Mattheus 27:26-32
In deze verzen hebben wij de toebereidselen en de inleiding tot de kruisiging van onzen Heere Jezus. Hier is:
I. Het vonnis uitgesproken, en de volmacht tot volvoering er van ondertekend, en dat wel onmiddellijk, ter zelfde ure.
1. Barabbas werd losgelaten, hij, de bekende misdadiger. Indien hij niet in mededinging met Christus naar de gunst des volks was gesteld, hij zou waarschijnlijk voor zijne misdaden den dood hebben ondergaan, maar dit bleek voor hem het middel ter ontkoming om aan te duiden, dat Christus veroordeeld werd, opdat zondaren, zelfs de voornaamsten der zondaren, losgelaten zouden worden. Hij is overgeleverd, opdat wij verlost zouden worden, daar het anders de gewone weg der Goddelijke voorzienigheid is, dat de goddeloze een rantsoen is voor den rechtvaardige, Prediker 21:18, 11:18. In dit ongeëvenaard voorbeeld echter van de Goddelijke genade is de oprechte een rantsoen voor de goddelozen, de rechtvaardige voor de onrechtvaardigen.
2. Jezus werd gegeseld. Dit was een smadelijke en wrede straf, inzonderheid zoals zij bij de Romeinen in zwang was, die niet onder de matiging waren van de Joodse wet, welke geseling van meer dan veertig slagen verbood. Deze straf werd onredelijk opgelegd op iemand, die veroordeeld was te sterven, de roeden moesten de bijl niet voorafgaan, maar vervangen. Aldus is de Schrift vervuld geworden: Ploegers hebben op mijn rug geploegd, Psalm 129:
3. Ik geef mijn rug dergenen, die mij slaan, Jesaja 50:6, en door zijne striemen is ons genezing geworden. Jesaja 53:5. Hij is met geselen gekastijd, opdat wij niet voor eeuwig met schorpioenen gekastijd zullen worden. 3. Hij werd toen overgeleverd om gekruisigd te worden. Hoewel Zijne straf ons den vrede aanbracht, is er toch geen vrede gemaakt zonder het bloed des kruizes, Colossenzen 1:20, daarom is de geseling niet voldoende, Hij moet gekruisigd worden, ene soort van terdoodbrenging, alleen in gebruik bij de Romeinen. De wijze, waarop dit geschiedde, schijnt het resultaat van vernuft en wreedheid, om dien dood in de hoogste mate afschrikwekkend en pijnlijk te doen zijn. Een kruis werd in den grond geplaatst, waaraan de handen en voeten van den veroordeelde vastgenageld werden, en op deze nagelen hing de gehele zwaarte van het lichaam, totdat het stierf van pijn. Dit was de dood, waartoe Christus veroordeeld werd, opdat Hij mocht beantwoorden aan het type van de koperen slang, die op een stang werd opgericht. Het was een bloedige dood, een pijnlijke, smadelijke, gevloekte dood, het was een zo ellendige dood, dat barmhartige vorsten bevolen hebben, dat personen, die er door de wet toe veroordeeld werden, eerst geworgd moesten worden, en dan aan het kruis genageld. Zo heeft Julius Caesar dit voor enige zeerovers bevolen, Sueton, lib.
1. Constantijn de Grote, de eerste Christen-keizer, heeft door een edict deze soort van doodstraf onder de Romeinen afgeschaft, Sozomen, Hist. lib.
