wet te wassen dan moest hij zich schuldig beschouwen en een offer brengen. Hoewel zijn aanraken van het onreine ding hem slechts ceremonieel verontreinigde, was zijn verzuimen om zich volgens de wet te wassen, zo'n blijk òf van onachtzaamheid, òf van minachting, dat hij er zedelijk schuldig door werd. Zo het eerst verborgen voor hem is geweest, maar later tot zijn kennis is gekomen, zo is hij schuldig. Zodra God door Zijn Geest ons geweten overtuigt van een zonde, of van een plicht, moeten wij terstond naar die overtuiging handelen, ons niet schamende om onze vergissing of dwaling te belijden.
3. Roekeloos zweren, dat iemand dit of dat zal doen of niet doen. Indien het later blijkt dat het nakomen van zijn eed onwettig of onuitvoerbaar was, dan was hij van de verplichting er van ontheven, maar hij moest een offer brengen om verzoening te doen over zijn dwaasheid van zo roekeloos zweren, zoals David dat hij Nabal wilde doden. En dan was het, dat hij voor het aangezicht van de engel moest zeggen dat het een dwaling was, Prediker 5:5. Hij is in een van die schuldig, vers 4, schuldig als hij zijn eed niet nakomt, en toch zo de zaak slecht was, is hij schuldig, zo hij de eed wèl nakomt. In zo'n netelige toestand brengen sommige mensen zich door hun eigen roekeloosheid en dwaasheid, waarheen zij zich ook wenden, hun consciëntie is gewond, de zonde staart hen aan, zó droevig zijn zij verstrikt met de redenen van hun mond. Veel treuriger is dit dilemma dan dat van de melaatsen: "als wij hier blijven, sterven wij, als wij naar de stad gaan, sterven wij." Als tevoren wijsheid en waakzaamheid betracht en geoefend waren, dan zou dit voorkomen hebben, dat men in zo'n engte is geraakt. Nu moet in zulke gevallen: De overtreder zijn zonde belijden en zijn offerande brengen, vers 5, 6, en het offer werd niet aangenomen, tenzij het gepaard ging met een berouwvolle belijdenis en een ootmoedige bede om vergeving.
Merk op: de belijdenis moet nauwkeurig wezen: hij zal belijden waarin hij gezondigd heeft. Zo was de belijdenis van David: "ik heb gedaan dat kwaad is in Uw ogen," Psalm 51:6, en van Achan: "Ik heb alzo en alzo gedaan," Jozua 7:20. Achter een belijdenis in het algemeen ligt dikwijls een bedrieglijk hart verborgen. Velen zullen in het algemeen erkennen dat zij gezondigd hebben, want allen moeten dit erkennen, zodat het hun dan niet tot een bijzondere smaad wordt, maar dat zij gezondigd hebben in deze zaak, dat komt hun eer te na om door hen erkend te worden. Maar het middel om wèl verzekerd te zijn van vergeving, en wèl gewapend te zijn tegen de zonde voor het vervolg, is om nauwkeurig te zijn in onze berouwvolle belijdenis. De priester zal voor hem verzoening doen. Gelijk het zoenoffer niet werd aangenomen zonder zijn berouw, zo zou zijn berouw hem niet rechtvaardigen zonder zoenoffer. Zo zijn in onze verzoening met God Christus' deel en ons deel beide nodig.