2 Samuël 7:4-17
Wij hebben hier een volledige openbaring van Gods gunst jegens David en de weldaden, die uit deze gunst zullen voortvloeien, de kennisgeving en verzekering hiervan zond God hem door de profeet Nathan, aan wie Hij deze lange boodschap aan hem toevertrouwde. De bedoeling er van is hem terug te brengen van zijn voornemen om de tempel te bouwen, en daarom werd zij gezonden:
1. Door dezelfde mond, die hem aangemoedigd had om het te doen, opdat, wanneer zij hem door iemand anders gezonden was, Nathan niet veracht en beledigd zou worden, David in verlegenheid zou zijn geweest, als zijnde aangemoedigd door de ene profeet en ontmoedigd door een andere.
2. Het gebeurde in dezelfde nacht, opdat Nathan niet lang in dwaling zou verkeren, en Davids hoofd niet verder vervuld zou wezen met gedachten aan hetgeen hij toch nooit doen moest. God zou dit onmiddellijk tot David zelf gezegd kunnen hebben, maar Hij verkoos het door Nathan te doen, om de eer van Zijn profeten op te houden, en David in zijn eerbied voor hen te doen volharden. Hoewel hij het hoofd is moeten zij toch de ogen zijn, door welke hij de gezichten des Almachtigen moet zien, en de tong, door welke hij het woord Gods moest horen. Hij, die deze lange boodschap aan Nathan gaf, hielp zijn geheugen om haar te onthouden, ten einde haar volledig over te brengen, terwijl hij besloten had haar getrouw over te brengen, zoals hij haar van de Here ontvangen had.
Nu zien wij in deze boodschap:
I. Davids voorgenomen tempelbouw door God uitgesteld. God nam nota van dat voornemen, want Hij weet wat in de mens is, en Hij heeft er een welbehagen in gehad, zoals blijkt uit 1 Koningen 8:18 . Gij hebt welgedaan dat het in uw hart geweest is, maar Hij verbood hem zijn voornemen te volvoeren. Zoudt gij Mij een huis bouwen? Neen, dat zult gij niet, zoals dit verklaard is in de parallelplaats, 1 Kronieken 17:4. "Er is u ander werk opgelegd om te doen, dat eerst gedaan moet worden." David is een krijgsman, en hij moet Israëls grenzen uitbreiden door hun veroveringen voort te zetten. David is een lieflijke psalmdichter, en hij moet psalmen schrijven ten gebruike van de tempeldienst als de tempel gebouwd is, en de afdelingen van de Levieten regelen en vaststellen, het talent van zijn zoon is beter geschikt voor het bouwen van het huis, en hij zal een beter gevulde schatkist hebben om er de onkosten van te bestrijden, laat dit werk dus voor hem weggelegd zijn. Een iegelijk, gelijk hij gave ontvangen heeft, alzo bediene hij dezelve.
Het bouwen van een tempel moest een werk van tijd wezen, en er moeten toebereidselen voor worden gemaakt, maar het was een zaak waarvan tevoren nooit gesproken is. God zegt hem:
1. Dat er totnutoe geen huis voor Hem gebouwd was, vers 6, een tabernakel heeft totnutoe volstaan voor de openbaren eredienst en kan er nog wel enige tijd langer voor gebruikt worden. God hecht geen waarde aan uitwendige pracht in Zijn eredienst, Zijn tegenwoordigheid was even gewis met Zijn volk toen de ark in een tent was, als toen zij in een tempel was. David was er ontevreden over, dat de ark zich tussen gordijnen bevond (een geringe, beweeglijke woonstede) maar God heeft er nooit over geklaagd, nooit te kennen gegeven dat Zijn tegenwoordige woning Hem mishaagde. Hij woonde niet, maar wandelde, en toch was Hij moede noch mat. Christus heeft, evenals de ark, toen Hij op aarde was, in een tent gewandeld, want Hij ging het land door goed doende, en woonde niet in een eigen huis, totdat Hij opgevaren is in de hoogte naar de woningen hierboven in het huis Zijns Vaders, en daar zat Hij neer. Evenals de ark, is de kerk in deze wereld omwandelend, zij woont in een tent, omdat haar tegenwoordige staat zowel herderlijk als strijdend is, haar blijvende stad is in de toekomst. In zijn psalmen noemt David de tabernakel dikwijls een tempel, zoals in Psalm 5:8, 27:4, 29:9, Psalm 65:5, 128:2, omdat hij beantwoordde aan het doel van een tempel, hoewel hij slechts van gordijnen was vervaardigd, wijze en Godvruchtige mensen hechten geen waarde aan de uitwendige vorm, als zij het wezen hebben. David heeft misschien meer ware Godsvrucht gehad en lieflijker gemeenschap geoefend met God in een huis van gordijnen, dan iemand van zijn opvolgers in het cederen huis.