1. cap. 8, Opdat het symbool der verlossing niet dienstbaar werd gemaakt aan het verderf van het slachtoffer. II. De barbaarse behandeling, die Hij van de soldaten onderging gedurende de toebereidselen tot Zijne terdoodbrenging. Nadat Hij veroordeeld was, had men Hem enigen tijd behoren toe te staan om zich op den dood voor te bereiden. In den tijd van Tiberius had de Romeinse senaat, wellicht op ene klacht wegens deze en dergelijke overhaasting, ene wet uitgevaardigd, welke gebood, dat tussen de voltrekking der doodstraf aan misdadigers en het vonnis tenminste tien dagen moesten verlopen. Sueton, in Tiber. cap. 25. Maar er werden aan onzen Heere Jezus nauwelijks even zoveel minuten gegund, en zelfs gedurende deze minuten had Hij gene verademing. Het was een crisis, en er werden Hem geen heldere tussenpozen gegund, de afgrond riep tot den afgrond, en de storm bleef zonder enige tussenpoos voortwoeden. Toen Hij overgegeven was om gekruisigd te worden, was dit genoeg. Zij, die het lichaam doden, erkennen dat er niets meer is, dat zij kunnen doen, maar Christus' vijanden willen meer doen en, zo het mogelijk is, Hem duizend doden laten sterven. Hoewel Pilatus Hem onschuldig verklaarde, hebben zijne krijgsknechten, zijne gardes, er zich toe gezet Hem te mishandelen, daar de woede van het volk tegen Hem meer invloed op hen uitoefende dan het getuigenis huns meesters voor Hem. Het Joodse grauw stak de Romeinse soldaten aan. Of wellicht was het het niet zozeer uit haat tegen Hem als wel uit zucht om zich te vermaken, dat zij Hem aldus mishandelden. Zij begrepen dat Hij naar de kroon dong, Hem daarmee nu te bespotten verschafte hun vermaak en tijdverdrijf. Het is een bewijs van een lagen, slaafsen geest om aldus belediging en hoon aan te doen aan hen, die in het ongeluk zijn, en iemands rampen tot onderwerp van spot en vrolijkheid te maken. Merk op:
1. Waar dit geschiedde-in het rechthuis. Het huis des stadhouders, dat ene toevlucht had behoren te zijn voor de verongelijkten en mishandelden, is tot schouwplaats gemaakt voor deze barbaarsheid. Het verbaast mij, dat de stadhouder, die zo begerig was om vrij te zijn van het bloed dezes rechtvaardigen, toeliet, dat dit in zijn huis geschiedde. Wellicht heeft hij het niet bevolen, maar oogluikend toegelaten, en zij, die met gezag zijn bekleed, zijn verantwoordelijk, niet slechts voor de boosheid, die zij doen of bevelen, maar ook voor die, welke zij niet tegengaan of beletten, als zij er de macht toe hebben. Hoofden van gezinnen moeten niet toelaten, dat hun huizen plaatsen van mishandeling van iemand worden, of dat hun dienstboden zich vrolijk maken om de zonden of de ellende, of den Godsdienst van anderen.
2. Wie daarin betrokken waren. Zij vergaderden over Hem de ganse bende, de soldaten, die bij de strafvoltrekking tegenwoordig moesten zijn, wilden dat het gehele regiment (tenminste vijf honderd, sommigen denken twaalf of dertien honderd man) in die vermakelijkheid zou delen. Indien Christus aldus tot een schouwspel is gemaakt, zo laat geen Zijner volgelingen het vreemd vinden, om aldus behandeld te worden, 1 Corinthiërs 4:9, Hebreeën 10:33.
3. Welke smaadheden en mishandelingen Hem werden aangedaan.
a. Zij ontkleedden Hem, vers 28. De schande der naaktheid is met de zonde in de wereld gekomen, Genesis 3:7, en daarom is Christus, toen Hij kwam om genoegdoening te doen voor de zonde en haar weg te nemen, naakt gemaakt, en heeft Hij zich aan die schande onderworpen, opdat Hij witte klederen voor ons zou bereiden, om ons te bekleden, Openbaring 3:18.
b. Zij deden Hem een purperen mantel om, het een of ander rode gewaad, zoals de Romeinse soldaten droegen in navolging van de purperen gewaden, die koningen en keizers droegen, Hem aldus bespottende, omdat Hij koning genoemd werd. Deze nabootsing van majesteit in Zijn gewaad deden zij Hem aan, toen er op Zijn gelaat niets dan geringheid en ellende te lezen stond, alleen maar om Hem tentoon te stellen voor de toeschouwers als des te meer bespottelijk. Toch was hierin ene verborgenheid, deze was het, die rood is aan Zijn gewaad, Jesaja 63:1, 2, die Zijne klederen wast in den wijn, Genesis 49:11. Christus, gekleed in een purperen gewaad, duidde Zijn dragen aan van onze zonden, tot Zijne schande, in Zijn eigen lichaam aan het hout, opdat wij onze klederen zouden wassen en ze wit maken in het bloed des Lams.
