Jesaja 60:9-14
De beloften in de vorige verzen aan de kerk gedaan worden hier herhaald, verzekerd en uitgebreid, alles bedoeld tot vertroosting en aanmoediging van de Joden na hun terugkeer uit de gevangenschap, maar besluit met nog verdere strekking, tot uitbreiding en bevordering van de Evangelische kerk en om aan te tonen de overvloed van geestelijke zegeningen waarmee deze zal verrijkt worden.
I. God zal zeer genadig en voorkomend jegens hen zijn. Wij moeten met deze belofte beginnen, omdat al de andere daardoor in waarde rijzen. Het heiligdom, dat verwoest lag, begint hersteld te worden wanneer God Zijn aangezicht er over laat lichten, Daniël 9:17. Al de gunst, die het volk Gods vindt bij de mensen, heeft het te danken aan het licht van Gods aangezicht en Zijn gunst over hen, vers 10. Allen zullen nu voorkomend voor hen zijn: want in Mijn verbolgenheid heb Ik u geslagen, toen gij in de gevangenschap waart. Het lijden van de kerk voornamelijk door haar bederf, afwijkingen en verdeeldheden, waartegen deze beloften haar moeten steunen, zijn treurige tekenen van Gods ongenoegen. Maar nu heb Ik Mij in Mijn welbehagen over u ontfermd, en daarom heb Ik al deze barmhartigheden voor u in voorraad.
II. Velen zullen in de kerk gebracht worden zelfs uit verre landen, (vers 9). De eilanden zullen Mij verwachten, zullen het Evangelie welkom heten, en zullen God opzoeken met hun lof en hun gerede onderwerping aan het Evangelie. De schepen van Tarsis, transportschepen zullen zeilklaar liggen, om leden uit verste streken naar de kerk te brengen, of hetgeen op hetzelfde neerkomt, dienaren van de kerk naar verwilderde oorden te brengen, om daar het Evangelie te verkondigen en zielen tot de Heere toe te brengen.
Merk op:
a. Wie gebracht worden.Niet alleen voor het volk maar om ook de verstrooide kinderen Gods bijeen te vergaderen, Johannes 11:52.
b. Wat zij zullen meebrengen. Zij wonen op zo'n afstand dat zij geen schapen en rammen kunnen medebrengen, maar gelijk de Joden die ver van Jeruzalem woonden als zij opkwamen naar de feesten geen kudden konden aanvoeren, maar de waarde in geld meebrachten, zo zullen deze hun zilver en hun goud meebrengen. Wanneer wij onszelf aan God geven, moeten wij ons geven met al wat wij zijn en hebben. Wanneer wij Hem vereren in de geest, moeten wij het ook met onze bezittingen doen.
c. Aan Wie zij zich en al het hun zullen toewijden: aan de naam van de Heere uw God. Aan God als de Heere van allen en de God en Koning van de kerk aan de Heilige Israëls, die Israël als de Heilige aanbidt in de heerlijkheid van Zijn heiligheid, dewijl Hij u heerlijk gemaakt heeft. De eer die God op Zijn volk en kerk legt, moet ons bewegen niet alleen om hen ook te eren, maar om ons bij hen te voegen. "Wij zullen met u gaan, want God is met u," Zacheria 8:23.
III. Allen die tot de kerk komen, zullen er welkom zijn, want er is in de heilige stad zoveel ruimte, dat, ofschoon alles gedaan is wat de Heere bevolen heeft, er nog plaats over is. Daarom zullen haar poorten steeds openstaan vers 11, niet alleen omdat er geen reden is om vijanden te vrezen, maar ook omdat er reden is om vrienden te verwachten. Het is bij ons gewoonte de deur niet op nachtslot te doen, of iemand bij de hand te hebben om dadelijk als het nodig is te openen, wanneer wij een kind of een gast verwachten, die laat komen zal. Christus is altijd gereed om te ontvangen degenen, die tot Hem komen, Hij is nooit afwezig, en niemand komt Hem ooit ongelegen, de deur van de genade is altijd open, nacht en dag, of zal onmiddellijk geopend worden als wij kloppen. Zijn dienaren, de deurwachters, moeten altijd gereedstaan om hen, die zich de Heere komen aanbieden, binnen te laten. God heeft niet alleen een gastvrij huis, maar een open huis, opdat op alle tijden, door de prediking van het Woord, tijdig en ontijdig, de scharen van de heidenen en hun koningen en aanvoerders in de kerk gebracht mogen worden. Heft uw hoofden op, gij poorten, en laat zulke welkome gasten binnentreden.
