Jesaja 65:1-7
De apostel Paulus-een uitlegger die wij vertrouwen kunnen-heeft ons de ware betekenis van deze verzen meegedeeld en ons gezegd op welke gebeurtenis zij doelden en hoe zij vervuld werden, namelijk de roeping van de heidenen en de verwerping van de Joden door de verkondiging van het Evangelie, Romeinen 10:20, 21. En hij merkt daarbij op dat "Jesaja zich verstout," niet alleen door te voorzeggen hetgeen zo onwaarschijnlijk klonk, maar ook door de Joden te profeteren hetgeen zij als een grote belediging voor hun volk zouden opnemen, en waarin de woorden van Mozes zouden vervuld worden, Deuteronomium 32:21. Ik zal u tot jaloersheid verwekken door degenen, die geen volk zijn.
I. Wordt hier voorzegd dat de heidenen, die verre waren, nabij gebracht zouden worden, vers 1 -Paulus leest hier: Ik ben gevonden van degenen die Mij niet zochten, Ik ben openbaar geworden aan degenen die naar Mij niet vraagden.
Merk op welk een wonderbare en gezegende verandering in hen bewerkt was en hoe zij daardoor verrast waren.
1. Zij, die lang zonder God in de wereld geleefd hadden, zouden Hem nu gaan zoeken, zij, die niet gezegd hadden: Waar is God, mijn maker? zouden nu beginnen naar Hem te vragen. Zij zomin als hun vaderen hadden Zijn naam aangeroepen, maar allen leefden zij zonder gebed, of zij aanbaden hout en steen, het werk van mensenhanden. Maar nu zullen zij gedoopt worden en de naam des Heeren aanroepen Handelingen 2:21. Met hoeveel welgevallen spreekt de grote God hier over dat Hij gezocht werd voornamelijk door hen, die in vroegere typen naar Hem niet vraagden, en Hij stelt er Zijn heerlijkheid in. Want daar is blijdschap in de hemel over een zondaar, die zich bekeert.
2. God zal hun gebeden met Zijn zegeningen voorkomen. Ik ben gevonden van degenen die Mij niet zochten. Deze gelukkige ontmoeting en gemeenschap tussen God en de heidenwereld begon aan Zijn zijde, zij leerden God kennen omdat zij eerst van Hem gekend waren geweest, Galaten 4:9, zij leerden God zoeken en vinden omdat zij eerst door Hem gezocht en gevonden waren. Later wordt God gevonden van hen, die Hem zoeken, Spreuken 8:17, maar bij de eerste aanraking wordt Hij gevonden van zulken, die Hem niet zochten. Wij hebben Hem lief omdat Hij ons eerst lief gehad heeft. De bedoeling van de goedheid van de algemene voorzienigheid voor hen, was dat zij de Heere zoeken zouden, of zij Hem immers tasten en vinden mochten, Handelingen 17:27. Maar zij zochten Hem niet, Hij bleef voor hen de onbekende God en toch was God door hen gevonden.
3. God gaf de voorrechten van een bijzondere openbaring aan hen, die nooit de godsdienst beleden hadden, Ik zei tot hen: Zie, hier ben Ik! Zie hier ben Ik tot hen, die niet naar Mijn naam genoemd zijn, gelijk de Joden gedurende vele eeuwen waren. Ik gaf hun enig gezicht op Mij en noodde hen om daarvan de troost en de zagen aan te nemen. Toen de apostelen van plaats tot plaats gingen, predikende het Evangelie, was de inhoud van hetgeen zij predikten: Ziet God, ziet Hem! Keert u tot Hem, vestigt het oog uwer ziel op Hem, gewent u aan Hem, bewondert Hem, aanbidt Hem, ziet af van de afgoden die gij gemaakt hebt en ziet op de God die u gemaakt heeft. Voor hen zei Christus: Ziet Mij! Ziet Mij! met het oog des geloofs, ziet Mij en wordt behouden! En dit werd gezegd tot hen die lange tijd Lo-ammi en Lo-ruchama geweest waren, dat is: niet Mijn volk en niet de ontfermde, Hosea 1:8, 9, Romeinen 9:25, 26. II. Hier wordt voorzegd, dat de Joden die lange tijd een volk in Gods nabijheid geweest waren, zouden verworpen en op een afstand geplaatst worden vers 2. De apostel past dit toe op de Joden van zijn tijd, als een zaad van boosdoeners, Romeinen 10:21 :Maar tot Israël zegt Hij: de gehele dag heb Ik mijn handen uitgestrekt tot een ongehoorzaam en tegenstrevend volk.