c. Zij vlochten ene kroon van doornen en zetten die op Zijn hoofd, vers 29. Dit was om de spotternij voort te zetten van Hem tot een nagemaakten koning te maken. Maar, zo zij dit slechts als een smaad en bespotting hadden bedoeld, dan zouden zij ene kroon van stro hebben kunnen vlechten, of van biezen, maar zij bedoelden er Hem nog pijn mede aan te doen, en dat voor Hem letterlijk zou zijn, wat men van kronen zegt in overdrachtelijken zin, namelijk, dat zij gevoerd zijn met doornen. Die deze mishandeling uitdacht, heeft zich zeker op het vernuftige er van laten voorstaan, maar er was ene verborgenheid in. Doornen zijn met de zonde op aarde gekomen, en maakten een deel uit van den vloek, die het gevolg was van de zonde, Genesis 3:18. Daarom heeft Christus' een vloek voor ons geworden zijnde, en stervende om den vloek van ons weg te nemen, de pijn gevoeld van deze doornen, ja, en heeft haar op zich laten binden als ene kroon, Job 31:36, want Zijn lijden voor ons was Zijne heerlijkheid. Nu beantwoordde Hij aan het type van Abrahams ram, die gevangen werd in de verwarde struiken, en geofferd werd in de plaats van Izaak, Genesis 22:13. Doornen betekenen beproevingen, 2 Kronieken 33:11. Deze heeft Christus tot ene kroon gemaakt, zo grotelijks heeft Hij er de eigenschap van veranderd voor hen, die de Zijnen zijn, hun reden gevende om te roemen in de verdrukking, en haar voor ons een gewicht van heerlijkheid te doen zijn. Christus is met doornen gekroond, om te tonen, dat Zijn koninkrijk niet is van deze wereld, en de heerlijkheid er van geen wereldse heerlijkheid is, maar hier vergezeld gaat van banden en verdrukkingen, terwijl de heerlijkheid er van nog geopenbaard moet worden. Het was ene gewoonte onder sommige heidense volken om hun slachtoffers naar het altaar te brengen, gekroond met guirlandes, deze doornen waren de guirlandes, waarmee dit grote offer gekroond was. Deze doornen hebben zeer waarschijnlijk bloed uit Zijn gezegend hoofd doen vloeien, dat langs Zijn gelaat neerdruppelde, gelijk de kostelijke olie -een type van het bloed van Christus, waarmee Hij zich gewijd of afgezonderd heeft-op het hoofd, nederdalende op den baard, den baard van Aäron, Psalm 133:2.
4. Aldus is, toen Hij kwam om zich Zijne duive, Zijn onbevlekte kerk te ondertrouwen, Zijn hoofd vervuld met dauw, en Zijne haarlokken met nachtdruppels, Hooglied 5:2.
d. Zij gaven Hem een rietstok in Zijne rechterhand". Dit was bedoeld als ene nabootsing van den scepter, een ander teken der koninklijke waardigheid, waarmee zij Hem bespotten, alsof zulk een scepter goed genoeg was voor zulk een koning, die als van den wind ginds en weer wordt bewogen, Hoofdstuk 11:7. Zoals de scepter is, zo is het koninkrijk, zwak en wankelend, dor en waardeloos, maar zij hebben zich volkomen vergist, want Zijn troon is eeuwiglijk en altoos, en de scepter Zijns koninkrijks is een scepter der rechtmatigheid, Psalm 45:7. e. Vallende op hun knieën voor Hem, bespotten zij Hem, zeggende: Wees gegroet, gij koning der Joden. Hem tot een spotkoning gemaakt hebbende, doen zij Hem nu spottend hulde, aldus Zijne aanspraak op de soevereiniteit belachelijk makende, zoals de broeders van Jozef: Zult gij dan ganselijk over ons heersen? Genesis 37:8. Maar evenals dezen naderhand genoodzaakt waren zich voor hem te buigen en zijne dromen te verwezenlijken, zo hebben dezen hier spottend de knieën gebogen in minachting van Hem, die spoedig daarna verhoogd werd aan de rechterhand Gods, opdat in Zijn naam zich zou buigen alle knie dergenen, die in den hemel. en die op de aarde en die onder de aarde zijn, of anders door Hem verbroken worden. Het is slecht spotten met hetgeen, vroeg of laat, ernst zal worden.
f. Zij spogen op Hem. Zo is Hij ook in de zaal des hogepriesters mishandeld, Hoofdstuk 26:67. Bij het doen van hulde kuste de onderdaan den soeverein ten teken van trouw, zo heeft Samuël Saul gekust, en ons wordt geboden den Zoon te kussen. Maar in hun spothulde hebben zij, in plaats van Hem te kussen, Zijn gelaat bespogen, dat gezegende aangezicht, hetwelk schitterender is dan de zon, en voor hetwelk de engelen het hun bedekken, is aldus verontreinigd geworden. Het is vreemd, dat de kinderen der mensen ooit zo iets laags gedaan hebben, en dat de Zone Gods zich ooit aan zulk een smaad heeft onderworpen.
g. Zij namen den rietstok en sloegen op Zijn hoofd. Hetgeen zij tot een spotteken Zijner koninklijke waardigheid hadden gemaakt, gebruikten zij nu als werktuig voor hun wreedheid en Zijne pijn. Zij sloegen Hem waarschijnlijk op de doornenkroon, zodat zij de doornen in Zijn hoofd sloegen, opdat zij Hem des te dieper zouden wonden, hetgeen hun nog tot meer vermaak strekte, want voor hen was Zijne pijn een genoegen. Aldus werd Hij veracht, en de onwaardigste onder de mensen, een man van smarten, en verzocht in ziekte. Al die ellende en schande heeft Hij ondergaan, ten einde voor ons het eeuwige leven, vreugde en heerlijkheid te verwerven.