IV. Allen die in de nabijheid van de kerk zijn, zullen op de één of andere wijze aan haar belangen dienstbaar gemaakt worden. Ondergeschiktheid en heerschappij vinden geen genade in de ogen van de mensen, maar wel in die van God. Hij die de lagere schepselen nuttig maakte voor de mens, zal de volken nuttig maken voor de kerk. De aarde kwam de vrouw te hulp. Alle dingen zijn van U. Zo ook hier, vers 10. Vreemden, die geen kennis van U hebben noch vriendschap voor U gevoelen die altijd vervreemd waren van het burgerschap Israëls, zij zelfs zullen Uw muren bouwen, en hun koningen zullen op deze of die wijze U dienen en daarin geen vernedering zien. Dit werd vervuld toen de koning van Perzië en de landvoogden van zijn provincies op zijn bevel Nehemia hielpen en bijstonden in het herbouwen van de muren van Jeruzalem. Er zullen vreemdelingen verwekt worden om de muren van Jeruzalem te herbouwen, opdat deze niet in puin zullen blijven liggen. Zelfs zij die niet tot de kerk behoren, kunnen haar beschermen. En de grootsten van de mensen mogen het niet beneden zich achten de kerk te dienen, maar er zich over verheugen, wanneer zij in de gelegenheid zijn en er lust toe gevoelen om haar de dienst te bewijzen. Ja, het is de plicht van allen, een ieder in zijn kring om te doen wat in hun vermogen is om de belangen van Gods koninkrijk onder de mensen te bevorderen en het is voor hun verantwoording indien zij dat nalaten. Vers 12 :Het volk en het koninkrijk, die u niet zullen dienen, zullen vergaan. Niet dat zij zullen vergaan door het zwaard of door menselijke vervloeking, ook niet dat dit enig recht geeft om de verbreiding van het Evangelie door geweld te bevorderen, of dat men door boeten en andere straffen de mensen zou mogen dwingen om zich bij de kerk te voegen, -in genen dele. Maar zij, die zich niet door het geloof willen onderwerpen aan Jezus Christus, de Koning van de kerk, en Hem niet willen dienen, zullen voor eeuwig vergaan, Psalm 2:12. Zij, die zich niet willen buigen onder de gouden scepter van Christus, onder de heerschappij van Zijn Woord en Geest, die niet in Zijn gezin opgenomen en aan de regelen daarvan ondergeschikt gemaakt willen worden, zullen in stukken gebroken worden door Zijn ijzeren scepter. "Breng hen hier en sla hen hier voor Mij dood" Lukas 19:27. Zij zullen geheel en voor eeuwig verwoest worden, wanneer Christus zal komen om wraak te nemen op hen die het Evangelie ongehoorzaam zijn, 2 Thessalonicenzen 1:8.
