Exodus 17:8-16
Wij hebben hier de geschiedenis van de oorlog met Amalek, die wij kunnen veronderstellen de eerste geweest te zijn, waarvan melding was gemaakt in "het boek van de oorlogen van de Heer," Numeri 21:14. Amalek was de eerste van de natiën die tegen Israël streden, Numeri 24:20. Let hier op:
I. Amaleks aanslag. Hij kwam uit en streed tegen Israël, vers 8. De Amalekieten waren afstammelingen van Ezau, die Jakob haatte vanwege het geboorterecht en de zegen, en die poging nu was een daad van de erfelijke vijandschap, een kwaadwilligheid, die in het bloed zat, en nu wellicht ten toppunt was gekomen omdat de belofte in vervulling ging. Beschouw dit:
1. Als Israëls beproeving, zij hadden getwist met Mozes, vers 2, en nu zendt God de Amalekieten om met hen te twisten, strijd naar buiten is de rechtvaardige straf van twist en ontevredenheid van binnen.
2. Als Amaleks zonde, aldus wordt het gerekend, Deuteronomium 25:17, 18. Zij hebben hen niet stoutmoedig in het front aangevallen, zoals een dapper, edelmoedig vijand gedaan zou hebben, maar zonder dat Israël hun enige reden of aanleiding er toe gegeven had, vielen zij laaghartig de achterhoede aan, en sloegen de zwakken, die moe en mat waren en zich niet konden verweren of ontkomen. Hierin hebben zij de macht getart, die zo kortelings de Egyptenaren had verslagen en verdaan, maar het was tevergeefs, dat zij een leger aanvielen, hetwelk bewaakt en geproviandeerd werd door wonderen. Voorwaar, zij wisten niet wat zij deden.
II. De strijd van Israël met Amalek voor hun noodzakelijke verdediging tegen de aanvallers, en daarin:
1. De post, aangewezen aan Jozua, van wie nu voor het eerst melding wordt gemaakt. Hij wordt tot opperbevelhebber benoemd in deze veldtocht, ten einde opgeleid te worden voor de dienst, waartoe hij bestemd was na de dood van Mozes, en een krijgsman te zijn van zijn jeugd af. Thans wordt hem bevolen een afdeling, of detachement, te vormen van de uitgelezenen Israëlieten, een keurbende, om er de Amalekieten mee terug te drijven, vers 9. Toen de Egyptenaren hen vervolgden, moest Israël stilstaan, en zien wat God zou doen, maar nu werden zij geroepen om zelf hun krachten in te spannen. God moet vertrouwd worden in de keuze en het gebruik van de middelen.
2. De post door Mozes ingenomen, vers 9. Ik zal op de hoogte van de heuvel staan, en de staf Gods zal in mijn hand zijn. Zie hoe God Zijn volk bekwaam maakt voor, en roept tot, verschillende arbeid ten dienste van Zijn kerk. Jozua strijdt, Mozes bidt, en beide dienen Israël. Mozes ging op tot de hoogte van de heuvel en waarschijnlijk heeft hij zich zo geplaatst, dat hij door Israël gezien kon worden, daar hield hij de staf Gods op in zijn hand, die wonder werkende staf, die de plagen had opgeroepen over Egypte en onder welke Israël uit het huis van de dienstbaarheid is getogen. Die staf hield Mozes omhoog:
a. Voor Israël om hen te bemoedigen en aan te vuren. De staf was opgeheven als een banier om de krijgers aan te moedigen, die zouden kunnen opzien en zeggen: "Daar ginds is de staf en daar ginds is de hand, die hem gebruikte, toen zulke heerlijke dingen voor ons gewerkt werden." Het strekt zeer tot aanmoediging van ons geloof om na te denken over de grote dingen, die God voor ons gedaan heeft, het oog te laten gaan over de gedenktekenen van Zijn gunst.
b. Voor God, als om een beroep te doen op Hem: "Is de strijd niet van de Heer? Is Hij niet machtig om te helpen, en verbonden om te helpen? Getuige deze staf, waarvan, aldus opgeheven zijnde, de stem luidt: Ontwaak, ontwaak, trek sterkte aan, gij arm van de Heer, zijt gij niet, die Rahab uitgehouwen hebt?" Mozes was niet slechts een banierdrager, maar een voorbidder, pleitende bij God om voorspoed en overwinning. Als het leger optrekt tegen de vijand, dan moeten vurige gebeden opgezonden worden tot de God van de legerscharen om met hen te zijn. Hier is het, dat het biddend legioen het verpletterend legioen blijkt te zijn. Daar in Salem, in Zion, waar het gebed gedaan werd, daar werd de overwinning behaald, "aldaar heeft Hij verbroken de vurige pijlen van de boog," Psalm 76:3, 4.