Merk hier op:
1. Hoe de Joden werden bevoorrecht door de goddelijke genade. God zelf heeft, door de profeten, door zijn Zoon, door de apostelen, Zijn handen tot hen uitgestrekt, gelijk de Wijsheid deed Spreuken 1:24. God strekte Zijn handen tot hen uit als iemand die met hen sprak en hen wilde overreden, Hij wenkte hen niet slechts met de vinger, maar strekte Zijn handen tot hen uit, gereed om hen te omhelzen en hen te steunen, gaf hun de tekenen van Zijn gunst en drong hen om die aan te nemen. Toen Christus gekruisigd werd, waren Zijn handen uitgestrekt om te tonen dat Hij bereid was om wederkerende zondaren aan Zijn hart te ontvangen, en dat zijn zij al de dagen, gedurende de bedeling des Evangelies. Hij wachtte om genadig te zijn en werd het wachten nooit moede, zelfs zij, die ter elfder ure kwamen, werden niet teruggewezen.
2. Hoe zij deze uitnodiging verachtten. Zij werd gegeven aan een opstandig en tegenstrevend volk. Zij werden genodigd aan het bruiloftsmaal en wilden niet komen, maar verwierpen de raad Gods tegen zichzelf. Wij zien hier:
A. Het slechte karakter van dit volk. De wereld zal eens zien dat zij niet onverdiend door God verworpen werd, maar dat zij om haar afhoereren werd buitengesloten.
Hun karakter was over het algemeen zoals men niet verwachten zou van mensen, die zo zeer de gunstelingen des hemels geweest waren.
Ten eerste. Zij waren zeer tegenstrevend. Zij wilden recht of onrecht doen al naar het hun in de zin kwam. Zij wandelden steeds in een weg, die niet goed was, niet in een rechte of veilige weg, maar naar hun eigen gedachten, hun eigen ontwerpen en begeerten. Indien onze eigen gedachten onze gids zijn, zal zeer waarschijnlijk onze weg niet goed zijn, want zelfs het gedichtsel van de gedachten van onze harten is alleenlijk kwaad. God heeft hun Zijn gedachten meegedeeld, wat Zijn wil was, maar ze wilden wandelen naar hun eigen gedachten, doen wat hun goed dacht.
Ten tweede. Zij waren zeer tergende. Dit was steeds Gods klacht over hen, zij beledigden Hem, zij deden Zijn Heilige Geest smart aan, alsof zij Hem dwingen wilden hun vijand te worden. Zij tergden Mij geduriglijk in Mijn aangezicht. Het was hun onverschillig welke belediging zij God aandeden, ofschoon het openlijk en als in Zijn bijzijn geschiedde, met ruiterlijke verachting van Zijn macht en terging van Zijn gerechtigheid, en dat voortdurend. Dat was hun wijze van handelen geweest zolang zij een volk geweest waren, getuigen de verzoekingen in de woestijn.
B. De profeet spreekt meer bijzonder van hun ongerechtigheden en de ongerechtigheden hunner vaderen, als de oorzaak waarom God hen verworpen heeft, vers 7. Van beide geeft hij thans voorbeelden.
