25. Deze allegorische verwantschap tussen de stichting van het verbond en de dienstmaagd van Abraham wordt ook bevestigd door de naam, die zij van beide kanten dragen. Want dit, namelijk Agar is Sina, een berg in Arabië; onder dat woord verstaat men die berg en nu komt wel niet de berg, die zo genoemd wordt, maar wel de daar opgerichte Agar-stichting overeen met Jeruzalem, dat nu is en, nog altijd als in de tijd, toen die inzetting met alle recht bestond, dienstbaar is met haar kinderen, de ongelovig gebleven Joden (
Lukas 13:34). Paulus past hier in geestvolle allegorie de tegenstelling van Hagar en Ismaël aan de ene, van Sara en Izaäk aan de andere kant toe op die van het Oude en Nieuwe verbond, of van de wet en van het evangelie, terwijl hij het karakteristiek vindt dat de wet in Arabië, het land van Ismaël werd gegeven, maar hij zelf vroeger (
Hoofdstuk 1:17) in stille afzondering de strijd had doorgestreden tussen gerechtigheid van de wet en gerechtigheid van het geloof en waar zich voor het inwendig oog van zijn levende geest deze grote tegenstelling in de plastische vormen van de eerste geschiedenis had belichaamd (vgl.
Romeinen 9:6). Aan de ene kant, zegt hij nu, staat de slavin en haar zoon, geboren door vleselijke kracht alleen, aan de andere de vrije en haar zoon in de kracht van de belofte, van de genade, van de Geest geboren. Zo moest in Abrahams familie zelf de tegenstelling duidelijk worden, die zich later in het leven van het volk in grote historische gebeurtenissen uitdrukt. De wet heeft een Hagar-Ismaëlistisch karakter, want zij kan geen zaligheid bewerken, maar houdt integendeel de mens gekluisterd in dienstbaarheid en in banden van het vlees en van wereldzin, zoals dat blijkt in het tegenwoordige Jeruzalem met zijn kinderen, de Joden, die alleen aan de wet zich vasthouden. De genade daarentegen brengt, evenals de Sara, die in de kracht van de belofte op wonderbare manier opnieuw levend gemaakt is, in de hemels vrije en vrijmakende kracht van de Geest, wier bakermat het Jeruzalem van boven is, iets nieuws en vrij's, voornamelijk geestelijk-levende kinderen en dragers van de zaligheid.
Het begin van dit vers wordt in sommige handschriften anders gelezen. Niet weinige en wel zeer belangrijke laten het woord "Agar" weg en dan is de zin van de woorden: "want de berg Sinaï is (ligt) in Arabië (het land van degenen, die Agars nakomelingen zijn). Het is natuurlijk, dat dit geen onderrichting van de lezers kan zijn over de ligging van de Sinaï. Deze kenden zij reeds vanzelf, maar wel was het een herinnering aan die ligging. Deze moest de Galaten doen voelen hoe de wetgeving nog geheel buiten de omtrek van het heilige land, nog op het gebied van de kinderen van Hagar (Genesis 21:21; 25:12 v.) had plaats gehad, hoe die dus voltrekt niet de kinderen van Israël reeds hun rechtmatige erfenis had aangebracht, maar de wet, op de Sinaï van Arabië gegeven, overeenkomstig de aard van het land slechts de stempel van dienstknechten op hen had kunnen drukken, terwijl eerst op een andere plaats de zaligheid zich zou openbaren, want uit Zion, zo kondigt het profetisch woord aan, zou de schone glans van God aanbreken (Psalm 14:7; 52:2. Jesaja 2:3; 46:13). Wij vinden verder geen bewijzen dat de Sinaï bij de Arabieren de naam Hagar heeft gedragen; maar het is toch zeer mogelijk, dat zij ter ere van de stammoeder van hun geslacht die grote berg haar naam hebben gegeven en wel te meer, omdat de naam Hagar, die "de vluchteling" betekent (Genesis 16:1 en 6), wat de klank aangaat, zeer verwant is met een ander woord van de Arabische taal (Chagar), dat zoveel als "rots" is. Bij de laatste woorden "en komt overeen met Jeruzalem, dat nu is en dienstbaar is met haar kinderen", moeten wij niet zozeer denken aan de berg Sinaï zelf, maar aan de wetgeving. De zin is dan deze, dat dit verbond nog altijd van kracht is en het recht van legitimiteit vasthoudt in het tegenwoordige