Merk op:
A. Hoe Mozes vermoeid werd, vers 12. Mozes' handen werden zwaar, door langdurig opgeheven of uitgestrekt te zijn zal de sterkste arm eindelijk falen. Het is God alleen, wiens hand nog uitgestrekt is. Wij bevinden niet, dat Jozua's handen zwaar werden van strijden, maar Mozes handen werden zwaar door bidden. Hoe geestelijker een arbeid is hoe meer onderhevig wij er aan zijn om te falen en te verslappen. Biddend werk, als het geschiedt met inspanning van de geest en vurigheid van liefde, zal bevonden worden zwaar werk te zijn, want hoewel de geest gewillig is, is het vlees zwak, maar onze grote Voorbidder in de hemel wordt niet moede of mat, al is Hij ook voortdurend hiermede bezig.
B. Welke invloed door Mozes' staf op de veldslag werd uitgeoefend, vers 11. Het geschiedde, terwijl Mozes zijn hand ophief, in het gebed (zo luidt het in de Chaldeeuwse parafrase) zo was Israël de sterkste, maar terwijl hij zijn hand neerliet van het gebed, zo was Amalek de sterkste. Om Israël er van te overtuigen, dat de hand van Mozes (met wie zij zoëven nog hadden getwist) meer toebracht tot hun veiligheid dan hun eigen handen, zijn staf meer dan hun zwaarden, rijst en daalt hun voorspoed al naar gelang Mozes zijn handen opheft of neerlaat. Gedurende enige tijd scheen de krijgskans onzeker, totdat de overwinning beslist werd voor Israël. Zelfs ten opzichte van de beste zaak moeten teleurstellingen verwacht worden als een matiging voor de blijdschap over het succes, hoewel de strijd van de Heer is, kan Amalek voor een tijd de overhand hebben, de reden was, dat Mozes zijn handen neerliet. De zaak van de kerk is gemeenlijk min of meer voorspoedig, naarmate de vrienden van de kerk min of meer krachtig zijn in het geloof, en vurig zijn in het gebed.
C. De zorg, die toen gedragen werd om Mozes te ondersteunen. Toen hij niet langer staan kon, zat hij neer, niet op een fraaie statige zetel, maar op een steen, vers 12. Toen hij zijn handen niet kon ophouden, wilde hij dat zij hem ondersteunden, om ze op te houden. Mozes, de man Gods, is blijde met de hulp van Aäron, zijn broer, en van Hur, die naar sommigen denken, zijn zwager was, de echtgenoot van Mirjam. Wij moeten niet schromen om hulp te vragen van anderen, of hulp te verlenen aan anderen, want wij zijn elkaars leden. Mozes' handen, aldus ondersteund waren gewis, totdat de zon onderging, en hoewel het met veel moeite was, dat hij volhield, werd de gewilligheid van zijn geest door God aangenomen. Ongetwijfeld was het voor het volk een grote bemoediging om Jozua met hen op het slagveld te zien, en Mozes boven hen op de hoogte van de heuvel, beide is Christus voor ons, onze Jozua, de overste leidsman van onze zaligheid, die onze strijd strijdt, en onze Mozes, die hierboven eeuwig leeft om voor ons te bidden, dat ons geloof niet ophoude. III. De nederlaag van Amalek. Voor een tijdje was de overwinning onzeker tussen de legers, soms had Israël de overhand en soms Amalek, maar Israël heeft de overwinning behaald, vers 13. Hoewel Jozua streed onder zeer ongunstige omstandigheden, zijn soldaten waren ongedisciplineerd, slecht gewapend, lang gewend aan slavernij en zeer geneigd tot murmureren, heeft God door hen toch een grote verlossing gewerkt, en Amalek zijn onbeschaamdheid duur laten betalen. Wapens bereid tegen het Israël van God, zullen niet lang voorspoedig zijn en ten slotte verbroken worden. De zaak van God en van Zijn Israël zal de overwinning wegdragen. Hoewel God de overwinning gaf, wordt toch gezegd dat Jozua Amalek en zijn volk krenkte, omdat Jozua een type was van Christus, en dezelfde naam droeg, en in Hem is het, dat wij meer dan overwinnaars zijn. Het was Zijn arm alleen die de overheden en machten heeft uitgetogen geheel hun macht heeft verbroken.