2. Dat Hij nooit orders of aanwijzingen heeft gegeven, ja zelfs niet de minste wenk aan een van de scepters van Israël, dat is: aan een van de richteren, I Kronieken 17:6 (want heersers worden "scepters" genoemd, Ezechiël 19:14, en de grote heerser wordt aldus genoemd, Numeri 24:17), betreffende het bouwen van een tempel, vers 7. Alleen die aanbidding is welbehaaglijk, die ingesteld is, waarom zou David dan iets voornemen te doen, dat God nooit bevolen of verordend heeft? Laat hem wachten op een opdracht, en het dan doen. Beter is een tent, die God verordineerd heeft, dan een tempel van eigen vinding, eigen willen en bedoelen.
II. David wordt herinnerd aan de grote dingen, die God voor hem gedaan heeft, om hem te laten weten dat hij een gunstgenoot des hemels is, hoewel hem de gunst niet wordt toegestaan om in deze dienst gebruikt te worden, alsmede dat God hem niets verschuldigd was voor zijn goede bedoelingen, maar dat, wat hij ook mocht doen tot Gods eer, God hem toch voor was, vers 8, 9.
1. Hij had hem opgeheven uit een zeer geringe, nederige staat, Hij heeft hem genomen van de schaapskooi. Het is goed voor hen, die tot hoog aanzien zijn gekomen, om dikwijls herinnerd te worden aan hun klein begin, opdat zij altijd nederig en dankbaar zijn.
2. Hij had hem voorspoedig gemaakt en de overwinning gegeven over zijn vijanden, vers 9. "Ik ben met u geweest overal, waar gij gegaan zijt, om u te beschermen als gij vervolgd werdt, en u voorspoedig te maken als gij vervolgdet, Ik heb al uw vijanden uitgeroeid, die u in de weg stonden voor uw bevordering en bevestiging."
3. Hij had hem gekroond, niet slechts met macht en heerschappij over Israël, maar met eer en roem onder de omwonende volken. Ik heb u een grote naam gemaakt. Hij is vermaard geworden om zijn moed zijn beleid en grote krijgsverrichtingen, er werd meer gesproken van hem dan van een van de andere grote mannen van zijn tijd. Zij, die een grote naam hebben, hebben grote redenen om er dankbaar voor te wezen, en zij kunnen er voor goede doeleinden een goed gebruik van maken, maar die hem niet hebben, hebben geen reden om hem te begeren, of er naar te streven, een goede naam is meer begeerlijk. Een mens kan onbekend door de wereld gaan, en toch veel lieflijkheid en genot smaken.
III. Aan Gods Israël wordt een gelukkige vestiging beloofd, vers 10, 11. Dit komt in een tussenzin, voor de beloften gedaan aan David zelf, om hem te doen verstaan dat hetgeen God voornemens was voor hem te doen, om Israëls wil was, opdat zij gelukkig zouden zijn onder zijn bestuur, en om hem de voldoening te geven vrede te voorzien voor Israël, toen hem beloofd was dat hij "zijn kindskinderen zal zien," Psalm 128:6. Een goed koning kan zich niet gelukkig vinden als zijn koninkrijk het niet is. De beloften, die volgen, hebben betrekking op zijn geslacht en zijn nakomelingen, die dus spreken van de vestiging van Israël, bedoelen het geluk van zijn eigen regering. Er worden twee dingen beloofd.
