Psalm 102:13-23
Aan vele zeer grote en dierbare beloften wordt hier gedacht, en zij worden bijeengebracht om op te wegen tegen de voorgaande klachten, want de oprechten gaat het licht op in de duisternis, zodat zij wel nedergeworpen zijn, maar niet in wanhoop. Het staat slecht met de psalmist zelf, slecht met het volk van God, maar hij heeft vele gedachten, die hem verkwikken en vertroosten.
I. Wij zijn stervende schepselen, onze belangen en vertroostingen zijn stervende, maar God is een eeuwig levende God, vers 13. "Mijne dagen zijn als een afgaande schaduw, het is niet te verhelpen, de nacht komt over mij, maar Gij, Heere, blijft in eeuwigheid. Ons leven is voorbijgaande, maar het Uwe is bestendig, onze vrienden sterven, maar Gij, onze God, sterft niet, wat ons bedreigt, kan tot U niet genaken, onze namen zullen in het stof geschreven zijn en in vergetelheid komen, maar Uwe gedachtenis is van geslacht tot geslacht, tot het einde des tijde, ja tot in eeuwigheid zult Gij gekend en geëerd zijn." Een godvruchtige bemint God meer dan zichzelf, en daarom kan hij de lieflijke gedachte aan de onveranderlijke volzaligheid van de eeuwige Geest doen opwegen tegen zijn eigen leed en zijn dood. God blijft in eeuwigheid, de getrouwe begunstiger en beschermer van Zijn kerk, en Zijn eer en eeuwige gedachtenis zeer gemoeid zijnde met haar belangen, kunnen wij er zeker van zijn dat deze niet veronachtzaamd zullen worden.
II. Het arme Zion is nu in benauwdheid, maar er zal een tijd komen voor zijn hulp en verlichting, vers 14. Gij zult opstaan, Gij zult U ontfermen over Zion, de hoop op verlossing is gegrond op de goedertierenheid Gods. "Gij zult U ontfermen over Zion, want het is een voorwerp geworden voor Uw mededogen." En op Gods macht: "Gij zult opstaan en U ontfermen, zult Uzelf opwekken om dit te doen, zult het doen in weerwil van de tegenstand van de vijanden van de kerk-" de eer des Heeren van de heirscharen zal dit doen. Zeer bemoedigend is, dat er een gezette tijd is voor de verlossing van de kerk, die niet slechts eens komen zal, maar op de bestemde tijd komen zal, de tijd, die de oneindige wijsheid er voor bepaald heeft, en die daarom de beste tijd er voor is, de tijd, door de eeuwige waarheid er voor vastgesteld, en daarom is het een zekere een stellige, ontwijfelbare tijd, die niet vergeten of langer uitgesteld zal worden. Aan het einde van zeventig jaren zou de tijd om Zion genadig te zijn door het te verlossen van de dochter van Babylon moeten komen, en hij is gekomen.
Zion was nu in puin, namelijk de tempel, die in de stad Davids gebouwd was, Zion genadig te zijn betekent de wederopbouw van de tempel, zoals dit verklaard en uitgelegd is in vers 17. Dit wordt verwacht van de gunst van God, die alles wederom in orde zal brengen en van niets anders dan van deze, en daarom bidt Daniël: "Doe Uw aangezicht lichten over Uw heiligdom, dat verwoest is," Daniël 9:17. Het bouwen van Zion is zo groot een gunst voor een volk als zij slechts kunnen begeren. Geen zegen is meer begerenswaardig voor een vervallen staat, dan de herstelling van zijn kerkvoorrechten.
Dit nu wordt hier gewenst, daarnaar wordt verlangd.
1. Omdat dit een grote blijdschap zou wezen voor Zions vrienden, vers 15. Uwe knechten hebben een welgevallen zelfs aan de stenen van de tempel, hoewel zij nedergeworpen en verstrooid waren, en hebben medeleden met haar gruis, het puin en de afval van Zion. Merk hier op dat, hoewel de tempel verwoest was, de sternen ervan toch verkregen konden worden voor een nieuw gebouw, en er waren personen, die zich daarmee bemoedigden, want zij beminden dit puin. Zij, die de kerk van God waarlijk liefhebben, hebben haar lief als zij in verdrukking is, zowel als wanneer zij voorspoed heeft en het is een goede grond voor de hoop, dat God het puin van Zion genadig zal zijn, als Hij het in het hart van Zijn volk geeft om er medelijden mee te hebben, en dit tonen door hun gebed en hun streven, gelijk het ook een goede pleitgrond bij God is om genade voor Zion, dat er personen zijn, die in liefdevolle zorg over haar zijn, en die wachten op het heil des Heeren.