IV. De trofeeën van deze overwinning opgericht.
1. Mozes droeg zorg dat God de eer er voor toegebracht zou worden, vers 15. In plaats van een triomfboog op te richten ter ere van Jozua (hoewel het een loffelijke staatkunde zou geweest zijn hem eer aan te doen) bouwt hij een altaar ter eer van God, en wij kunnen veronderstellen, dat het geen altaar was zonder offer, maar hetgeen het zorgvuldigst vermeld word is het opschrift, dat op het altaar werd geplaatst Jehovah-nissi-De Heer is mijn banier, en waarschijnlijk een toespeling was op het opheffen van de staf van God als een banier in dit gevecht. De tegenwoordigheid en macht van Jehovah waren de banier, waaronder zij dienst namen, door welke zij bezield en samen verenigd bleven, en die zij daarom ten dage van hun triomf hebben opgericht. In de naam van onze God moeten wij steeds onze banieren oprichten, Psalm 20:6. Het is betamelijk, dat Hij, die al het werk doet, er al de lof voor ontvangt.
2. God droeg zorg dat het nageslacht er al de vertroosting en al het voordeel van zou hebben. "Schrijf dit ter gedachtenis in een boek, schrijf het, en leg het in de oren van Jozua, hem moet deze gedachtenis toevertrouwd worden, om haar aan de volgende geslachten over te leveren." Mozes moet nu een dagboek, een journaal beginnen te houden van de gebeurtenissen. Het is voor het eerst, dat wij in de Schrift melding vinden gemaakt van schrijven, en misschien is het bevel er toe niet gegeven dan nadat de wet op stenen tafelen was geschreven. Schrijf het "in perpetuam rei memoriam- opdat de gebeurtenis in eeuwige gedachtenis blijve", hetgeen geschreven is blijft.
A. Schrijf hetgeen gedaan is, wat Amalek tegen Israël gedaan heeft, schrijf in gal hun bittere haat, schrijf in bloed hun wrede aanval, laat het nooit worden vergeten, noch wat God gedaan heeft voor Israël door hen te redden van Amalek. Laat de toekomende eeuwen weten, dat God strijdt voor Zijn volk, en dat wie hen aanraakt Zijn oogappel aanraakt.
B. Schrijf wat gedaan moet worden.
a. Dat in verloop van tijd Amalek geheel uitgeroeid zal worden, vers 14, dat hij slechts in de geschiedenis herdacht zal worden. Amalek had de naam van Israël willen uitroeien, zodat er niet meer aan gedacht zou worden, Psalm 83. 5, 8, en daarom stelt God hem niet alleen hierin teleur, maar delgt zijn naam uit. Schrijf het ter bemoediging van Israël, dat wanneer ook de Amalekieten hen zullen kwellen of verontrusten, Israël toch ten slotte zeker zal juichen in de val van Amalek. Dit vonnis werd gedeeltelijk uitgevoerd door Saul, 1 Samuël 15, en geheel en al door David, 1 Samuël 30, 2 Samuël 1:1, 8:12. b. Dat God intussen voortdurend een twist zou hebben, met hem, vers 16, omdat de hand van Amalek tegen de troon van de Heer is dat is tegen het leger van Israël, waarin de Heer regeert, en dat de plaats was van Zijn heiligdom, en daarom een troon van de heerlijkheid, een hoogheid van het eerste aan genoemd is, Jeremia 17:12, zal de oorlog van de Heer tegen Amalek zijn van geslacht tot geslacht. Dit werd geschreven tot een aanwijzing voor Israël, om nooit een verbond te maken met de Amalekieten maar hen als onverzoenbare vijanden te beschouwen, die het verderf gewijd zijn. Amaleks verderf was het type van het verderf van alle vijanden van Christus en Zijn koninkrijk. Al wie strijden tegen het Lam, zullen door het Lam overwonnen worden.