Psalm 80:9-20
De psalmist brengt hier zijn bede voor Gods Israël tot de troon van de genade, en pleit bij God om ontferming en genade voor hen. De kerk wordt voorgesteld als een wijnstok, vers 9, 15, en een wijngaard, vers 16. De wortel van deze wijnstok is Christus, Romeinen 11:18. De ranken zijn de gelovigen, Johannes 15:5.. De kerk is als een wijnstok, zwak en ondersteuning behoevende met een onschoon, weinig-belovend uiterlijk, maar vruchtbaar en zich uitspreidende, vruchtbaar in zeer voortreffelijke vruchten. Wij hebben reden om de goedheid Gods te erkennen dat Hij zo'n wijnstok in de woestijn van deze wereld geplant heeft en hem tot op de huidige dag heeft behoed en bewaard. Merk hier nu op:
I. Hoe de wijnstok van de Oud-Testamentische kerk in het eerst geplant werd. Hij was met een hoge hand uit Egypte gebracht, de heidenen werden uit Kanaän verdreven om er plaats voor te maken, zeven volken werden verdreven om plaats te maken voor dat volk. Gij hebt voor zijn aangezicht geveegd zo lezen het sommigen in vers 10, om zuiver werk te maken, de volken werden weggevaagd als drek met de bezem des verderfs. God plaats voor hem gemaakt hebbende en hem geplant hebbende, deed hem door een gelukkige vestiging van hun regering, beide in kerk en staat, diep wortel schieten, en zo vastgeworteld was hij dat, hoe dikwijls hun naburen het ook beproefden om hem uit te rukken, dit hun nooit gelukt is.
II. Hoe hij zich uitspreidde en bloeide.
1. Het land Kanaän zelf was dicht bevolkt. In het eerst waren zij niet talrijk genoeg om het geheel te bevolken, Exodus 23:29. Maar in Salomo's tijd waren Juda en Israël velen als zand, dat aan de zee is in menigte, het land was van hen vervuld, en toch was dit land zo vruchtbaar, dat het niet overbevolkt was, vers 10. De bergen van Kanaän waren bedekt met hun schaduw, en hoewel de takken, evenals de ranken van de wijnstok, zich wijd uitbreidden, waren zij niet, gelijk deze, zwak, maar sterk als schone cederbomen. Israël had niet slechts overvloed van mannen, maar van helden.
2. Zij strekten hun veroveringen uit naar, en hun heerschappij over, de naburige landen, vers 12. Hij schoot zijn ranken uit tot aan de zee, tot aan de Grote Zee westwaarts, zuidwaarts tot aan de rivier van Egypte, noordwaarts tot aan de rivier van Damascus, of liever oostwaarts tot aan de Eufraat, Genesis 15:18. De grootheid van Nebukadnezar werd voorgesteld door een krachtige, groenende boom Daniël 4:20, 21. Maar het is opmerkelijk dat deze wijnstok hier geroemd wordt om zijn schaduw, zijn ranken en zijn scheuten, maar geen woord is er over zijn vruchten, want Israël was "een uitgeledigde wijnstok," Hosea 10:1. God kwam en zacht naar druiven, maar zie, er waren "stinkende druiven," Jesaja 5:2. En als een wijnstok geen vruchten voortbrengt, dan is er geen boom die zo nutteloos en zo waardeloos is, Ezechiël 15:2-6
III. Hoe hij verteerd en verdorven werd, "Heere, Gij hebt grote dingen voor deze wijnstok gedaan, en waarom zal dit alles nu ongedaan gemaakt worden? Als het een plant was, die God niet geplant heeft, dan zou het niet vreemd zijn haar uitgeroeid te zien, maar zal God verlaten en begeven hetgeen Hij zelf in het aanzijn heeft geroepen? vers 13. Waarom hebt Gij dan zijn muren doorgebroken? Er was een goede reden voor deze verandering in Gods wijze van doen met hen: deze edele wijnstok was "veranderd in verbasterde ranken eens vreemden wijnstoks," Jeremia 2:21, tot smaad van zijn grote eigenaar, geen wonder dus dat Hij "zijn omheining wegnam," Jesaja 5:5. Maar Gods vroegere gunsten jegens deze wijnstok worden als pleitgronden aangevoerd in het gebed tot God, en gebruikt als aanmoedigingen voor hun geloof, dat God hen met dat al toch niet geheel en al zal verstoten.