III. Zijne wegvoering naar de strafplaats. Na Hem, zolang het hun goeddocht, bespot en mishandeld te hebben, deden zij Hem den mantel af, om te kennen te geven dat zij Hem van het koninklijk gezag, waarmee zij Hem bekleed hadden, weer ontdeden, en zij deden Hem Zijne klederen aan, omdat die den soldaten ten deel moesten vallen, die bij Zijne terdoodbrenging dienst deden. Zij deden Hem den mantel af, maar er wordt niet gezegd, dat zij Hem ook van de doornenkroon ontdeden, waarom men algemeen veronderstelt (hoewel daar toch gene zekerheid voor is,) dat Hij met die doornenkroon op het hoofd gekruisigd werd: want, gelijk Hij priester is op Zijn troon, zo was Hij koning op Zijn kruis. Christus werd in Zijn eigen klederen heengeleid om gekruisigd te worden, omdat Hij onze zonde in Zijn eigen lichaam heeft moeten dragen op het hout.
1. En leidden Hem heen om te kruisigen. Als een lam werd Hij ter slachting geleid, als een offer naar het altaar. Wij kunnen ons voorstellen hoe zij Hem voortjoegen, Hem in aller ijl voortsleepten, opdat er niets tussenbeide zou komen om te verhinderen hun wrede woede te bevredigen door Zijn dierbaar bloed. Waarschijnlijk hebben zij Hem nu ook met hoon en smaadredenen overladen, Hem behandeld alsof Hij aller afschrapsel was. Zij leidden Hem heen buiten de stad, want Christus heeft, opdat Hij door Zijn eigen bloed het volk zou heiligen, buiten de poort geleden, Hebreeën 13:12, alsof Hij, die de heerlijkheid was van hen, die de verlossing in Jeruzalem verwachtten, niet waardig was om onder hen te leven. Hier heeft Hij zelf het oog op gehad, toen Hij in de gelijkenis sprak van Zijn buiten geworpen worden uit den wijngaard, Hoofdstuk 21:39.
2. Zij dwongen Simon van Cyrene Zijn kruis te dragen, vers 32. In het eerst schijnt Hij zelf Zijn kruis gedragen te hebben, zoals Izaak het hout van het brandoffer gedragen heeft, dat hem zelven moest verbranden. En dit, gelijk andere dingen, was bedoeld als pijn en schande voor Hem. Maar na een wijle hebben zij Hem het kruis afgenomen, hetzij: a. Uit medelijden voor Hem. omdat zij zagen dat de last Hem te zwaar was. Wij kunnen nauwelijks denken, dat dit bij hen in aanmerking kwam, maar toch leert het ons, dat God weet wat maaksel wij zijn, en ons niet zal laten verzocht worden boven hetgeen wij vermogen. Hij geeft Zijn volk ogenblikken van verademing, maar zij moeten verwachten, dat het kruis zal terugkeren en dat de ogenblikken van verlichting hun slechts den tijd geven om zich op het volgende voor te bereiden. Maar:
b. Het was wellicht omdat Hij met het kruis op den rug niet voort kon, niet zo snel kon lopen als zij het wilden. Of:
c. Zij waren bevreesd, dat Hij zou bezwijken onder den last van Zijn kruis, onder weg zou sterven, en dat zij dus in hetgeen zij nog verder van boosaardigheid tegen Hem in den zin hadden, verhinderd zouden worden. Zo zijn de barmhartigheden der goddelozen (of hetgeen barmhartigheid lijkt) nog wreed. Hem het kruis afnemende, dwongen zij enen Simon van Cyrene het te dragen, hem tot dien dienst pressende op gezag van den stadhouder of van de priesters. Het was iets schandelijks en niemand wilde het doen zonder er toe gedwongen te zijn. Sommigen denken, dat deze Simon een discipel van Christus was, of tenminste iemand, die Hem welgezind was, dat zij dit wisten, en hem daarom dien last oplegden. Allen, die zich in waarheid discipelen van Christus willen betonen, moeten Christus volgen, Zijn kruis dragen, Hoofdstuk 16:24, Zijne smaadheid dragen, Hebreeën 13:13. Wij moeten Hem kennen en de gemeenschap Zijns lijdens voor ons, en ons met lijdzaamheid onderwerpen aan al het lijden voor Hem, waartoe wij geroepen worden , want zij alleen zullen met Hem heersen, die ook met Hem lijden, met Hem zitten in Zijn koninkrijk, die drinken van Zijn drinkbeker, en met Zijn doop gedoopt worden.