Jesaja 7:17-25
Na de troostrijke belofte, gedaan aan Achaz als een tak van het huis van David, volgen hier verschrikkelijke bedreigingen tegen hem, als een ontaarde tak van dat huis, want hoewel de goedertierenheid van God niet van hem weggenomen zal worden, ter wille van David en het verbond, dat met hem gemaakt was, zal toch zijn ongerechtigheid bezocht worden met de roede en zijn zonde met slagen. Laat hen, die met de belofte Gods geen geloof willen mengen, verwachten de verschrikkingen te horen van Zijn bedreigingen.
I. Het bedreigde oordeel is zeer groot, vers 17, het is zeer groot, want het is algemeen, het zal over de vorst zelf gebracht worden -hoog als hij is, is hij toch niet buiten het bereik ervan-en over het volk, over de gehele natie, en over het koninklijk geslacht, over het gehele huis va uw vader het zal een oordeel wezen, dat als erfgoed zal overgaan op het nageslacht met het koninklijke bloed. Het is zeer groot, want er is tevoren niets dergelijks geweest, zodanige dagen, zij er niet gekomen, zo duister, zo somber, zo treurig, als sedert de afval van de tien stammen, toen Efraïm van Juda afweek, hetgeen in waarheid wel een treurige tijd was voor het huis van David, er niet geweest zijn. Hoe langer de mensen volharden in de zonde, hoe zwaarder straf zij reden hebben te verwachten, het is de Heer, die deze dagen over hen zal brengen, want onze tijden zijn in Zijn hand, en wie kan de oordelen, die Hij brengt, weerstaan of eraan ontkomen?
II. De vijand, die gebruikt zal worden als het werktuig voor dat oordeel, is de koning van Assyrië. Achaz stelde groot vertrouwen in die vorst en rekende vast op zijn hulp tegen de verbonden machten van Israël en Syrië, en sloeg des te minder acht op hetgeen God tot hem zei door Zijn profeet tot zijn bemoediging omdat hij bouwde op zijn invloed op de koning van Assyrië, hem laaghartig had beloofd zijn knecht te zullen zijn indien hij hem enige hulp wilde zenden, hij had hem ook geschenken in goud en zilver gezonden, waarvoor hij de schatkist ledigde beide van de kerk en van de staat, 2 Koningen 16:7, 8. Nu dreigde God hem dat deze koning van Assyrië, op wie hij zo vast vertrouwde inplaats van op God, een gesel voor hem worden zal. Hij was dit al spoedig, want toen hij tot hem kwam benauwde het hem, doch sterkte hem niet, de rietstaf brak niet slechts onder hem, maar drong in zijn hand en doorboorde haar, 2 Kronieken 28:20. En van toen aan waren de koningen van Assyrië gedurende lange tijd smartende doornen voor Juda, en bezorgden hun zeer veel overlast. Het schepsel, waar wij onze hoop op bouwen, blijkt gewoonlijk ons nadeel en onze schade te zijn, de koning van Assyrië heeft zich niet lang daarna meester gemaakt van de tien stammen, hen gevankelijk weggevoerd en hun land verwoest, zodat de voorzegging, die hier gedaan is, volkomen werd vervuld, en misschien kan het hierop zien als een verklaring van vers 8, waar voorzegd is dat Efraïm verbroken zal worden, dat het geen volk zij. En het is gemakkelijk te veronderstellen dat de profeet in vers 17 zijn rede richt tot de koning van Israël, Gods oordelen over hem aankondigende wegens zijn vijandelijke inval in Juda. Maar de uitleggers verstaan het allen van Achaz en zijn koninkrijk. Merk nu op:
1. Een oproep, gericht tot de aanvallers, vers 18. De Heer zal de vliegen en de bijen toesissen, zie Hoofdstuk 5:26. Vijanden, die even verachtelijk schijnen als een vlieg of een bij en even gemakkelijk verpletterd worden, doch als het God behaagt, dan zullen zij Zijn werk doen, even krachtig als leeuwen en jonge leeuwen. Hoewel zij zover van elkaar verwijderd zijn als de rivier van Egypte en het land van Assyrië, zullen zij elkaar toch prompt ontmoeten en zich verenigen om het werk te doen, als God het hun gebiedt, want als God werk te doen heeft, dan is Hij om geen werktuigen verlegen waarmee het gedaan moet worden. 2. Bezit genomen door hen, vers 19. Het schijnt dat het land niet in een toestand was om weerstand te kunnen bieden, zij vinden geen moeilijkheden als zij er zich een weg in banen, maar zij zullen komen, en zij allen zullen rusten in de woeste dalen, die door de inwoners werden verlaten reeds op het eerste alarmsein, en als een goedkope en gemakkelijke prooi aan de invallers werden overgelaten. Zij zullen komen en rusten in de lage gronden, als zwermen van vliegen en bijen, en zullen zich onverwinnelijk maken door een schuilplaats te zoeken in de kloven van de steenrotsen, zoals bijen dikwijls doen, en zich geducht betonen door openlijk te verschijnen op alle doornen en alle struiken, zo algemeen zullen zij over het gehele land verspreid zijn. Deze bijen zullen op doornen en struiken zitten en niet verstoord of verjaagd worden.