1. Een rustige plaats, Ik heb voor Mijn volk, voor Israël, een plaats besteld. Zij was lang tevoren besteld en bepaald, doch zij werden teleurgesteld, maar nu zal hun die teleurstelling vergoed worden. Kanaän zal ontwijfelbaar het hunne zijn, zonder enigerlei verdrijving of overlast.
2. Het rustig bezit van die plaats: de kinderen van de verkeerdheid, bedoelende inzonderheid de Filistijnen, die zolang een kwelling voor hen geweest waren, zullen hen niet meer verdrukken, maar zoals van die dag af dat Ik geboden heb richters te wezen over Mijn volk Israël heb Ik u rust gegeven van al uw vijanden, aldus kan vers 11 gelezen worden, dat is: Ik zal die rust doen voortduren en haar volkomen maken, het land zal rusten van de krijg, zoals onder de richters."
IV. Er worden zegeningen vastgesteld voor het geslacht en de nakomelingen van David. David had voorgenomen Gode een huis te bouwen, en ter vergelding hiervoor belooft God zijn huis te bouwen, vers 11. Voor al wat wij doen voor God, of in oprechtheid voornemen voor Hem te doen, zullen wij, al worden wij door Gods voorzienigheid ook verhinderd om ons voornemen ten uitvoer te brengen, ons loon geenszins verliezen. Hij had beloofd hem een naam te maken, vers 9, hier belooft Hij hem een huis te maken, dat die naam zal ophouden. Het zal voor David, zolang als hij leefde, een voldoening geweest zijn, om de onaantastbare verzekerdheid te hebben van een Goddelijke belofte, dat zijn geslacht bloeien zal als hij heengegaan zal zijn. Na de zaligheid van onze ziel en het welzijn van de kerk, zullen wij het geluk en de voorspoed begeren van ons zaad dat zij, die uit ons voorkomen, God zullen loven op de aarde als wij Hem loven in de hemel.
1. Sommigen van deze beloften hebben betrekking op Salomo, zijn onmiddellijke opvolger, en op de koninklijke lijn van Juda.
A. Dat God hem bevorderen zal op de troon. Deze woorden: Wanneer uw dagen zullen vervuld zijn, en gij met uw vaderen zult ontslapen zijn, geven te kennen dat David zelf in vrede ten grave zal dalen, dan zal Ik uw zaad na u doen opstaan. Deze gunst was zoveel groter, omdat het meer was dan God voor Mozes gedaan had, of voor Jozua, of voor een van de richteren, die Hij geroepen had om Zijn volk te weiden. Davids regering was de eerste, die erfelijk was, want de belofte gedaan aan Christus van het koninkrijk, moest Zijn geestelijk zaad bereiken, indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen.
B. Dat Hij hem op de troon zal bevestigen, Ik zal zijn koninkrijk bevestigen, vers 12, de stoel zijns koninkrijks, vers 13. Zijn recht zal duidelijk en onbetwistbaar zijn, zijn invloed bevestigd worden, en zijn bestuur onafgebroken wezen.
C. Dat Hij hem gebruiken zal voor het goede werk van de tempel te bouwen, terwijl David alleen het genoegen had van het te hebben voorgenomen. Die zal Mijn naam een huis bouwen, vers 13. Het werk zal geschieden, ofschoon David het niet doen zal.
D. Dat Hij hem in het verbond van de aanneming zal opnemen, vers 14, 15. Ik zal hem zijn tot een vader, en hij zal Mij zijn tot een zoon. Meer hebben wij niet nodig om ons en de onzen gelukkig te maken, dan God te hebben tot een Vader voor ons en de onzen, en allen, voor wie God een Vader is, maakt Hij door Zijn genade tot Zijn kinderen, door hun de gezindheid van kinderen te geven. Indien Hij een zorgzame, tedere, milddadige Vader voor ons is, dan moeten wij gehoorzame, volgzame kinderen voor Hem zijn. De belofte spreekt hier als tot zonen.
