Jesaja 6:9-13
God houdt Jesaja aan zijn woord en zendt hem uit op een vreemde boodschap-de ondergang te voorzeggen van zijn volk, en hen zelfs te rijpen voor die ondergang, datgene tot hen te spreken, hetwelk door hun misbruik ervan een reuk des doods voor hen zal zijn ten dode. En dit moest een type en afschaduwing wezen van de staat van de Joodse kerk in de dagen van de Messias, wanneer zij hardnekkig het evangelie zullen verwerpen, en daarop zelf door God verworpen zullen worden. Deze verzen worden In het nieuwe testament zes maal ten dele aangehaald, of er wordt naar verwezen, hetgeen te kennen geeft dat deze geestelijke oordelen in evangelietijden dikwijls komen zullen, en dat zij, ofschoon zij het minste gedruis maken, en niet komen met uitwendig gelaat, toch het verschrikkelijkst zijn van allen.
Aan Jesaja worden hier deze vier dingen te verstaan gegeven.
1. Dat de massa van het volk, tot hetwelk hij gezonden wordt, een doof oor zou lenen aan zijn prediking, en moedwillig de ogen zou sluiten voor al de ontdekkingen van de wil en de bedoeling van God, die hij hun te doen had, vers 9. "Ga henen, en zeg tot dit volk, dit dwaas, ongelukkig volk, zeg hun hoe dom en verdwaasd zij zijn." Jesaja moet voor hen prediken, en zij zullen hem horen, maar dat is ook alles, want zij zullen geen acht slaan op zijn woorden, zij zullen hem niet verstaan, zij zullen zich geen moeite geven, hem de aandacht niet schenken, die nodig is om hem te verstaan, zij zijn bevooroordeeld tegen hetgeen de ware zin en betekenis was van hetgeen hij zei, en daarom zullen zij hem niet verstaan. Zij zien wel-want het gezicht is duidelijk geschreven en op kleitafelen gesteld, opdat wie voorbijloopt het kunnen lezen-maar zij begrijpen het belang niet, dat zij er bij hebben, voor hen is het slechts beuzelpraat. Er zijn velen, die het geklank horen van Gods woord, maar er de kracht niet van gevoelen.
2. Dat zij, voor zoverre zij door zijn dienstwerk niet beter gemaakt zullen worden, zij, die moedwillig blind waren, door het oordeel Gods blind gemaakt zullen worden, vers 10. Zij willen u niet verstaan of bemerken, en daarom zult gij het werktuig zijn om hun hart vet te maken, ongevoelig en zinnelijk, en aldus hun oren nog zwaarder te maken en hun ogen nog dichter toe te sluiten, zodat ten slotte hun herstel en hun bekering ten enenmale onmogelijk zijn geworden, zij zullen met hun ogen het verderf niet zien, op welks rand zij zich bevinden, noch de weg om er aan te ontkomen, zij zullen met hun oren de waarschuwingen en onderrichtingen niet horen, die hun gegeven worden, noch met hun hart verstaan hetgeen tot hun vrede dient, zodat zij bekeerd worden van de dwaling van hun weg en genezen worden." De bekering van zondaren is hun genezing. Voor bekering is een recht verstaan nodig. Soms geeft God in de weg van een rechtvaardig oordeel de mensen over aan verblindheid van hun geest, en aan een kracht van de dwaling, omdat zij de waarheid niet wilden geloven, 2 Thessalonicenzen 2:11, 12. Die vuil is, dat hij nog vuil worde. Zelfs het Woord van God blijkt dikwijls een middel om dit te doen. De evangelische profeet zelf maakt het hart van dit volk vet, niet alleen zoals hij het voorzegt, dit vonnis in de naam van God over hen uitsprekende, en het onder die naam verzegelende, maar doordat zijn prediking de strekking er toe had, sommigen in hun valse gerustheid in slaap wiegende, voor wie het een lieflijk lied was, en anderen nog woedender en geweldiger makende, voor wie het zo'n verwijt was, dat zij het niet konden dragen. Sommigen beschouwden het woord als een voorrecht, en hun overtuigingen werden er door gesmoord, Jeremia 7:4, anderen beschouwden het als een terging, en hun bederf werd er door opgewekt.
