Job 37:6-13
De veranderingen en de uitersten van het weer: nat of droog, heet of koud, zijn het onderwerp van vele van onze gewone gesprekken en waarnemingen, maar hoe zelden denken wij aan en spreken wij van deze dingen zoals Elihu hier, namelijk met een eerbiedig achtgeven op God, de bestuurder ervan, die er Zijn macht door toont en er de doeleinden van Zijn voorzienigheid door tot stand brengt! Wij moeten de heerlijkheid van God opmerken niet alleen in donder en bliksemen, maar ook in de meer gewone afwisselingen van weer en wind, die niet zo vreeslijk zijn en niet zoveel gedruis maken. Zoals:
1. In de sneeuw en de regen, vers 6. Donder en bliksem komen gewoonlijk voor in de zomer, maar nu neemt hij nota van het weer in de winter, dan zegt Hij tot de sneeuw: Wees op de aarde. Hij stelt haar aan, geeft haar bevel wijst haar aan waar zij moet nederkomen, en hoelang zij er moet liggen. Hij spreekt, en het is er, zoals bij de schepping van de wereld: Er zij licht, zo ook in de werken van de gewone voorzienigheid: Sneeuw, wees op de aarde. Zeggen en doen zijn voor God niet twee, hoewel zij het voor ons zijn. Als Hij het woord spreekt, druipt de plasregen af, en de sterke regen komt neer al naar het Hem behaagt. De winterregen, aldus de LXX, want in die landen was de regen over als de winter voorbij was, Hooglied 2:11. In het Hebreeuws is het onderscheid tussen plasregen en sterke regen daarin gelegen, dat de eerste een bui van regen, de laatste van regens, vele regenbuien in eens, wordt genoemd, maar allen zijn zij regen van Zijn sterkten. De macht van God moet opgemerkt worden evenzeer in de plasregen, die de aarde doorweekt, als in de sterke regen, die op het dek klettert en alles voor zich heen wegspoelt. De voorzienigheid Gods moet erkend worden door de landbouwer op het veld, en de reiziger op de weg in elke regenbui, hetzij die gunstig of ongunstig voor hen is. Het is zonde en dwaasheid om met Gods voorzienigheid nopens het weer te twisten, indien Hij sneeuw of regen zendt kunnen wij ze verhinderen te komen? Of zullen wij er vertoornd om zijn? Even ongerijmd is het om met enigerlei andere beschikking van Gods voorzienigheid met ons of de onze te twisten.
De uitwerking van zeer streng winterweer is dat het mens en dier noodzaakt zich terug te trekken, daar het onaangenaam en onveilig voor hen is om uit te gaan.
a. De mensen trekken zich terug in hun huizen als zij terugkomen van hun arbeid in het veld, en blijven dan binnen, dan zegelt hij de hand van ieder mens toe. In vorst en sneeuw kan de landman zijn bedrijf niet uitoefenen, sommige kooplieden en reizigers kunnen het evenmin als het weer uiterst ongunstig is, de ploeg wordt opgeborgen, de scheepvaart is gestremd, er wordt niets gedaan, er wordt niets verdiend, opdat de mensen, weggenomen zijnde van hun eigen werk, Zijn werk zullen kennen, en het beschouwen, en er Hem de eer van geven, en door de beschouwing van Zijn werk in het weer, dat hun handen verzegelt, er toe geleid worden om Zijn andere grote en wonderbare werken te roemen. Als wij door het een of ander onbekwaam zijn geworden om onze wereldse zaken te volgen, er van weggenomen worden, dan moeten wij onze tijd doorbrengen in de beoefening van de Godsvrucht-ons bekendmaken met Gods werken, en er Hem om loven en prijzen-veeleer dan in ijdel spel of vermaak. Als onze handen verzegeld zijn, dan moet ons hart aldus worden geopend, en hoe minder wij in de wereld te doen hebben, hoe meer wij voor God moeten doen en voor onze ziel. Als wij gedwongen zijn in huis te blijven, dan moet dit ons heendrijven naar onze Bijbel, ons op de knieen brengen. b. Ook de dieren trekken zich terug in hun loerplaatsen en blijven in hun holen, vers 8. Dit wordt bedoeld van de wilde dieren, die, wild zijnde zich een schuilplaats moeten zoeken, naar welke zij door hun instinct heengeleid worden, terwijl de tamme dieren, die dienstig zijn aan de mens, door zijn zorg onder dak gebracht en beschermd worden, zoals Exodus 9:20. De ezel heeft geen ander hol dan de kribbe zijns heren, en daarheen gaat hij, niet alleen om er veilig en warm te zijn, maar ook om er gevoed te worden. De natuur leidt alle schepselen om zich te beschutten tegen een storm, en zou dan alleen de mens van geen ark voorzien zijn?
