Leviticus 21:1-9
Het was tevoren bepaald, dat de priesters het volk de inzettingen zouden leren, die God gegeven heeft betreffende het verschil tussen rein en onrein, Hoofdstuk 10:10, 11. Nu wordt hier gezegd dat zij, wat zij het volk moesten leren, ook zelf zouden onderhouden. Zij, wier ambt het is te onderwijzen, moeten dit doen door voorbeeld zowel als door voorschrift 1 Timotheus 4:12. De priesters zullen dichter tot God naderen dan iemand uit het volk, en meer bekend zijn met heilige dingen, en daarom werd van hen geëist, om zich op een groter afstand te houden dan anderen van alles wat verontreinigend was, en aan de eer van hun priesterschap tekort zou kunnen doen.
I. Zij moeten zorgen zich niet te verkleinen in hun rouw over de doden. Allen, die rouw bedreven over doden, werden ondersteld dicht bij het lijk te komen, zo al niet het aan te raken, en de doden zeggen: "het maakte iemand ceremoniëel onrein om binnen zes voet van een lijk te komen, " ja er wordt verklaard, Numeri 19:14, "dat al wie" "in een tent komt, waarin een dood lichaam ligt, zeven dagen onrein zal" "zijn." Het kon dus niet anders, of alle rouwbedrijvenden, die bij de begrafenis waren, moesten zich verontreinigen, zodat zij dan gedurende zeven dagen ongeschikt waren om in het heiligdom te komen. Om deze reden wordt bevolen:
1. Dat de priesters zich nooit aldus onbekwaam moesten maken om in het heiligdom te komen, behalve wanneer het om een van hun naaste bloedverwanten was, vers 1-3. Het was een priester vergund dit te doen voor een ouder, of een kind voor een broeder of een ongehuwde zuster, en dus ongetwijfeld ook (hoewel dit hier niet vermeld wordt) voor zijn huisvrouw, want Ezechiël, een priester, zou gerouwd hebben over zijn vrouw, indien het hem niet bijzonder verboden was, Ezechiël 24:17. Door deze vergunning heeft God eer gelegd in natuurlijke genegenheid, en dit inzover begunstigd, dat Zijn dienaren zeven dagen verlof kregen van hun dienst, terwijl zij zich overgaven aan de smart over de dood van hun geliefde bloedverwanten, maar als die tijd verstreken is, dan moet het wenen het zaaien niet in de weg staan, en hun liefde voor hun bloedverwanten hen niet van de dienst in het heiligdom afhouden. Die rouw was ook volstrekt niet geoorloofd om de dood van iemand anders neen, ook niet over een overste onder zijn volken, vers 4. Zij moeten zich niet verontreinigen neen, zelfs niet voor de hogepriester, tenzij deze aldus na aan hen verwant is. Hoewel een vriend soms meer nabij is dan een broeder, moeten de priesters die eer toch ook aan hun beste vriend niet bewijzen, behalve wanneer hij ook zijn bloedverwant is, opdat, indien het toegelaten werd voor de een, anderen het niet ook zouden verwachten, en zij aldus dikwijls van hun werk weggeroepen zouden zijn. En hiermede wordt te kennen gegeven, dat een bijzondere genegenheid bewaard moet worden voor hen, die ons na verwant zijn, en als de zodanigen ons door de dood worden ontnomen, dan behoort ons dit ter harte te gaan, als een naderen van de dood tot onszelf, en een sein voor ons om bereid te zijn om de oproeping te volgen.
2. Dat zij niet buitensporig moeten zijn in de uitdrukking van hun smart, zelfs niet om hun dierbaarste bloedverwanten, vers 5.
Hun rouw moet: a. Niet bijgelovig zijn, naar de wijze van de heidenen, die zich het haar afsneden, hun bloed lieten vloeien ter ere van denkbeeldige godheden, die (naar zij dachten) voorzaten in de vergadering van de doden, ten einde deze gunstig voor hun afgestorven vrienden te stemmen. Zelfs de bijgelovige plechtigheden vanouds in gebruik bij begrafenissen, zijn een aanduiding van het geloof in de onsterflijkheid van de ziel en haar voortbestaan in een afzonderlijke toestand. En hoewel die ceremoniën zelf door de wet Gods waren verboden, omdat zij voor valse goden verricht werden, wordt toch door de betamelijker eerbied, die de natuur leert en de wet toelaat, aan de overblijfselen van onze gestorven vrienden bewezen, aangetoond dat wij niet op hen moeten zien als verloren.