Merk op:
1. De boosaardigheid en vijandschap van de heidense volken tegen Israël. Niet zodra had God hun muren doorgebroken en hen open en bloot gelaten, of troepen van vijanden stormden op hen aan, die op de gelegenheid hadden gewacht om hen te vernietigen. Zij die voorbijgingen, plukten hen. Het zwijn uit het woud en het wild gedierte des velds waren gereed om de wijnstok te verwoesten, vers 14. Maar
2. Zie ook het beslag, dat op deze wrede vijanden gelegd was, want voordat God hun muren had doorgebroken, konden zij geen blad van deze wijnstok afplukken. De duivel kon Job niet schaden zolang God "een omtuining rondom hem gemaakt heeft," Job 1:10. Zie hoe het ieders belang is om zich in de gunst van God te houden, want dan behoeft men het gedierte des velds niet te vrezen, Job 5-23. Als wij God er toe brengen om zich van ons terug te trekken, dan is onze schaduw van ons geweken, en dan zijn wij verloren. De treurige toestand van Israël wordt beschreven, vers 17. Hij is met vuur verbrand, hij is afgehouwen, het volk wordt behandeld als doornen en distelen, die nabij de vervloeking zijn en welker einde is het vuur, en niet langer als wijnstokken, die beschermd en gekweekt worden, zij komen om, niet door de woede van het wild gedierte en het zwijn, maar van het schelden Uws aangezichts-dat was het, dat zij vreesden en waaraan zij al hun rampen toeschreven. Het staat goed of slecht met ons al naar wij onder Gods goedkeuring of afkeuring zijn.
IV. Wat nu hun bede van God is.
1. Dat God de wijnstok zou helpen, vers 15, 16, dat Hij genadiglijk kennis zou nemen van hun toestand, en er voor zou doen wat Hij geschikt er voor oordeelde. keer tot ons weer, o God van de heirscharen, want Gij scheent van ons weg te zijn gegaan, aanschouw uit de hemel, waarheen Gij U hebt teruggetrokken, vanwaar Gij het onrecht ziet, dat ons wordt aangedaan, de plaats van macht, vanwaar Gij krachtdadige hulp kunt zenden, van de hemel, waar Gij Uwen troon des gerichts hebt bereid, waar wij ons op beroepen, en waar Gij een beter land hebt bereid voor hen, die waarlijk Israëlieten zijn, zie vandaar in genade op deze wijnstok neer en bezoek hem in genade. Neem onze beklagenswaardige toestand in overweging en ontferm U, en laat ons dan naar Uw goedvinden de vruchten genieten van Uw mededogen. Zie slechts op de wijngaard, of liever op de wortel, die Uwe rechterhand geplant heeft, en die, naar wij hopen, Uw rechterhand dus zal beschermen, de tak, die Gij U gesterkt hebt, vers 17, "om Uw lof te vertellen", Jesaja 43:21, opdat Gij door de vrucht ervan geëerd zoudt worden. Heere, hij is geformeerd door U en voor U, en daarom kan hij met ootmoedig vertrouwen aan U worden overgegeven, aan U en Uw zorg. Gods werk is volkomen. Het woord "ben", dat in onze vertaling overgezet is door tak betekent eigenlijk de zoon, die Gij U in Uw raad gesterkt hebt. Die tak moest voortkomen uit de stam Israël, "Mijn knecht, de Spruite, of de tak", Zacheria 3:8. En daarom moest Israël in het algemeen, en het huis van David in het bijzonder, bewaard, ondersteund en in wezen gehouden worden. Hij is de ware wijnstok, Johannes 15:1, Jesaja 11:1. Verderf hem niet, want er is een zegen in, Jesaja 65:8. 