Jesaja 50:4-9
Onze Heere Jezus heeft aangetoond dat Hij machtig is om te redden, hier toont Hij zich daartoe even gewillig als machtig. Wij veronderstellen dat Jesaja in deze verzen een en ander over zichzelf zei om zich te verbinden en aan te moediger om voort te gaan in zijn werk van profeet, niettegenstaande de vele bezwaren, die hij ontmoette, niet twijfelende of God zou hem bijstaan en sterken. Maar gelijk David dikwijls van zichzelf spreekt als type van Christus, zo ook Jesaja, zodat de profetie spreekt van de beloofden Zaligmaker.
I. Hij is een aannemenswaardig prediker, vers 4. Jesaja, als profeet, was gemachtigd tot het werk, waartoe hij was geroepen, evenals de andere profeten van God en anderen die Hij als boodschappers gebruikte, maar Christus was gezalfd met de Geest boven Zijn medegenoten. Om de mens Gods volmaakt te doen zijn heeft Hij hem gegeven:
1. Een tong van de geleerden, om hem instaat te stellen om onderricht te geven, een woord op zijn tijd te spreken tot de vermoeiden. God, die de mond des mensen maakte, gaf Mozes een tong van de geleerden om te spreken tot schrik en overtuiging van Farao, Exodus 4:11, 12. Hij gaf Christus een tong van de geleerden om een woord op zich tijd te spreken ter vertroosting van hen die vermoeid zijn en beladen met de last van de zonden. Mattheus 11, 28. Genade was op Zijn lippen uitgestort en er wordt van gezegd dat zij drupten als honingzeem. Het beste wat Gods dienaren moeten leren is, hoe verontruste gewetens te vertroosten, en beslist, eenvoudig en duidelijk te spreken naar de verscheidene behoeften van arme zielen. Bekwaamheid daartoe is een gave Gods, en een van Zijn beste gaven, welke wij ernstig begeren moeten. En laat ons zelf rust vinden in de vele troostwoorden, die Christus tot de vermoeiden gesproken heeft.
2. Een oor van de geleerden, om onderricht te ontvangen. En profeten hebben daaraan evenzeer behoefte als aan een tong van de geleerden, want zij moeten overleveren hetgeen hen geleerd is, en niets anders, zij moeten zo vlijtig en aandachtig mogelijk naar Gods Woord horen, opdat zij het nauwkeurig spreken kunnen. Ezechiël 3:17. Christus zelf ontving opdat Hij mocht geven. Niemand moet het ondernemen leraar te zijn, die niet eerst leerling geweest is De apostelen van Christus waren eerst discipelen en "werden schriftgeleerden onderwezen in het koninkrijk van de hemelen," Mattheus 13:42. Het is ook niet genoeg te horen, maar wij moeten horen als geleerden, of verstandigen, horen en verstaan, horen als degenen, die willen leren door hetgeen zij horen. Zij, die willen horen als degenen die geleerd worden, moeten wakker en waakzaam zijn, want van nature zijn we lui en slaperig en geheel onbekwaam om te horen, of wij horen slechts de helft, horen zonder er acht op te slaan. Ons oor moet gewekt worden, er is iemand nodig om ons wakker te maken, ons op te wekken uit onze geestelijke slaap, opdat wij mogen horen om onzes levens wil. Onze toestand vereist gedurig nieuwe voorziening van genade, om ons te bevrijden van de loomheid, die ons dagelijks overvalt. Daarom moeten wij elke morgen gewekt worden, zo regelmatig als de dag weerkeert, om gewekt te worden tot het werk van elke dag op zich dag. De morgen, wanneer onze zintuigen en geestvermogens het helderst zijn, is de aangewezen tijd voor omgang met God, dan zijn wij in de beste plooi om met Hem te spreken, gij zult "mijn stem horen in de morgen, en om Hem te horen spreken-het volk kwam des morgens vroeg in de tempel om Christus te horen." Lukas 21:38. Want het schijnt dat Hij voornamelijk des morgens leerde, en God wekt ons elke morgen. Zij die iets doen in zijn dienst, komen als de Meester hen roept en we zouden allen voortdurend sluimeren, indien Hij ons niet elken morgen wekte. II. Als een geduldig lijder, vers 5, 6. Men zou verwachten dat hij, die gezonden en instaat gesteld werd om de treurigen vertroosten, in dit werk geen moeilijkheid zou ondervinden, maar door allen aangenomen worden. Maar het ging geheel anders, hij had niet alleen zwaar werk te doen, maar ook harde behandeling te verduren en hier deelt hij ons mee met welke ongeschokte volharding hij dat alles doormaakte. Wij hebben geen reden om er aan te twijfelen of de profeet Jesaja standvastig bleef in het werk, dat God hem te doen gegeven had, maar wij lezen niet dat hij ooit zulke harde behandelingen heeft moeten ondergaan als waarvan hier gesproken wordt. Doch wij weten dat onze Heere Jezus ze in ruime mate onderging. En hier hebben wij:
1. Zijn geduldige gehoorzaamheid in de uitvoering van Zijn werk. De Heere God heeft niet alleen mij het oor gewekt om te horen wat Hij zegt, maar Hij heeft mij het oor geopend, om hetgeen Hij zegt te ontvangen en er eenswillend mee te zijn Psalm 40:6, 7. Gij heb! mij het oor geopend, toen zei ik zie ik kom. Want als hij er bijvoegt: Ik ben niet weerspannig en wijk niet achterwaarts, ligt daarin meer opgesloten dan er uitgedrukt wordt. Hij was gewillig ofschoon hij veel moeite en ontmoediging voorzag, ofschoon hij smarten zou ondergaan en knecht zou moeten worden, ofschoon hij zich te ontledigen had van al wat groot was en zich ten diepste vernederen moest. Toch ontvlood hij het niet, gaf het niet op, werd niet ontmoedigd. Vrijwillig en zonder aarzelen ging hij voort met zijn werk, ook toen hij aan het moeilijkste gedeelte kwam. Zowel bereidvaardigheid en genegenheid voor het werk en de dienst van God, als een goed verstand van de goddelijke waarheden, zijn genadegaven Gods.
2. Zijn gehoorzaam geduld in Zijn lijden. Ik noem het gehoorzaam geduld, omdat Hij geduldig was met het oog op de wil Zijn Vaders. Hij zei van zichzelf: Dit gebod heb Ik van Mijn Vader ontvangen, en onderwerpt zich aan God met de woorden: Niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt. In deze onderwerping gaf Hij zich over:
a. Om gegeseld te worden: Ik geef Mijn rug dengenen die Mij slaan, en dat niet alleen door het te verdragen als hij geslagen werd, maar door het toe te staan en door het op te nemen onder de smarten en schande, die Hij vrijwillig voor ons ondergaan zou.
b. Om beledigd te worden. Ik geef Mijn wangen dengenen die, niet alleen Mij kinnebakslagen geven, maar die Mij het haar van mijn baard uitplukken, hetgeen een hoger trap zowel van pijn als van verachting was.
c. Om bespuwd te worden. Mijn aangezicht verberg Ik niet voor smaadheden en speeksel. Hij had Zijn aangezicht daarvoor kunnen verbergen en had het kunnen voorkomen, maar Hij wilde dat niet. Hij was een smaad onder de mensen en dus wilde Hij beantwoorden aan Zijn type Job, die man van smarten, van wie gezegd wordt "Dat zij hem met smaadheid op het kinnebakken sloegen," Job 16:10 en "dat zij het speeksel niet van zijn aangezicht onthielden," Job 30:10, hetgeen een uitdrukking is niet alleen van verachting, maar van afschuw en verontwaardiging. Dit alles onderging Christus gewillig voor ons, om ons te overtuigen van Zijn bereidvaardigheid om ons te redden.
III. Als een moedig kampvechter, vers 7, 8. 9. De Verlosser was even bekend om Zijn moed als om Zijn nederigheid en geduld, en of schoon Hij het onderspit delfde was Hij meer dan overwinnaar. 1. Hij vertrouwde op God. Hetgeen de stem van Jesaja was, was ook de stem van Christus zelf, vers 7. De Heere Heere helpt Mij, en evenzo in vers 9. Wien God gebruikt, die zal Hij bijstaan, en Hij zal zorgdragen dat hun geen hulp ontbreekt voor het werk, waartoe zij geroepen zijn. God heeft door Zijn Zoon hulp voor ons aangebracht en helpt hem nu, en voortdurend was Zijn hand met de man van Zijn rechterhand. Niet alleen zal Hij hem helpen in zijn werk, maar Hij zal hem aannemen, vers s. Hij is nabij, die mij rechtvaardigt. Jesaja werd ongetwijfeld, evenals de andere profeten, vals beschuldigd, overladen met verwijt en laster, maar hij verachtte dat wetende dat God het verwijt afwenden en zijn rechtvaardigheid aan de dag brengen zou, misschien in deze wereld, Psalm 37:6, maar in elk geval in de grote dag, want er zal een opstanding van de namen zijn zo goed als een van de lichamen, en de gerechtigheid zal schitteren als de morgenzon. En zo is het geschied met Christus, door Zijn opstanding werd het bewezen dat Hij niet de man was, waarvoor Hij uitgemaakt werd, geen lasteraar, geen bedrieger, geen vijand van de keizer. De rechter, die Hem veroordeelde, erkende zelf dat hij geen schuld in Hem vond, de hoofdman over honderd, die Hem bij Zijn terechtstelling bewaakte, verklaarde dat Hij rechtvaardig was. Zo nabij Hem was God, die Hem rechtvaardigde. Maar het was van Hem waarheid ook in ergere zin: de Vader rechtvaardigde Hem, toen Hij de voldoening aannam, die Hij voor zondaren teweeggebracht had, en bevestigde Hem als de Heere onze gerechtigheid, die zonde voor ons gemaakt was. Hij werd gerechtvaardigd in de Geest, 1 Timotheus 3:16. Hij was hem nabij, die dat deed, want Zijn opstanding, waardoor Hij gerechtvaardigd werd, volgde onmiddellijk op Zijn veroordeling en kruisiging, Hij werd dadelijk verheerlijkt, Johannes 13:32.
