Jesaja 51:17-23
Nadat God opgewaakt is tot vertroosting van de Zijnen, roept hij hen hier op om op te waken, gelijk straks in Hoofdstuk 52:1. Het is een oproeping aan hen, niet zozeer om te ontwaken uit de slaap van de zonde ofschoon ook dat nodig is voor de toebereiding tot verlossing, als wel uit de slaap van wanhoop. Toen de inwoners van Jeruzalem in gevangenschap waren werden zij, zowel als degenen die in het land bleven, zo overstelpt door het gevoel van hun ongelukken, dat zij geen hart of zie hadden om over iets te denken dat tot verlichting of verzachting van hun toestand dienen kon. Zij waren als de discipelen in de hof, zij sliepen van droefheid, Lukas 22:45, en daarom werd van hen gezegd dat toen de verlossing kwam, zij waren gelijk die droomden, Psalm 126:1. Ja, het is een oproeping om te ontwaken niet alleen uit de slaap, maar uit de dood, gelijk de dorre doodsbeenderen in de vallei, Ezechiël 37:9. Waak op en zie rondom u, opdat gij bemerken moogt dat de dag van uw verlossing rijst, en maak u gereed om die te verwelkomen, verzamel uw zinnen, zink niet neer onder uw last, sta op en beheers u tot uw eigen hulp. Dit kan toegepast worden op het Jeruzalem uit de tijd van de apostelen waarvan gezegd wordt dat het in dienstbaarheid is met zijn kinderen, Galaten 4:25 en dat het bevangen is door een geest van sluimering Romeinen 11:8. Dat wordt opgeroepen om de dingen te bedenken die tot zijn eeuwige vrede dienen. Dan zal de beker van de bezoeking hun van de handen genomen worden en er zal tot hen van vrede gesproken worden. Zo zullen zij zegevieren over Satan, die hun de ogen verblind en hen in slaap gesust had.
I. Nu wordt hier erkend dat Jeruzalem sedert lang in beklagenswaardige toestand geweest is en in diepte van ellende gezonken is.
1. Zij heeft lang onder de tekenen van Gods ongenoegen gelegen, Hij heeft haar de beker van zijn wraak op de hand gezet, dat is: haar aandeel in zijn kastijdingen gegeven. De beschikkingen van de goddelijke voorzienigheid over haar waren zulke geweest als zij reden had te verwachten nu Hij toornig op haar was. Zij had hem zo scherp mogelijk tot toorn verwekt en moest daar nu de bittere gevolgen van ondervinden. De beker van Gods grimmigheid zal een beker van beroering zijn voor allen wie hij in handen gegeven wordt. Dat zullen de verloren zondaren tot in eeuwigheid ondervinden. In Psalm 75:8 wordt gezegd dat de droesem van die beker, het bitterste bezinksel op de bodem, door alle goddelozen van de aarde al zuigende zal opgedronken worden. Maar nu heeft Jeruzalem zich gelijk gemaakt aan die goddelozen van de aarde en dus genoodzaakt om de droesem van de zwijmeling te drinken. Allen die gelijk Jeruzalem een beker van dronkenschap door afgoderij geledigd hebben, zullen vroeg of laat een beker van grimmigheid en zwijmeling te drinken krijgen. Daarom: vreest geduriglijk en zondigt niet.
2. Zij, die haar in haar droefheid moesten helpen, kwamen daarin tekort, zij waren of onmachtig of onwillig om haar bijstand te bieden, zoals te verwachten was, vers 18. Zij werd dronken gemaakt door de beker van Gods grimmigheid, en nu nog geldt zij, is ongestadig in haar plannen en pogingen, zij weet niet wat zij zegt of doet, nog minder wat zij zeggen of doen moet. En in deze ongelukkige toestand is er geen van haar zonen, die zij gebaard en grootgebracht heeft, om haar te begeleiden, om haar bij de hand te grijpen en haar voor vallen of voor schande te bewaren, geen om haar uit haar ellende te verlossen of een woord van vertroosting toe te spreken. En toch waren onder haar zonen beroemde mannen want van Zion werd gezegd: "Deze en die is aldaar geboren," Psalm 87:5. Het moet ons niet vreemd voorkomen indien wijze en goede ouders teleurgesteld worden in hun kinderen en van deze niet die steun genieten, die zij zouden verwachten. Maar deze bestemd om pijlen in haar hand te zijn, waren pijlen in haar hart, want Jeruzalem had geen van haar zonen geen Koning, priester of profeet, die zoveel plichtgevoel of dankbaarheid bezat, om haar te helpen nu zij die hulp het meest behoefde. Zo beklaagt zij zich in Psalm 74:9:"Er is niemand die ons zegt hoe lang!"