3. Dat het gevolg hiervan hun algeheel verderf zou zijn, vers 11, 12. De profeet had tegen de gerechtigheid van dit vonnis niets in te brengen, noch weigert hij om op zo'n boodschap uit te gaan, maar hij vraagt: "Hoe lang, Heer?" -een plotselinge vraag, -"Zal het altijd zo wezen. Moet ik en moeten de andere profeten altijd tevergeefs onder hen arbeiden? En zal het nooit beter wezen met de zaken?" Of (te oordelen naar het antwoord): Heer, waar zal dit ten slotte toe leiden? Wat zal er het einde van wezen?" In antwoord hierop werd hem gezegd dat het op het algehele verderf van de Joodse kerk en van de Joodse natie zou uitlopen. Als het woord van God, inzonderheid het woord van het evangelie, aldus door hen misbruikt is geworden, dan zullen zij ontkerkt worden, dat is: de eigenschap van een kerk zal hun worden ontnomen, en bijgevolg zullen zij dan vergaan, verloren zijn. Hun steden en hun landhuizen zullen onbewoond zijn, het land zal braak liggen, met verwoesting verstoord zijn, de mensen, die de huizen meest bewonen en het land bebouwen, allen gedood zijnde door het zwaard, door hongersnood of pestilentie, en zij, die aan de dood ontkwamen, ver weggevoerd zijnde in gevangenschap, zodat er een grote en algemene verlatenheid zal zijn in het midden van het land, dat volkrijke land zal een woestijn worden, en die roem van alle landen zal verlaten wezen. Geestelijke oordelen brengen dikwijls tijdelijke oordelen mee over personen en plaatsen. Dit werd ten dele vervuld in de verwoesting van Jeruzalem door de Chaldeën, toen het land, verwoest en verlaten zijnde, zijn sabbatten genoot zeventig jaren lang, maar de voorafgaande voorzeggingen zo uitdrukkelijk toegepast zijnde in het nieuwe testament op de Joden in de tijd van onze Zaligmaker, wijst dit ongetwijfeld op de laatste verwoesting en ondergang van dat volk door de Romeinen, waarin het een volkomen vervulling had, dat volk en dat land zijn tot op de huldige dag nog onder de uitwerking daarvan.
4. Dat toch een overblijfsel behouden zal worden als een gedenkteken van Gods genade, vers 13. Dit was er in de laatste verwoesting van het Joodse volk, Romeinen 11, 5. Alzo is er dan ook in deze tegenwoordige tijd een overblijfsel geworden, want aldus was het hier geschreven: nog een tiende deel zal daarin zijn, een zeker getal, maar een zeer klein getal in vergelijking met de menigte van hen, die zullen omkomen in hun ongeloof, het is hetgeen onder de wet Gods deel was, zij zullen God gewijd zijn, zoals de tienden het waren, en zullen wezen tot Zijn dienst en Zijn eer. Betreffende dit tiende, dit behouden overblijfsel wordt ons hier gezegd:
a. Dat zij zullen weerkeren, Hoofdstuk 6:13, 10:21, zullen weerkeren van de zonde tot God en hun plicht, weerkeren uit de ballingschap naar hun eigen land, God zal hen bekeren, en zij zullen bekeerd zijn.
b. Dat zij zullen gegeten worden vers 13, dat is: zij zullen door God worden aangenomen, zoals de tienden het waren, die spijze waren in Gods huis, Maleachi 3:10. Het behouden van dit overblijfsel zal spijze zijn voor het geloof en de hoop van hen, die het goede wensen voor het koninkrijk Gods.
c. Dat zij als de haageik zullen wezen in de winter, die leven heeft ofschoon hij geen bladeren heeft, als de eik, waarin nog substantie is, zelfs als hij zijn bladeren afwerpt zo zal dit overblijfsel zijn. Wel zijn zij beroofd van hun uitwendige voorspoed, en zij moeten met anderen in de algemene rampen delen, maar evenals een boom in de lente zullen zij zich herstellen en opnieuw bloeien, hoewel zij vallen, zullen zij toch niet weggeworpen worden, voor een boom, als hij afgehouwen wordt, is er verwachting, dat hij zich nog zal veranderen en zijn scheut niet zal ophouden, Job 14:7.
d. Dat dit onderscheiden overblijfsel de steun zal zijn van de openbare belangen, het heilig zaad in de ziel is de steun van de mens, een beginsel van genade in het hart zal er leven in behouden, die uit God geboren is, diens zand blijft in leem, 1 Johannes 3, 9. Zo is het heilig zaad in het land de ondersteuning van het land, behoedt het er voor om geheel ontbonden of opgelost te worden, stelt er de pilaren van vast. Psalm 75:4. Zie Hoofdstuk 1:9. Sommigen lezen de voorafgaande zinsnede met deze aldus: Gelijk de steun te Sallecheth is in de olmen en de eiken, zo is het heilig zaad het steunsel ervan, gelijk de bomen, die aan beide zijden van het verhoogde voetpad groeien, dat van het paleis des konings naar de tempel voert, 1 Koningen 10:5, bij de poort van Sallecheth, 1 Kronieken 26:16, dit voetpad steunen door de aarde er op te houden, die anders zou afbrokkelen, zo is het kleine overblijfsel van godsdienstige, ernstige, biddende mensen het steunsel van de staat, en draagt er toe bij om de dingen bij elkaar te houden en de staat voor algeheel verval of inzinking te behoeden. Sommigen houden het er voor, dat met het heilig zaad Christus bedoeld wordt, het Joodse volk is daarom voor een algehele ondergang behoed, omdat uit hen, voor zover het vlees aangaat, Christus moest voortkomen, Romeinen 9:5. Verderf het niet, er is een zegen in, Hoofdstuk 65:8, en nadat die zegen gekomen was, is het spoedig verwoest geworden. De overweging daarvan was bestemd om voor de profeet een steun te zijn in zijn arbeid. Of schoon verreweg de meesten zullen omkomen in hun ongeloof zal toch voor sommigen zijn woord een reuk des levens zijn ten leven. Als de leraren het middel zijn geweest, om een enkele ziel te behouden, dan hebben zij niet tevergeefs gearbeid.