Ten eerste. De meest tergende ongerechtigheid hunner vaderen was afgoderij, deze, zegt de profeet hun, tergde God in Zijn aangezicht, en ze is een zonde, die God, volgens het tweede gebod, meermalen bezocht aan de kinderen. Zij was de zonde die hen in de gevangenschap bracht, en ofschoon die gevangenschap hen er tamelijk wel van genas werd zij, toen de eindelijke ondergang van het volk kwam, opnieuw tegen hen in rekening gebracht, want ten dage hunner bezoeking zal Hij daarover bezoeking doen, Exodus 32:34. Wellicht waren er velen, lang na de gevangenschap, die, ofschoon zij geen afgoden aanbaden, zich schuldig maakten aan de hier genoemde overtredingen want zij namen zich vreemde vrouwen.
a. Ze verlieten Gods tempel en offerden in de hoven of bossen, ten einde de voldoening te hebben God op hun eigen wijze te dienen, want zij hadden geen lust in Gods instellingen.
b. Zij verlieten Gods altaar en offerden hun wierook op tichelstenen, altaren naar hun eigen smaak, Zij brandden reukwerk van hun eigen vinding zodat een en ander, in vergelijking met Gods instelling niet meer waarde had, dan een altaar van gewone steen in vergelijking met het gouden altaar, door God voor het reukoffer bestemd. Sommigen lezen, op stenen platen, zoals die waarmee hun platte daken gedekt werden, en waarop zij soms voor hun afgoden rookten, gelijk blijkt uit 2 Koningen 23:12, waar wij lezen van een altaar op het dak van de opperzaal van Achaz en Jeremia 19:13, waar gesproken wordt van hun roken voor het heir des hemels op de daken hunner huizen.
c. Zij gebruikten waarzeggerij en raadpleegden de doden, zodat zij vertoefden tussen de graven, en vernachtten hij degenen die bewaard worden, dat is, de nacht doorbrachten in de graftomben en monumenten, in welke de lijken bewaard werden, zodat zij gelijk de toveres van Endor voor de levenden de doden zochten, zie Hoofdstuk 8:19. Of zij vroegen raad aan de boze geesten die huisden tussen de grafsteden.
d. Zij verbraken de wetten Gods door hun maaltijden, en vernietigden het onderscheid tussen rein en onrein alvorens dat door het Evangelie afgeschaft werd. Zij aten zwijnevlees. Sommigen echter verkozen liever te sterven dan zwijnevlees te eten, gelijk Eleazar en de zeven broeders ten tijde van de Maccabeeën, maar het is waarschijnlijk dat verscheidenen het aten, vooral indien hun leven er mee gemoeid was. In de tijd van onze Zaligmaker lezen wij van een grote kudde zwijnen onder hen, waardoor het vermoeden gewettigd wordt dat velen hunner zo weinig om de wet gaven dat ze zwijnevlees aten, waarvoor zij gestraft werden door de uitroeiing van die dieren. En het sap van gruwelijke dingen was in hun vaten, en werd als voedsel gebruikt. Verboden voedsel wordt een gruwel genoemd, en zij die er gebruik van maakten worden gezegd zich gruwelijk te maken, Leviticus 11:42, 43. Zij die het voedsel niet durfden eten, waren toch vrijmoedig genoeg om het sap te gebruiken, ten einde zo na mogelijk bij het verbodene te komen. Waarschijnlijk echter wordt deze uitdrukking gebruikt om aan te duiden alle verboden voordelen en genietingen, die de zonde verschaffen kan, alle gruwelen, die de Heere haat, maar waarvan zij genieten wilden al was het slechts door het sap te proeven. Maar zij die het zo wagen op de uiterste grens, de zonde te naderen, lopen gevaar van in haar afgrond te vallen.