2. In de winden, die uit verschillende hoeken komen en verschillende uitwerkingen teweegbrengen, vers 9. Uit het Zuiden komt de wervelwind, of uit de verborgen plaats-zo kan het ook gelezen worden. Hij draait, en daarom is het moeilijk te zeggen uit welke hoek hij waait, maar hij komt uit de verborgen kamer, -dat is de betekenis van het woord, waaronder ik niet gaarne het zuiden versta omdat hij hier, vers 17, zegt dat de wind uit het zuiden, wel verre van een dwarrelwind te zijn een verwarmende, stille wind is. Maar Elihu heeft toen misschien een wolk van dwarrelwind uit het zuiden zien opkomen, die tot hen naderde, uit welke de Heere spoedig daarna gesproken heeft, Hoofdst. 38:1. Of, zo onstuimige, regenbuien aanbrengende winden uit het zuiden komen, koude en opdrogende rukwinden komen uit het noorden, om de dampen te verdrijven en er de lucht van te zuiveren.
3. In de vorst, vers 10. Zie er de oorzaak van, zij wordt gegeven door Zijn geblaas, door de adem Gods, dat is: door het woord van Zijn macht en het bevel van Zijn wil, of, zoals sommigen het verstaan, door de wind, die de adem Gods is, gelijk de donder Zijn stem is, zij wordt veroorzaakt door de koude, verstijvende winden uit het noorden. Zie de uitwerking ervan: de brede wateren worden verstijfd, dat is: de wateren, die zich verspreid hadden en vrijelijk vloeiden, worden bevroren, verstijfd, tot stilstand gebracht, in kristallen boeien gebonden. Dit is zo'n treffend voorbeeld van de macht Gods, dat men, indien het niet zo veelvuldig voorkwam, het als een wonder zou beschouwen.
4. In de wolken, de moederschoot, waarin deze waterige meteoren ontvangen worden waarvan hij in Hoofdst. 36:28 had gesproken. Hier spreekt hij van drieërlei soort van wolken.
A. Van dichte, zwarte, dikke wolken, die zwanger zijn van regenbuien. Deze vermoeit Hij door bewatering, vers 1, zij putten zich uit door de regen, waarin zij opgelost worden, zij gieten water totdat zij moede zijn en niet meer uitgieten kunnen. Zie hoeveel moeite, als ik dit eens zo zeggen mag, de schepselen, zelfs zij, die boven ons zijn, zich geven om de mens te dienen, de wolken bewateren de aarde totdat zij moede zijn, zij geven zich ten koste voor ons nut en voordeel, hetgeen ons beschaamt en veroordeelt wegens het weinige goed, dat wij doen in onze plaats, hoewel het in ons eigen voordeel zou wezen om goed te doen, want die bevochtigt zal ook zelf een vroege regen worden.
B. Heldere, dunne wolken, zonder water, deze verstrooit Hij, zij gaan vanzelf uiteen, en worden niet opgelost in regen, maar wat er van haar wordt, weten wij niet. De heldere wolk des avonds, als de lucht rood is, wordt uiteengedreven en blijkt een voorbode te zijn van een schone dag, Mattheus 16:2. C. Vliegende wolken, die zich niet zoals de dikke wolk, oplossen in regen, maar op de vleugelen des winds van plaats tot plaats worden heengevoerd, onderweg regenbuien afgietende. Van deze wordt gezegd, dat zij gekeerd worden naar Zijn wijze raad door omgangen, vers 12. Het gemene volk zegt dat de regen bepaald wordt door de planeten, hetgeen even slechte Godgeleerdheid als natuurkunde is, want hij wordt bestuurd en geregeerd door Gods raad die zich uitstrekt, zelfs over de dingen, die het meest toevallig en onbeduidend schijnen, opdat zij doen al wat hij ze gebiedt, want de stormwinden en de wolken, die er door voortgedreven worden, volbrengen Zijn woord, en hierdoor doet Hij regenen over de ene stad, maar over de andere niet, Amos 4:7. Aldus geschiedt Zijn wil op het vlakke van de wereld, op de aarde, dat is onder de kinderen van de mensen, die God in al deze dingen op het oog heeft, en van wie gezegd is: dat Hij hen op de gehele aardbodem heeft doen wonen, Handelingen 17:26. De mindere schepselen, niet instaat zijnde tot zedelijke handelingen, zijn niet instaat om beloning en straf te ontvangen, maar onder de kinderen van de mensen doet God regen komen, hetzij als een kastijding voor het land of als een zegen er voor, vers 13..
a. Regen is soms een oordeel, een gesel voor een zondig land, zoals hij het eens geweest is ter verwoesting van geheel de wereld, zo is hij het thans tot tuchtiging van sommige delen ervan door zaaiing en oogst te verhinderen, de wateren doende stijgen en schade toebrengende aan de vruchten. Sommigen hebben gezegd dat ons volk veel meer benadeeld werd door overmatige regen dan door te weinig regen.
b. Op andere tijden is hij een zegen, een weldaad, hij is voor Zijn land, opdat dit vruchtbaar gemaakt worde, en behalve om hetgeen rechtvaardig en nodig is, geeft Hij hem uit weldadigheid, om het land vet en meer vruchtbaar te maken. Zie hoe afhankelijk wij zijn van God, daar dezelfde zaak, naar de verhouding waarin zij gegeven wordt, een groot oordeel of een grote zegen kan wezen, en wij zonder God noch een regenbui, noch zonneschijn kunnen hebben.