Jeruzalem, d. i. in dat Jeruzalem, welks kinderen Christus zo vaak reeds en op velerlei wijzen heeft willen vergaderen, zoals een hen haar kuikens vergadert onder haar vleugels, maar deze kinderen hebben niet gewild; zij blijven liever in de dienstbaarheid van de wet. Op deze manier strekt zich die inzetting, van welke gelijkenis Hagar is, verder uit, dan het volgens van God wil moest zijn. Zeker geschiedde het onder goddelijke toelating, dat gedurende de 14-15 jaren, die tussen de geboorte van Ismaël en Izaäk zijn verlopen, de eerste door Abraham, vroeger voor zijn zoon en erfgenaam werd gehouden (Genesis 17:18). Zo is voor de tijd van 14-1500 jaren tussen Mozes en Christus een lichamelijke nakomelingschap van het vroegere zaad van Abraham en van het verbond van de wet dat geweest, wat voor de erfenis bestemd scheen te zijn (Leviticus 18:5). Maar evenals van te voren, toen Izaäk reeds gespeend was, tot Abraham het woord geschiedde (Genesis 21:12): "in Izaäk zal uw zaad genoemd worden" en dat de dienstmaagd en haar zoon zich voortaan beneden de rechtmatige erfgenaam moesten plaatsen, als zij in het huis wilden blijven en de goederen mede genieten, zo moet nu, nadat Christus verschenen en om zo te spreken zelfstandig geworden is, in een door Hemzelf gestichte kerk, die allen zonder onderscheid in zich opneemt, die van Abrahams geloof en dus zijn geestelijke kinderen zijn, de heidenen zowel als de Joden (Romeinen 4:9), de wet met haar uitspraken terugtreden. De kinderen van de wet moeten zich aan de nieuwe bepaling onderwerpen, die Petrus in Handelingen 15:11 zo heeft geformuleerd: "Wij geloven door de genade van de Heere Jezus Christus zalig te worden, zoals ook zij. " Als zij dat niet willen, maar zich integendeel vermeten Sara met haar Zoon te bespotten, d. i. Christus en Zijn kerk ie versmaden, te verdrukken, te vervolgen of te schenden, dan zal het oordeel over hen worden uitgesproken (Genesis 21:8): "drijf de dienstmaagd uit met haar zoon. " Op dit punt komt Paulus later in Vers 29 terug. Voor het ogenblik komt het er op aan in het tegenwoordige Jeruzalem een Hagar te laten zien, die over de gezetten tijd zich in het huis van God op de eerste plaats stelt, in plaats van voor de Christelijke kerk het haar toekomend standpunt in te ruimen en in Jeruzalems kinderen een Ismaëls vereniging te laten zien, die zich inbeeldt, dat zij nooit iemands dienstknecht was geweest, terwijl zij toch nog nooit eens echt vrij was geworden en juist nu men kon vrij worden door Hem, die echt vrij maakt (Johannes 8:31, zich stootte en des te fanatieker in het oude wezen van de wet zich verschanste en daardoor des te duidelijker haar slaafse zin en staat openbaarde. Zo komen wij, in overeenstemming met Auberlen in de vroeger door hem medegedeelde uitspraak, tot een andere opvatting over het Jeruzalem, "dat nu is", dan bijna alle andere uitleggers voordragen, die bij hun verklaring zich laten leiden door "het Jeruzalem, dat boven is" in Vers 26 Wij moeten eer voor ogen houden, dat Paulus omstreeks pinksteren van het jaar 54, tegen welks einde hij de brief aan de Galaten schreef, die reis naar Jeruzalem, in Handelingen 18:22 genoemd, gemaakt had en daar opnieuw de verstoktheid van Israël en de toenemende achteruitgang had ondervonden en verder, dat uit Jeruzalem de Judaïsten in de Christelijke gemeente reeds te Antiochië zo'n verklaring als in Hoofdstuk 2:11, is meegedeeld, veroorzaakt hadden en nu zelfs de gemeenten in Galatië, die toch zijn bijzondere stichting waren en hun niets aangingen, op zo treurige manier op een dwaalspoor hadden geleid. Nu blijkt het dan vanzelf, als hij, bij gelegenheid van zijn allegorische verklaring van de plaats in Genesis, ook het Jeruzalem, dat nu is en de kinderen daarvan in het licht van die geschiedenis plaatst, evenals hij in Romeinen 11:28 aan zijn bedrukt hart lucht geeft met de woorden: "zo zijn zij (de Joden) wel vijanden omwille van u. "