2. Dat Hij de wijngaardenier zou helpen, vers 18, 19. "Uwe hand zij over de man Uwer rechterhand", de koning (wie hij ook geweest zij) uit het huis van David, die thans in en uit moest gaan voor hun aangezicht. "Uwe hand zij over hem, niet alleen om hem te beschermen en te bedekken, maar om hem te erkennen, hem te sterken en hem voorspoed te geven. Wij hebben die uitdrukking in Ezra 7:28. "Zo heb ik mij gesterkt, naar de hand des Heeren mijns Gods over mij." Hun koning wordt de man van Gods rechterhand genoemd, daar hij de vertegenwoordiger was van hun staat, die Gode dierbaar was, als Zijn Benjamin, de zoon van Zijn rechterhand, daar hij bestuurder hunner zaken, een werktuig was in Gods rechterhand van veel goeds voor hen, hen beschermende tegen henzelf en tegen hun vijanden, en hen leidende in de rechte weg, en daar hij onderherder was onder Hem, die de grote Herder Israëls was. Vorsten, die macht hebben, moeten gedenken dat zij menschenzonen zijn, zonen van Adam zo is het woord dat, zo zij sterk zijn, het God is, die hen sterk maakt, en hen aldus heeft gemaakt voor Hem, want zij zijn Zijn dienaren om de belangen te dienen van Zijn koninkrijk onder de mensen, en, zo zij dit in oprechtheid doen, dan zal Zijn hand over hen wezen. En wij behoren in het geloof te bidden dat dit zo zijn moge, er deze belofte bijvoegende, dat, zo God met onze regeerders is, hun nabij is met Zijn genade, wij Hem zullen aankleven, dan zullen wij van U niet terugkeren, nooit zullen wij een zaak verlaten, die wij door God zien omhelsd, waarvan Hij de beschermer is. Laat God onze leidsman wezen, en wij zullen Hem volgen. Aan dit gebed ook toevoegende: "Wek ons op, breng leven in ons, doe onze kwijnende moed herleven, dan zullen wij Uwen naam aanroepen. Wij zullen dit blijven doen bij alle gelegenheden, daar wij bevonden hebben dat het niet tevergeefs is om dit te doen." Wij kunnen Gods naam niet op de rechte wijze aanroepen, tenzij Hij ons levend maakt, maar Hij, die leven brengt in onze ziel, brengt levendigheid in ons gebed.
Maar vele uitleggers, Joodse zowel als Christelijke passen dit toe op de Messias, de Zone Davids, de beschermer en verlosser van de kerk, de hoeder van de wijngaard.
a. Hij is de man van Gods rechterhand, om wie Hij bij Zijn rechterhand heeft gezworen, aldus de Chaldeer, die Hij aan Zijn rechterhand heeft verhoogd, en die in waarheid Zijn rechterhand is, de arm des Heeren, want Hem is alle macht gegeven.
b. Hij is die Mensenzoon, die Hij zich gesterkt heeft ter verheerlijking van Zijn naam en ter bevordering van de belangen Zijns koninkrijks onder de mensen.
c. Gods hand is over Hem in geheel Zijn onderneming om Hem er in door te helpen, Hem te beschermen en te bemoedigen, opdat het welbehagen des Heeren door Zijn hand gelukkiglijk zal voortgaan.
d.. De vastheid en standvastigheid van de gelovigen zijn geheel en uitsluitend te danken aan de genade en kracht, die in Jezus Christus voor ons zijn weggelegd, Psalm 68:29. In Hem wordt onze kracht gevonden, door welke wij bekwaam worden gemaakt om te volharden tot de einde. Laat over Hem Uw hand zijn, bij Hem, die een held is, hulp voor ons besteld worden, Psalm 89:20, laat Hem bekwaam worden gemaakt om volkomen zalig te maken, dat zal dit onze veiligheid zijn: zo zullen wij van U niet terugkeren.
Eindelijk. De psalm besluit met dezelfde bede die hij tevoren reeds tweemaal heeft opgezonden, en toch is het geen ijdele herhaling, vers 20. Breng ons weer. De titel, aan God gegeven klimt, vers 4. O God, vers 8, o God van de heirscharen, vers 20, o Heere (Jehovah) God van de heirscharen. Als wij tot God komen om Zijn genade, Zijn welbehagen in ons, en Zijn goed werk in ons, dan moeten wij vuriglijk bidden, volharden in het gebed, en te ernstiger bidden.