2 Kronieken 2:11-18
I. Wij hebben hier het antwoord van Huram op Salomo's verzoek, waarin hij grote achting betoont aan Salomo en veel bereidwilligheid om hem van dienst te zijn. Personen van minder aanzien kunnen van deze groten leren om vriendelijk en inschikkelijk te zijn.
1. Hij prijst Israël gelukkig wijl zij zo'n koning hebben, vers 18..
Daarom dat de HEERE Zijn volk lief heeft, heeft Hij u over hen tot koning gesteld. Een wijze en goede regering is een grote zegen voor een volk en kan wel als een bijzonder teken van Gods gunst beschouwd worden. Hij zegt niet: "Omdat de Heere u liefheeft" (hoewel dit waar was, 2 Samuël 12:24) "heeft Hij u koning gemaakt", maar "omdat Hij Zijn volk liefheeft".
Vorsten moeten op zichzelf zien als bevorderd, verhoogd, te zijn voor het algemene welzijn, niet voor hun eigen persoonlijke voldoening, en moeten zo regeren, dat er uit blijkt dat zij in liefde werden gegeven en niet in toorn.
2. Hij looft God omdat Hij aan David zo'n opvolger heeft gegeven, vers 12. Het schijnt dat Huram niet alleen het Joodse volk zeer welgezind was en een welgevallen had aan hun voorspoed, maar dat hij zelf tot de Joodse Godsdienst bekeerd was, en "Jehova, de God Israël's" aanbad (die bij die naam niet bekend was onder de naburige volken), als de God, die de hemel en de aarde gemaakt heeft, en als de bron van macht, zowel als van bestaan, want Hij stelt koningen aan.
Nu het volk van Israël zich dicht aan de wet en de aanbidding Gods hield, en aldus hun eer bewaarde, waren de naburige volken even gewillig om door hen in de waren Godsdienst onderwezen te worden. als zij in de dagen van hun afval geweest zijn om zich door de afgoderijen en bijgelovigheden van hun naburen te laten besmetten.
Dit maakt hen hoog, dat zij aan vele volken leenden maar niet aan hen ontleenden, hun de waarheid leenden, en geen dwaling aan hen ontleenden, gelijk het hun schande was, toen het tegenovergestelde plaatsvond.
3. Hij zond hem een zeer bekwaam vernuftig werkman, die niet in gebreke zou blijven om in alles aan zijn verwachting te beantwoorden.
Het was een man die zowel Joods als heidens bloed in de aderen had, want zijn moeder was een Israëlitische vrouw, Huram dacht dat zij van de stam van Dan was, en daarom zegt hij dit hier, vers 14 :
maar zij schijnt van de stam van Nafthali te zijn geweest, 1 Koningen 7:14.
Zijn vader was een Tyriër, een goed voorteken van de vereniging van Jood en heiden in de Evangelietempel, zoals later de bouw van de tweede tempel grotelijks bevorderd werd door Darius, Ezra 6, die ondersteld werd de zoon te zijn geweest van Esther een Israëliet dus van moeders zijde. 4. Hij verbindt zich om hem al het hout te leveren, dat hij nodig had, en nam op zich om het hem af te leveren te Jaffo, en gaf daarbij te kennen dat hij op Salomo rekende voor het onderhoud van de werklieden, zoals hij beloofd had, vers 15, 16. Deze overeenkomst hadden wij in 1 Koningen 5:8, 9.
II. De orders, die Salomo gaf ten opzichte van de werklieden. Hij wilde de vrijgeboren Israëlieten niet gebruiken voor het zware werk zelfs niet van de tempel, niet eens om er opzichters over te wezen, hiervoor gebruikte hij vreemdelingen, die tot de Joodse Godsdienst bekeerd waren, geen land tot erfdeel hadden in Kanaän zoals de Israëlieten, en zich dus toelegden op ambachten en hun brood verdienden door vernuft en vlijt, er was een groot aantal van deze in het land, vers 17, die, zo zij tot de gevloekte volken behoorden, misschien in het geval en dus ook onder de wet waren van de Gibeonieten, om houthouwers te wezen voor de gemeente.
Indien zij dit niet waren, dan was in vele gevallen door de wet van Mozes voor hen voorzien en waren zij op gelijken voet met de geboren Israëlieten, deze waren uit dankbaarheid verplicht te doen wat zij konden ten diepste van de tempel. Ongetwijfeld werden zij echter goed betaald in geld of geldswaarde, want de wet luidde: "Gij zult de vreemdeling niet verdrukken".
Wij hebben hier hun verdeling (in vers 2, en nogmaals in 18), hun gehele getal bedroeg honderd vijftig duizend man.
Kanaän was een vruchtbaar land, dat spijze opleverde voor zoveel monden meer dan de talrijke inboorlingen, en de tempel een zeer groot gebouw, dat werk opleverde voor zoveel handen.
Dr. Fuller oppert de mening dat de schikking, die bijzonder voor deze bouw gemaakt was namelijk om alles vooraf klaar te maken, het werk noodwendig moest vermeerderen ik denk echter dat hierdoor zoveel te meer plaats gelaten werd voor die ontzaglijke menigte van werklieden, die er voor gebruikt werden, want in het woud van de Libanon konden zij allen tegelijk aan het werk zijn zonder elkaar in de weg te zijn, en dit hadden zij op de berg Zion niet gekund.
En indien er niet zo ontzaglijk een menigte van werklieden gebruikt was voor zo groot en kunstig een gebouw dat in zeven jaar tijds begonnen en voltooid werd, de bouw zou, voor zoveel ik weet, wel even lang hebben kunnen duren als die van de Pauluskerk in Londen.