Ten tweede. De meest tergende ongerechtigheid van de Joden ten tijde van onze Zaligmaker was hun hoogmoed en hun huichelarij, de zonde van de schriftgeleerden en Farizeen waartegen Christus zo menig ure gesproken heeft vers 5. Zij zeiden: Houd U bij Uzelf, naak tot mij niet, want ik ben heiliger dan Gij. Kom niet te dicht bij mij, raak mij niet aan, want Gij zoudt mij besmetten. Ik wens niet met U op gemeenzame voet om te gaan, want ik ben heiliger dan Gij zijt, en daarom zijt Gij niet goed genoeg om met mij te verkeren. ik ben niet gelijk de andere mensen en ook niet gelijk aan deze tollenaar. Zij, die altijd gereed waren om tot ieder die zij ontmoetten te zeggen: Ik ben heiliger dan gij, hielden zich niet alleen voor heiliger dan alle anderen, niet alleen voor zeer goed, zo goed als zij behoorden te zijn, maar voor beter dan een hunner naburen. Dezen zijn een rook in mijn neus, zegt God, niet de rook van een snel brandend vuur dat spoedig helder en verkwikkend wordt, maar rook van een vuur van vochtig hout, dat de gehelen dag brandt of smeult en daardoor weinig meer dan rook geeft. Niets is in de mens hatelijker in Gods ogen, dan een trotse inbeelding van zichzelf en verachting van anderen, want zij, die zich voor heiliger dan anderen houden, zijn gewoonlijk de onheiligsten van allen.
C. God had daarover een twist met hen. Het bewijs tegen hen is onwederlegbaar. Zie, het is voor Mijn aangezicht geschreven, vers 6. Het is daar geschreven opdat er mee gerekend worde in latere tijd, want mogelijk wordt het niet onmiddellijk in herinnering gebracht. De zonden van de zondaren en voornamelijk het ijdel roemen en de aanmatigingen van de huichelaars, worden "door God verzegeld in Zijn schatten en opgesloten," Deuteronomium 32:34. En hetgeen opgeschreven is zal herlezen en te voorschijn gebracht worden. Ik zal niet altijd zwijgen ofschoon Ik soms lang zwijg. Zij moeten niet denken dat Hij hun gelijk is, zoals zij soms doen, maar Hij zal vergelden, ja in hun boezem vergelden. Zij misbruiken laaghartig de godsdienst, die eerwaardig en heilig is, die hun belijdenis tot een voorwerp van hoogmoed maakt, en de ijverige God zal hun dat vergelden. de belijdenis, waarop zij zich beroemen, zal alleen dienen om hun veroordeling zoveel zwaarder te maken.
a. De ongerechtigheid hunner vaderen zal tegen hen komen, niet alleen de oordelen Gods, welke hun eigen zonden verdienen, maar nog veel zwaarder, Ezra 9:13. Maar God zou niet zo zwaar een vergelding over hen gebracht hebben indien Hij daarin ook niet het oog gehad had op de zonden hunner vaderen Daarom wordt er gezegd dat bij de verwoesting van Jeruzalem over dat geslacht komt al het bloed van de martelaren des Ouden Verbonds, zelfs dat van Abel, Mattheus 23:35. God zal met hen rekenen, niet alleen voor de afgoden hunner vaderen, maar voor hun hoge plaatsen, hun reukofferen op de bergen en alle hoge heuvelen, al geschiedde dat wellicht voor de ware God. Want dat was een lasteren en verzaken van God, het was aanmerking maken op de plaats die Hij verkoren had om daar Zijn naam te doen wonen en de belofte die Hij gegeven had dat Hij hen daar ontmoeten en zegenen zou.
b. Zij erkennen dat zij daardoor het onheil zelf over zich gebracht hebben. Uw ongerechtigheden en de ongerechtigheden uwer vaderen tezamen, de ene de andere verzwarende, maken de werken uit, die ofschoon zij naar het schijnt, overzien en vergeten zijn, in hun boezem toegemeten zullen worden. God zal in de boezem vergelden, niet alleen aan Zijn openlijke vijanden meer ook aan Zijn valse en verraderlijke vrienden Psalm 79:12, de ongerechtigheden, waarmee zij tegen Hem overtreden hebben.