b. Die droefheid moet ook niet hartstochtelijk of overmatig zijn. Gods dienstknechten moeten voor anderen een voorbeeld zijn van geduld onder beproeving, inzonderheid in hetgeen een zeer teer punt aanroert, namelijk de dood van hun naaste bloedverwanten. Zij worden verondersteld meer dan anderen te weten van de redenen, waarom wij "niet bedroefd moeten zijn gelijk als de anderen, die geen hoop" "hebben, " 1 Thessalonicenzen 4:13, en daarom moeten zij zeer kalm en rustig zijn, ten einde instaat te wezen anderen te vertroosten met de vertroosting, waarmee zij zelf van God vertroost zijn geworden. Aan het volk was verboden rouw te bedrijven over hun doden met bijgelovige ceremoniën, Hoofdstuk 19:27, 28, en wat voor hen onwettig was, was nog veel meer onwettig voor de priester. De reden voor deze bijzondere zorg om zich niet te ontreinigen, hebben wij in vers 6, omdat zij offeren de vuuroffers des Heeren, de spijs van hun God, de provisie van Gods huis en tafel. Zij zijn hoog vereerd, en daarom moeten zij hun eer niet bevlekken door zich tot slaven te maken van hun hartstochten, zij worden voortdurend gebruikt in de heilige dienst, en daarom moeten zij er niet van afgeleid worden, of er onbekwaam toe worden gemaakt. Indien zij zich ontreinigen, ontheiligen zij de naam van hun God, die zij dienen, indien de dienaren ruw zijn en zich slecht gedragen, dan is dit een oneer voor de meester, want dan is het alsof hij een loszinnig, ongeregeld huis hield. Allen, die de spijs van hun God offeren of eten, moeten heilig zijn in handel en wandel, want anders ontheiligen zij de naam, die zij voorgeven te heiligen.
II. Zij moeten er zich voor wachten om zich te verlagen door hun huwelijk, vers 7. Een priester moet geen vrouw trouwen, die een slechte naam heeft, die òf schuldig was aan hoererij, òf er verdacht van werd gehouden. Hij moet niet slechts niet met een hoer trouwen, al had zij ook het diepste berouw van haar vorige hoererij, maar hij moet ook geen vrouw trouwen, die een ontheiligde is, dat is die van een lichtzinnig, onbetamelijk gedrag is. Hij moet ook geen vrouw trouwen, die van haar man gescheiden is, omdat er reden is te denken dat het om iets verkeerds in haar was, dat haar man haar de scheidbrief heeft gegeven. De priesters was het verboden zich te onteren door zulke huwelijken, die aan anderen geoorloofd waren.
1. Opdat het geen smaad brenge op hun dienst, de onheiligen niet verharden in hun onheiligheid, en het hart niet bedroeve van Godvruchtige mensen. Het Nieuwe Testament geeft wetten aan de huisvrouwen van leraren, 1 Timotheus 3:11, zij moeten "eerbaar zijn, getrouw in alles, opdat de bediening niet gelasterd" "worde," 2 Corinthiërs 6:3.
2. Opdat er geen smaad door kome op hun gezin en geslacht, want het werk en de eer van het priesterschap, moest als erfdeel overgaan op hun kinderen na hen. Diegenen gaan niet te rade met het welzijn van hun nakomelingen, die met een vrouw trouwen van een slechte naam of gedrag. Hij, die "een zaad Gods zoekt," zoals de uitdrukking luidt in Maleachi 2:15, moet eerst een Godvruchtige vrouw zoeken, en zich wachten voor bederf van bloed.
Er wordt hier bijgevoegd, vers 8. Gij zult hem heiligen, en hij zal u heilig zijn. "Niet alleen u, o Mozes, door zorg te dragen, dat deze wetten worden nagekomen, maar u, o Israël door er zoveel mogelijk naar te streven om de goede naam van de priesterschap hoog te houden, en de priesters zelf moeten niets doen waardoor hun eer bevlekt en dus verbeurd wordt. Hij is zijn God heilig, vers 7 daarom zal hij u heilig zijn." Wij moeten eren, die God eert. Naar deze regel moeten Evangeliedienaren "zeer veel geacht" "worden in liefde, om huns werks wil," 1 Thessalonicenzen 5:13, en ieder Christen behoort op zichzelf te zien als op de hoeder van hun eer.
III. Hun kinderen moeten bevreesd zijn om iets te doen dat hun tot schande strekt, vers 9. Als de dochter van enigen priester zal beginnen te hoereren, dan is haar misdaad groot, zij verontreinigt zich niet slechts, maar zij ontheiligt zich, andere vrouwen hebben de eer niet te verliezen, die zij heeft te verliezen, die als een van een priestergezin, van de heilige dingen heeft gegeten, en verondersteld wordt een betere opvoeding te hebben gehad dan anderen. Ja meer, zij ontheiligt haar vader, hij wordt gesmaad, en iedereen zal gereed zijn te vragen: "Waarom heeft hij haar niet beter geleerd?" En de zondaren in Zion zullen smalen, zeggende: "Zie, dat is de dochter uws priesters, " haar straf moet dus zeer zwaar zijn. Zij zal met vuur verbrand worden ter verschrikking van alle dochteren van priesters. De kinderen van Evangeliedienaren behoren, meer dan alle anderen, zich te wachten om iets te doen, dat ergerlijk is, omdat het in hen dubbel ergerlijk is, en dienovereenkomstig gestraft zal worden door Hem, die zich een ijverig God noemt.