Hetgeen nu deze teleurstelling nog verzwaarde was:
1. Dat haar ongeluk zeer groot was en er niemand was om medelijden met haar te hebben of haar te helpen. Deze twee dingen zijn u overkomen, vers 19, om uw ellende en verwoesting te vergroten, de honger en het zwaard, twee zware en zeer verschrikkelijke bezoekingen. Of de beide dingen waren de verlatenheid en verwoesting van de stad, en de honger en het zwaard, waardoor de inwoners omkwamen. Of wellicht de bezoeking zelf die samengesteld was uit verlatenheid, verwoesting honger en zwaard, en haar hulpeloosheid, verlorenheid en troostloosheid daaronder. Twee treurige dingen inderdaad: in deze ellendige toestand te verkeren en niemand te hebben die medelijden betoont, die met haar gevoelt in haar lijden, of helpt om de last van de zorgen te dragen, of iets te doen om de smart te verlichten. Of deze twee dingen die nu over Jeruzalem gekomen zijn, waren dezelfde die gezegd worden later Babel te zullen treffen, Hoofdstuk 47:9, weduwschap en kinderloosheid, twee treurige dingen. En toch, wanneer gij ze door uw eigen zonde en dwaasheid over u gebracht hebt, wie zal u de daarom beklagen? Het zijn dingen die om vertroosting roepen, maar indien gij afkerig blijft onder uw leed, murmureert en uzelf onrustig maakt, door wie zal Ik u dan vertroosten? Die niet naar raad luisteren willen, zijn niet te helpen.
2. Zij die haar hadden moeten helpen, waren zelf haar pijnigers. Uw kinderen zijn in bezwijming gevallen, vers 20. Zij liggen als ontzield, tot wanhoop gedreven, zij hebben geen geduld om hun zielen te bezitten, geen vertrouwen op God of blijdschap in Hem en Zijn beloften om troost daaruit te putten. "Zij liggen vooraan op alle straten te verteren in hun ellende, aanschouwd door allen die voorbijgaan," Klaagliederen 1:12, wegstervend door gebrek aan het nodige voedsel. Zij liggen daar gelijk een wilde os in het net, woelend en worstelend tevergeefs pogend zichzelf er uit te helpen, maar daardoor zich al meer en meer vastwerkende en door hun eigen hartstochten hun lot al erger en erger makende. Zij die een zachte rustige geest hebben zijn onder beproevingen gelijk een duif in het net, zij treuren maar in stilte en geduldig. Zij, die wrevelig en weerstrevig van aard zijn, gedragen zich als een wilde stier in het net, ongemakkelijk voor zichzelf, beledigend voor hun vrienden, in opstand tegen God. Zij zijn vol van de grimmigheid des Heeren en van het schelden Gods. God is toornig op hen en twist met hen, en zij zijn alleen daarvan vol en nemen geen nota van Zijn wijze en genadige bedoelingen in Zijn bedroeven van hen. Zij vragen niet waarom Hij met hen twist, en daarom zien wij niets anders dan Zijn toorn en vertonen ook niets anders. Zij zijn ontevreden op God om de beschikkingen van Zijn voorzienigheid over hen, en daardoor maken zij het kwaad slechts erger. Dit was lange tijd het geval van Jeruzalem geweest en God nam er kennis van.
3. Maar hier wordt beloofd dat er eindelijk een einde zal komen aan de beproevingen van Jeruzalem, en dat die op haar vervolgers zullen overgebracht worden, vers 21. Daarom, hoor nu dit, gij bedrukte. Het is dikwijls het lot van Gods kerk, verdrukt te worden en in dat geval heeft God haar altijd iets te zeggen, en zij zal wel doen indien zij daarnaar luistert. Gij zijt dronken, maar niet gelijk vroeger van wijn, ook niet door de bedwelmenden beker van Babel, hoererijen en afgoderijen, maar door de beker van de beproeving. Zo weet dan tot uw troost: A. Dat de Heere Jahweh is uw Heere en uw God, niettegenstaande dit alles. Het wordt in vers 22 op de tederste wijze gezegd: Alzo zegt uw Heere, de Heere, en uw God, de Heere, die machtig is u te helpen en u verlichting schenken kan, en die dat niet nalaten zal, uw Verbondsgod, die Zijn betrekking tot u niet verloochenen zal, en die nu bezig is u gelukkig te maken. Welke droefenissen Gods volk ook mogen overkomen, Hij zal Zijn betrekking tot hen niet verloochenen, en hen hun belang bij Hem en Zijn beloften niet doen verliezen.
