1 Thessalonicenzen 4:9-12
In deze woorden vermeldt de apostel de volgende grote plichten:
I. Broederlijke liefde. Hij vermaant hen om hierin meer en meer toe te nemen. De vermaning wordt ingeleid, niet met een compliment, maar met ene aanbeveling, omdat zij uitmuntten in de beoefening daarvan, welke het minder nodig maakte dat hij er over schreef, vers 9. Dus door zijn goede gedachten over hen beval hij zich aan in hun genegenheid en ging daarna over tot zijne vermaning. Wij moeten goed opmerken het goede, dat in anderen is, en hen daarover prijzen, ten einde zo den weg te banen voor de aanmoediging om daarin meer en meer overvloedig te worden. Merk op:
1. Wat de apostel in hen prijst. Dat was niet zozeer hun eigen deugd als Gods genade, maar toch merkt hij op het bewijs, dat zij gaven van de genade Gods in hun harten.
A. Het was Gods genade, waaraan hij vooral zijn aandacht wijdt: God had hun deze goede les geleerd: Want gijzelven zijt van Godgeleerd om elkaar lief te hebben, vers 9. Welk goeds wij ook doen, God heeft ons geleerd het te doen en Hem komt de heerlijkheid ervan toe. Allen, wie God zaligmakend onderwees, hebben van Hem geleerd om elkaar lief te hebben. Dat is het kenmerk van de leden van Christus. Merk op: Het onderwijs van de Heilige Schrift overtreft het onderwijs van mensen, en gelijk niemand leren mag tegen de lering Gods in, zo kan niemand zo krachtdadig leren, en het onderwijs van mensen is vruchteloos indien ook God niet onderwijst.
B. De Thessalonicenzen gaven goede bewijzen, dat zij door God geleerd waren, door hun liefde voor al de broederen, die in geheel Macedonië waren, vers 10. Zij hadden niet alleen de broederen in hun eigen stad en hun eigen gemeente lief, of alleen hen die dichtbij en het geheel met hen eens waren, maar hun liefde was veelomvattend. De ware Christelijke liefde strekte zich uit tot al de heiligen, ofschoon die op verren afstand zijn en van elkaar in opvattingen en manieren van ondergeschikt belang mogen verschillen.
2. De vermaning zelf spoort aan tot al meer en meer toenemen in deze grote genade van broederliefde, vers 10. Ofschoon deze Thessalonicenzen in zekeren zin geen behoefte hadden aan de vermaning tot broederlijke liefde, alsof die ontbrak, toch moesten zij aangevuurd worden tot gebed om meer en naarstigheid om er in toe te nemen. Niemand hier op aarde heeft volkomen lief. Zij, die in ene of andere genade uitmunten, hebben behoefte om daarin toe te nemen en te volharden.
II. Stilheid en ijver in hun beroep. Merk op:
1. De apostel vermaant tot deze plichten, dat zij zich zouden benaarstigen om stil te zijn, vers 11. Het is zeer begeerlijk een kalme en rustige gemoedsgesteldheid te hebben, en zich vredelievend en stil te gedragen. Dit helpt veel tot het geluk van ons zelven en van anderen, en Christenen moeten zich benaarstigen rustig te zijn. Wij moeten ijverig zijn om kalm en rustig van geest te worden, onze zielen in lijdzaamheid te bezitten en kalm tegenover anderen te zijn, van een zachten, vriendelijken en vredelievenden aard, die twist en strijd vermijdt. Satan is zeer bezig om ons te verontrusten, en er is veel in onze harten, dat ons geschikt maakt om verontrust te worden, laat ons daarom ons benaarstigen om rustig te zijn. Er volgt: en uw eigen dingen te doen. Wanneer wij daarbuiten gaan, stellen wij ons aan zeer veel verontrusting bloot. Bemoeiallen, die zich altijd in de zaken van anderen mengen, hebben slechts weinig rust in hun zielen en veroorzaken grote verontrusting aan hun naasten. En dikwijls letten zij zeer weinig op de vermaning om ijverig te zijn in hun eigen zaken, en te werken met hun eigen handen, hetgeen de apostel hun juist krachtig aanbeval en hetgeen ook van ons geëist wordt. Het Christendom ontslaat ons niet van het werk en de plichten van ons eigenaardig beroep, maar verlangt dat wij daarin ijverig zullen zijn.
2. De vermaning wordt aangedrongen met een dubbele beweegreden.
A. Dan zullen wij eerlijk wandelen. Wij zullen daardoor eerlijk, bescheiden en aanbevelenswaardig wandelen tegenover degenen, die buiten zijn, vers 12. Dat zal een handelwijze overeenkomstig het Evangelie zijn en een goed gerucht overbrengen aan hen, die het niet kennen of er vijandig tegen zijn. Het is een sieraad voor onzen godsdienst, wanneer zijn belijders een milden en rustigen geest tonen, vlijtig zijn in hun eigen werk en zich niet met anderer zaken bemoeien.
B. Wij zullen een gerust leven hebben en geen ding van node hebben, vers 12. Dikwijls brengen de mensen door eigen nalatigheid zich in moeilijke omstandigheden en tot grote ontberingen, terwijl zij, die in hun eigen zaken ijverig zijn, geen gebrek hebben en geen ding ontberen, dat hun nodig is. Zij zijn niet lastig voor hun vrienden en geen aanstoot voor vreemden. Zij winnen hun eigen brood en hebben daarin het grootste genoegen.