a. Dat Zijn Vader hem, als het nodig is, zal kastijden want wat zoon is er die de vader niet kastijdt. Beproevingen zijn een artikel van het verbond, en zijn niet slechts bestaanbaar met, maar vloeien voort uit Gods vaderliefde. Als hij misdoet (en hij heeft misdaan, zoals blijkt uit 1 Koningen 11:1 ) dan zal Ik hem straffen, om hem tot berouw en bekering te brengen, maar het zal wezen met een mensenroede, zo'n roede als de mensen gebruiken, maar Ik zal niet naar de grootheid Mijner macht met hem twisten, Job 23:6. Of liever: zo'n roede, als die de mensen dragen kunnen. "Ik weet wat maaksel hij is, zal gedachtig zijn dat hij stof is, en hem met alle mogelijke tederheid en mededogen kastijden, als het nodig is, en niet meer de nodig is, het zal wezen met plagen, aanrakingen, zoals de eigenlijke betekenis is van het Hebreeuwse woord, van mensenkinderen, niet met een slag, maar met een zachte aanraking.
b. Dat Hij hem echter niet zal onterven, vers 15. Mijn goedertierenheid, ( en dat is het erfdeel van de kinderen) zal van hem niet wijken. De afval van de tien stammen van het huls Davids was hun kastijding wegens misdoen, maar de standvastige trouw van de twee andere stammen aan dat geslacht, waardoor de koninklijke waardigheid genoegzaam opgehouden kon worden, bestendigde Gods goedertierenheid jegens het geslacht van David overeenkomstig de belofte, dit geslacht werd verminderd, maar niet afgesneden, zoals het huis van Saul. Nooit heeft een ander geslacht dan dat van David de scepter over Juda gevoerd. Dat is het koninklijk verbond, hetwelk bezongen is in Psalm 89:4 en verv, als type van het verbond van de verlossing en van de genade.
2. Anderen hebben betrekking op Christus die dikwijls David en de Zone Davids genoemd wordt, die Zoon van David, op wie deze beloften wezen en in wie zij haar volkomen vervulling hebben. Hij was van het zaad Davids Handelingen 13:23. Aan Hem zal God de troon Zijns vaders Davids geven, Lukas 1:32, alle macht in hemel en op aarde, en alle macht om gericht te houden. Hij moest de Evangelietempel bouwen, een huis voor Gods naam, Zacheria 6:12-13. Die belofte: Ik zal hem tot een Vader zijn. en hij zal Mij tot een zoon zijn, is door de apostel uitdrukkelijk toegepast op Christus, Hebreeën 1:5. Maar de bevestiging van zijn huis en zijn troon en zijn koninkrijk tot in eeuwigheid, vers 13, en wederom, en ten derden male vers 16 tot in eeuwigheid kan op niemand anders toegepast worden dan op Christus en Zijn koninkrijk. Davids huis en koninkrijk zijn reeds lang tot een einde gekomen, alleen het koninkrijk van de Messias is tot in eeuwigheid en van de grootheid van deze heerschappij en des vredes zal geen einde zijn. De onderstelling van misdoen kan voorzeker niet toegepast worden op Christus, de Messias zelf, maar het is toepasselijk (en dat wel zeer troostrijk) op Zijn geestelijk zaad, ware gelovigen hebben hun gebreken, voor welke zij kunnen verwachten. gekastijd te worden, maar zij zullen niet worden verstoten. Iedere overtreding in het verbond zal ons niet uit het verbond werpen.
a. Deze boodschap nu heeft Nathan getrouw aan David overgeleverd, vers 17. Hoewel hij door hem te verbieden de tempel te bouwen, in tegenspraak was met zijn eigen woorden, was hij toch niet traag of onwillig om het te doen, toen hij beter omtrent de wil Gods was ingelicht.
b. Deze beloften heeft God getrouw ter bestemder tijd aan David en zijn zaad vervuld. Hoewel David zijn voornemen om Gods huis te bouwen niet heeft volvoerd, is God toch niet achtergebleven om Zijn belofte te vervullen van hem een huis te bouwen. Dat is de geest van het verbond met ons: hoewel er veel tekortkomingen zijn van onze zijde in het vervullen, is er geen van Gods zijde.