2. Omdat dit een goede invloed zal hebben op Zions naburen, vers 16. Het zal misschien een gelukkig middel zijn tot hun bekering, tot hun overtuiging tenminste, want dan zullen de heidenen de naam des Heeren vrezen, zij zullen hoge gedachten van Hem hebben en van Zijn volk, en zelfs de koningen van de aarde zullen getroffen zijn door Zijn heerlijkheid. Zij zullen betere gedachten hebben van de kerk Gods dan zij gehad hebben, als God door Zijn voorzienigheid haar aldus eert, zij zullen vrezen om er iets tegen te doen, als zij zien dat God haar partij neemt, ja meer, zij zullen zeggen, "Wij zullen met ulieden gaan want wij hebben gezien dat God met ulieden is," Zacheria 8:23. Aldus is gezegd dat "velen uit de volkeren des lands Joden werden, want de vrees van de Joden was op hen gevallen," Esther 8:17.
3. Omdat het strekken zou tot eer van Zions God, vers 17. Als de Heere Zion zal opgebouwd hebben: zij houden het voor zeker dat het geschieden zal, want God zelf heeft het op zich genomen, in Zijn heerlijkheid zal verschenen zijn, weshalve allen, die Zijn heerlijkheid tot hun hoogste doel hebben gesteld, het begeren en er om bidden. De stichting van de kerk zal de verheerlijking wezen van God, en daarom kunnen wij er zeker van zijn dat het ter bestemder tijd zal geschieden. Zij, die in het geloof bidden: "Vader, verheerlijk Uwen raam," kunnen hetzelfde antwoord op dat gebed ontvangen, dat aan Christus zelf door een stem van de hemel gegeven werd: "Ik heb hem verheerlijkt, en Ik zal hem wederom verheerlijken."
III. Op de gebeden van Gods volk schijnt nu geen acht te worden geslagen, maar er zal op gelet worden en zij zullen ten zeerste worden aangemoedigd. Hij zal acht geven op het gebed desgenen, die geheel ontbloot is, vers 18. In vers 17 was gezegd dat God in Zijn heerlijkheid zal verschijnen, in zo'n heerlijkheid, dat zelfs koningen er ontzag voor zullen hebben, vers 16. Als de groten van de aarde in hun heerlijkheid verschijnen, dan zien zij allicht met minachting neer op degenen, die zich tot hen wenden, maar de grote God zal dit niet doen.
Merk op:
1. De geringheid van de smekelingen, zij zijn geheel ontbloot. Het is een sierlijk woord, dat hier gebruikt is, dat heide in de woestijn betekent, een lage struik, zoals de hysop aan de wand. Zij worden ondersteld in zeer nederige, geringe staat te zijn, verrijkt met geestelijke zegeningen, maar arm in het goed van deze wereld, de armen, de zwakken, de verlatenen, de beroofden, zo onderscheidenlijk is dit woord overgezet. Of het kan ook het verbroken hart betekenen, dat God verwacht in allen, die tot Hem naderen, en dat Hij zal aanzien in genade. Dat zal hen op de knieen brengen, mensen die arm, geheel ontbloot zijn, moeten biddende mensen wezen, 1 Timotheus 5:5. 2. De gunst van God jegens hen in weerwil van hun geringheid. Hij zal zich wenden tot hun gebed, er acht op geven, opmerkende zijn tot hun smeking, 2 Kronieken 6-40, en hun gebed niet versmaden. Er ligt hier meer in opgesloten dan uitgedrukt is. Hij zal het waarderen, er een welbehagen in hebben, en er een antwoord des vredes op geven, dat de grootste eer is die er aan bewezen kan worden. Maar het is aldus uitgedrukt, omdat anderen hun bidden versmaadden, zij zelf vrezen dat God het zal versmaden, en men heeft van Hem gedacht dat Hij het versmaadde, omdat hun beproeving zolang aanhield en hun gebed niet verhoord was. Als wij denken aan onze eigen geringheid en onwaardigheid, onze duisternis en dodigheid en het in velerlei opzicht gebrekkige van onze gebeden, dan hebben wij reden om te denken dat onze gebeden met minachting in de hemel ontvangen zullen worden, maar hier wordt ons het tegendeel verzekerd, want wij hebben een voorspraak bij de Vader en zijn onder de genade, niet onder de wet.