3. Grote verwoestingen aangericht, en het land over het algemeen ontvolkt, vers 20. De Heer zal het hoofd en het haar van de voeten en de baard afscheren, Hij zal alles wegvagen, zoals de melaatse, als hij gereinigd werd al zijn haar afschoor, Leviticus 14:8, 9. Dit wordt gedaan met een gehuurd scheermes, dat God gehuurd heeft, alsof Hij er zelf geen had, maar voor wat Hij huurt zal Hij betalen, evenals Hij ook hen betaalt, die Hij gebruikt in Zijn dienst. Zie Ezechiël 29:18, 19. Of, dat Achaz gehuurd heeft tot zijn hulp en bijstand. God zal datgene tot een werktuig maken van zijn verderf hetwelk hij gehuurd had tot zijn dienst. Velen worden geslagen met de vlezen arm, waarop zij meer vertrouwd hebben dan op de arm des Heeren, en waarvoor zij grote onkosten gemaakt hebben, toen zij door geloof en gebed goedkoop en gemakkelijk hulp in God hadden kunnen vinden.
4. De gevolgen van die algemene ontvolking.
A. De kudden van vee zullen vernield worden, zodat iemand die grote kudden had van groot en klein vee, van allen zal beroofd zijn door de vijand, en met grote moeite een jonge koe en twee schapen voor zich zal kunnen behouden, wel een armelijke veestapel, vers 21, en toch zal hij zich nog gelukkig achten, dat hem die nog gelaten waren.
B. Het weinige vee, dat overgebleven is, zal zo'n uitgestrektheid grond hebben om in te weiden, dat zij overvloed van melk zullen geven, en wel zeer goede melk, waarvan genoeg boter zal komen, vers 22. Er zal ook zo'n gebrek aan mensen zijn, dat een koe en twee schapen voor een geheel huisgezin zal dienen, dat zeer veel dienstpersoneel placht te hebben, maar nu verminderd is.
C. Er zal geen slachtvee meer zijn, zodat zij, die vlees plachten te eten, (zoals de Joden gewoonlijk deden) zich nu genoodzaakt zullen zien om zich met boter en honing tevreden te stellen, omdat er geen vlees voor hen is, en het land zal zo ontvolkt wezen, dat er voor de weinigen, die overgebleven zijn, boter en honing genoeg zal wezen.
D. Goed land, dat goed verhuurd placht te worden, zal geheel met doornen en distelen overgroeid zijn, vers 23, waar duizend wijnstokken plachten te wezen, waarvoor de pachters duizend zilverlingen plachten te betalen als jaarlijkse pacht, zal nu niets anders zijn dan doornen en distelen, noch voor de landeigenaar noch voor de pachter enige winst, daar alles door het vijandelijke leger verwoest is geworden. God kan een vruchtbaar land spoedig in een woestijn veranderen, en het is rechtvaardig in Hem om wijnstokken in doornen te veranderen, als wij, in plaats van goede druiven voort te brengen voor Hem, stinkende druiven voortbrengen, Hoofdstuk 5:4. E. De landbouwwerktuigen zullen in oorlogswapens veranderd worden, vers 24. Het gehele land met doornen en distelen overgroeid zijnde zal men tot de grond, weer men met sikkelen en spaden kwam om de vruchten in te zamelen nu komen met pijlen en bogen, hetzij om in het kreupelhout op wilde dieren jacht te maken of om zich tegen rovers te verdedigen, die in het struikgewas schuilen, loerende op buit, of om de slangen en venijnige dieren te doden die zich daar schuil houden. Hieruit spreekt een zeer treurige verandering in het gelaat van dat lieflijke land. Maar welke treurige verandering is er, die de zonde niet teweeg zal brengen bij een volk?
F. Er waren doornen en distelen, die nuttig plachten te zijn en van goede dienst, namelijk in de heggen, ter verdediging van de omheinde grond, deze zullen uitgerukt worden en alles open en bloot gelegd worden. Er zullen doornen en distelen zijn in grote overvloed waar zij niet moesten zijn, maar geen, waar Zij wel behoorden te wezen, vers 25. De bergen die men met houwelen pleegt om te hakken voor bijzonder gebruik, waarvan het vee placht afgehouden te worden door de vrees voor doornen en distelen, zullen nu open en bloot zijn, de heg nedergeworpen, zodat het zwijn van het woud ze kan uitwroeten, Psalm 80:13, 14. Zij zullen opengelaten worden voor de ossen om er in te treden, en voor kleiner vee.
Zie de uitwerking van de zonde en van de vloek, zij heeft de aarde tot een woud van doornen en distelen gemaakt, behalve waar zij door de voortdurende zorg en de arbeid van de mensen tot orde wordt gebracht, en zie wat dwaasheid het is om ons hart te zetten op het bezit van landerijen, al zijn die ook nog zo vruchtbaar, nog zo aangenaam, als zij, al is het nog zo weinig veronachtzaamd worden niet worden bebouwd, of als zij misbruikt worden door een spilzieken zorgeloze erfgenaam of pachter, of als het land verwoest wordt door de oorlog, dan zullen zij spoedig een afzichtelijke woestenij worden. De hemel is een paradijs, dat aan zulke veranderingen niet onderhevig is.