B. Dat de Heere de zaak van Zijn volk twisten zal, als hun meester en beschermer, die hetgeen hun aangedaan wordt beschouwt als Hemzelf aangedaan. De zaak van Gods volk en van de heilige godsdienst, die zij belijden, is een rechtvaardige zaak, anders zou een rechtvaardig God die niet handhaven. Die zaak moge voor een tijd onder de voet geraken en schijnen verloren te zijn, maar God zal haar twisten, hetzij door de gewetens te overtuigen, of door de misdadige plannen, die tegen haar gesmeed worden, te verstoren. Hij zal haar twisten door haar zuiverheid en voortreffelijkheid aan de wereld te tonen en door voorspoed te geven aan hen, die haar verdedigen. Het is Zijn eigen zaak en daarom zal Hij haar met ijver verdedigen.
C. Dat zij binnenkort hun moeiten zullen vaarwel zeggen en er voor goed afscheid van nemen. Ik neem de beker van de zwijmeling van uw hand, die bittere beker zal verder van u voorbijgaan. Wij kunnen de beker van de zwijmeling niet uit handen werpen, het baat niet of wij al zeggen: Wij kunnen die niet drinken, maar indien wij ons geduldig er aan onderwerpen, zal Hij, die hem op de hand gezet heeft, zelf hem ons van de hand nemen. Zelfs wordt er beloofd: Gij zult die niet meer drinken. God heeft Zijn twist met ons geëindigd en zal niet het oordeel herhalen.
D. Dat hun vervolgers en verdrukkers gedwongen zullen worden die te drinken, diezelfde bittere beker, waaruit zij zoveel moesten drinken, vers 23. Zie hier
a. Hoe schandelijk zij het volk Gods vernederd en vertrapt hebben. Zij hebben tot uw ziel-tot u, tot uw leven-gezegd: Buig u neer dat wij over u gaan. Ja, zij hebben dat zelfs gezegd tot uw geweten door u te dwingen om tot hun vermaak en tijdverdrijf de afgoden te aanbidden. Hierin treedt het Babel van het nieuwe testament in de voetstappen van het eerste, zij tiranniseert de gewetens van de mensen, geeft hun allerlei wetten, brengt hen op de pijnbank, en dwingt hen tot zondige handelingen. Zij die een onfeilbaar hoofd en rechter aanstellen en in hun verordeningen onbeperkt geloof en aan hun bevelen onvoorwaardelijke gehoorzaamheid eisen zeggen in werkelijkheid tot de mensen: Buigt u neer, opdat wij over u mogen gaan, en zij zeggen dat met genoegen.
b. En hoe jammerlijk heeft het volk van God, dat door zijn zonden veel van zijn moed en eergevoel verloren had, aan dat bevel voldaan. Gij legde uw rug neer als aarde en als een straat voor degenen, die daarover gaan. De onderdrukkers eisen dat de zielen aan hen onderworpen zullen worden, opdat ieder zou geloven en aanbidden zoals zij dat voorschrijven. Maar al wat zij door hun bedreigingen en geweld konden verkrijgen was, dat de mensen hun rug neerleggen op de grond, zij brachten hen tot een uitwendige en gehuichelde eenvormigheid, want het geweten kan niet gedwongen worden, ofschoon niet tot hun lof vermeld wordt dat zij zich zo diep onderwierpen.
c. Maar merk op hoe rechtvaardig God afrekenen zal met hen die zich zo heerszuchtig jegens Zijn volk gedragen hebben, de drinkbeker van de zwijmeling zal hun op de hand gezet worden, Babels toestand zal even slecht worden als die van Jeruzalem geweest is. Daniëls vervolgers zullen in de leeuwekuil geworpen worden, dan kunnen zij zelf ondervinden hoe hun dat bevalt. En de Heere wordt door Zijn oordelen gekend.