Dit voorbeeld van Gods gunst jegens Zijn biddend volk, hoewel zij geheel ontbloot zijn zal een blijvende aanmoediging zijn tot het gebed, vers 19. Dit zal beschreven worden voor het navolgende geslacht, opdat niemand wanhope al is het ook, dat hij geheel ontbloot is, noch zal denken dat zijn gebeden vergeten zijn omdat zij niet terstond werden verhoord. De ervaringen van anderen behoren een aanmoediging te zijn voor ons om God te zoeken en op Hem te vertrouwen. En indien wij de vertroosting hebben van de ervaring van anderen dan past het ons om er God de eer voor te geven Het volk, dat geschapen zal worden, zal de Heere loven voor hetgeen Hij gedaan heeft, beide voor hen en voor hun voorgangers, op velen, die nu nog niet geboren zijn, zal het lezen van de geschiedenis van de kerk de uitwerking hebben, dat zij proselieten worden. Het volk dat door Goddelijke genade opnieuw geschapen, wedergeboren zal worden, dat een soort van eerstelingen van Zijn schepselen zal wezen, zal de Heere loven voor de verhoring van hun gebed, toen zij meer ontbloot waren.
IV. De onrechtvaardig veroordeelde gevangenen schijnen als schapen voor de slachtbank bestemd, maar er zal gezorgd worden voor hun loslating, vers 20, 21. God heeft uit de hoogte Zijns heiligdoms nederwaarts gezien, van de hemel, waar Hij Zijn troon bereid heeft, die hoogste, die heilige plaats. Vandaar zag Hij neer op de aarde, en niets op deze aarde is voor Zijn alziend oog verborgen. Hij ziet neer, niet om de koninkrijken van de wereld en hun heerlijkheid te beschouwen, maar om daden van genade te doen om het zuchten van de gevangenen te horen (waar wij wel gaarne buiten het gehoor van zijn,) en hun zuchten niet alleen te horen, maar hen te helpen los te maken de kinderen des doods, als er tussen hen en de dood slechts een schrede is. Sommigen verstaan het van de bevrijding van de Joden uit de Babylonische gevangenschap. God heeft hun zuchten aldaar gehoord, zoals Hij het gehoord heeft, toen zij in Egypte waren, Exodus 3:7, 9, en nedergekomen is om hen te verlossen. God neemt kennis, niet alleen van de gebeden van Zijn verdrukt volk, die de taal zijn van de genade, maar ook van hun zuchten, dat de taal is van de natuur. Zie het Goddelijk mededogen in zijn horen van het zuchten van de gevangenen, en de Goddelijke macht in het losmaken van de banden van de gevangenen, als zij ten dode gedoemd zijn, als zij geboeid en gekluisterd zijn. Wij hebben er een voorbeeld van in Petrus, Handelingen 12:6.
Voorbeelden als deze van de nederbuigende goedheid Gods en van Zijn mededogen zullen helpen:
1. Om de naam des Heeren te vertellen te Zion, en te doen blijken dat Hij beantwoordt aan Zijn naam, die Hij zelf bekend heeft gemaakt: De Heere God, genadig en barmhartig, en dit vertellen van Zijn naam te Zion, zal het onderwerp van Zijn lof zijn te Jeruzalem, vers 22. Als God door de leidingen van Zijn voorzienigheid Zijn naam bekend maakt, dan moeten wij door onze dankerkentenis er voor Zijn lof verkondigen, die de echo moet wezen van Zijn naam. God zal Zijn volk, dat gevangen is in Babel, bevrijden, opdat zij Zijn naam zullen vertellen te Zion, de plaats, die Hij verkoren heeft om er Zijn naam te stellen, en Zijn lof te verkondigen in Jeruzalem bij hun terugkomst aldaar. In het land hunner gevangenschap konden zij de liederen Zions niet zingen, Psalm 137:3, 4, en daarom heeft God hen wedergebracht te Jeruzalem, opdat zij die aldaar zouden zingen. Daarvoor geeft God vrijheid uit gevangenschap. Voer mijne ziel uit de gevangenis, om Uwen naam te loven, daarvoor geeft Hij leven uit de doden: "Laat mijne ziel leven en zij zal U loven," Psalm 119:175.
2. Zij zullen helpen om anderen aan te trekken tot de aanbidding van God, vers 23. Als het volk van God vergaderd zal zijn te Jeruzalem zoals zij er na hun terugkeer uit Babel vergaderd zijn geworden hebben velen uit de koninkrijken zich met hen verenigd om de Heere te dienen. Dit is vervuld geworden Ezra 6:21, waar wij vinden dat niet alleen de kinderen Israëls, die uit de gevangenschap waren wedergekomen, maar ook velen "die zich van de onreinheid van de heidenen des lands tot hen hadden afgezonderd, met blijdschap het feest van de ongezuurde broden hielden." Maar het kan nog verder zien, naar de bekering van de heidenen tot het geloof van Christus in de laatste dagen. Christus heeft de gevangenen vrijheid uitgeroepen, en opening van de gevangenis aan hen, die gebonden waren, opdat zij de naam des Heeren zouden vertellen in de Evangeliekerk waarin Joden en heidenen zich zullen verenigen.