2. Het vertrouwen, dat Hij daardoor verkreeg in het welgelukken van Zijn werk. Indien God mij zal helpen, dan zal Hij mij ook rechtvaardigen, mij bijstaan en er doorheen dragen. Wie zal mij verdoemen Die dat voornemen zullen hun doel niet bereiken en de voldoening niet hebben, die zij meenden te zullen bereiken. Ik weet dat ik niet zal beschaamd worden. Ofschoon zijn vijanden deden al wat zij konden om hem beschaamd te doen worden, week hij niet achterwaarts, en werd niet beschaamd over zijn werk. Werk voor God is werk, waarvoor wij ons niet behoeven te schamen, en de hoop op God is een hoop die niet beschaamt. Zij, die op God vertrouwen om hulp, zullen niet teleurgesteld worden, zij weten op wie zij vertrouwen, en weten dat zij niet te schande worden zullen.
3. De verachting, welke hij op grond van dit vertrouwen aan al zijn tegenstanders en hun pogingen toont. God helpt mij, en daarom heb ik mijn aangezicht gesteld als een keisteen. De profeet deed dit, hij was moedig in het bestraffen van zonden en het vermanen van zondaren Ezechiël 3:8, 9, en in de verzekering van de waarheid van zijn voorzeggingen. Ook Christus deed dat, Hij ging voort in Zijn werk als Middelaar met ongeschokte standvastigheid en onweerstaanbare vastberadenheid, Hij bezweek niet en werd niet ontmoedigd. En hier daagt Hij al Zijn tegenstanders uit:
a. Om tegen Hem in het krijt te treden: Wie zal met Mij twisten, hetzij door rechtsgeding of met het zwaard. Laat ons tezamen staan als strijdende, of als aanklager en beklaagde. Wie heeft een rechtzaak tegen Mij? Wie zal het bestaan een aanklacht tegen Mij in te dienen? Hij kome nader, Ik zal Mij niet onttrekken. Menigeen begon een twistgesprek met Christus, maar Hij bracht hen allen tot zwijgen. De profeet spreekt hier in naam van al Gods getrouwe dienaren, zij die zich, in het overbrengen van hun boodschap, houden aan het zuivere Woord van God behoeven niet te vrezen voor de tegenspraak, die zij ontmoeten, de Schrift zal hen doorhelpen, wie ook met hen twisten moge. De waarheid is groot en zij zal zegevieren. Christus spreekt hier in naam van al Zijn gelovigen, Hij spreekt als hun voorvechter. Wie durft de vijand zijn van hen, wier vriend Hij is? Of twisten met hen, wier zaak door Hem bepleit wordt? Zo verklaart Paulus het, Romeinen 8:33 :"Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods?"
b. Hij daagt hen uit om hem van enige misdaad te overtuigen, vers 9. Wie is het, die mij zal verdoemen? Waarschijnlijk werd de profeet ter dood veroordeeld, met Christus weten wij dat dit het geval was, en toch konden beide zeggen: Wie zal mij verdoemen Want er is geen verdoemenis voor degenen, die God rechtvaardigt. Er waren sommigen, die hen wilden verdoemen, maar wat is er van hen geworden? Zij zijn allemaal als een kleed verouderd. De rechtvaardige zaak van Christus en Zijn profeten zal alle tegenstand overleven. De mot zal hen eten, stil en onmerkbaar, een nietig schepseltje zal daarvoor voldoende zijn. Maar de brullende leeuw zelfs zal niets vermogen tegen Gods getuigen. Alle gelovigen zijn gemachtigd tot deze uitdaging: Wie zal mij verdoemen Christus is voor mij gestorven.