V. Er zal overvloed van schoonheid gevoegd zijn bij de instellingen van Gods verering, vers 13. "De heerlijkheid van de Libanon, de sterke en statige cederen die daar groeien zal tot u komen," gelijk vanouds tot Salomo, toen hij de tempel bouwde, 2 Kronieken 2:16. En daarbij zal ander bruikbaar hout gebracht worden, geschikt om het gebeeldhouwde werk te vervangen dat de vijand verbroken had, Psalm 74:5, 6. De tempel, de plaats van Godsheiligdom, zal niet alleen herbouwd, maar verfraaid worden. Het is de plaats van Zijn voeten waar Hij zetelt en rust, Ezechiël 43:7. De ark wordt genoemd Zijn voetbank, omdat die onder het verzoendeksel (de genadestoel) was, Psalm 132:7. Hij zal hem heerlijk maken in de ogen van zijn volk en al hun naburen. De heerlijkheid van het laatste huis, waarop de profetie betrekking heeft, ofschoon in vele opzichten kleiner, was toch in werkelijkheid groter dan die van het eerste want Christus kwam in die tempel, Maleachi 3:1. Ook was hij versierd met kostelijke stenen en giften, Lukas 21:5, waarop deze belofte in zekere zin doelen kan, maar toch sprak Christus daarover zo geringschattend dat wij moeten geloven dat de eigenlijke vervulling bestaat in de rijkdom van heiligheid en de genade en vertroostingen van de Heilige Geest, waarmee de instellingen van het Evangelie zijn versierd.
VI. De kerk zal waarlijk groot en eerwaardig verschijnen, vers 14. Het Joodse volk werd, na de terugkeer uit de gevangenschap, gaandeweg aanzienlijker en maakte een betere figuur dan men zou verwacht hebben, nadat het zo omlaag gebracht geweest was, en beter dan een van de andere volken, die zich herstelden van de door Chaldeën ondergane vernedering. Het is waarschijnlijk dat velen, die hen in Babel verdrukt hadden, nadat zij zelf door de Perzen overheerd waren, bij de Joden toevlucht en schuilplaats zochten en gaarne met hen op goede voet kwamen. Voorts is deze profetie vervuld toen zij, die vijanden van Gods kerk waren, er door Gods genade toe gebracht werden om hun dwaling in te zien, en kwamen om zich bij haar te voegen. De kinderen dergenen, die u onderdrukt hebben-indien niet zij zelf, dan toch hun kinderen, zullen zich neerbuigen aan de planten uwer voeten, en u vergeving vragen voor hun dwaasheid, u smeken om uw gunst en bidden om in uw gezin opgenomen te worden, 1 Samuël 2:36. Een dergelijke belofte is aan de gemeente te Filadelfia gegeven, Openbaring 3:9. En dit is bedoeld als:
1. Een bedreiging voor de trotse onderdrukkers van de kerk, die haar bedroefd en veracht hebben en daarin zich vermaakt hebben, zij zullen neergebogen worden, hun geestkracht zal gebroken worden, en hun toestand zal zo laag en ellendig worden dat zij zich gaarne zullen laten helpen door hen, die ze vroeger het verst van zich gestoten hebben. Vroeger of later zal God verachting uitstorten over hen, die Zijn volk veracht hebben.
2. Een verhoging voor de arme verdrukte leden van de kerk, en dit is de eer die hun zal worden aangedaan, zij zullen gelegenheid krijgen om goed te doen aan degenen die hen kwalijk gehandeld hebben, en hen te redden die hen bedroefd en veracht hebben. Het is een vermaak voor de godvrezende, en Hij rekent het zich een eer, om barmhartigheid te bewijzen aan hen, bij wie Hij geen barmhartigheid gevonden heeft. Maar dit is nog niet alles. Zij zullen zich niet alleen als smekelingen voor Uw voeten neerbuigen, in hun eigen belang meer zij zullen U ook eren. Zij zullen U noemen de stad des Heeren. Zij zullen eindelijk er van overtuigd zijn dat gij een gunstelinge des hemels zijt en de bijzondere zorg van de goddelijke voorzienigheid geniet. Die stad is waarlijk groot en vereerd, die is sterk en rijk, die is veilig en schoon, die is de begeerlijkste plaats om in te wonen, die de stad des Heeren is, die Hij als de Zijne erkent, waar Hij woont en waar de godsdienst de hoogste plaats inneemt. Zulk een plaats is Zion, zij is de stad welke God verkoren heeft om daar Zijn naam te stellen, zij is het Zion van de Heilige Israëls. En daarom zijn wij er zeker van dat zij een heilige plaats is, anders zou de Heilige Israëls zich nooit haar beschermer genoemd hebben.