2 Koningen 9:16-29
Het was van Ramoth in Gilead naar Jizreël meer dan een dagmars, halverwege tussen die twee plaatsen moet over de Jordaan worden getrokken. Wij kunnen veronderstellen dat Jehu zo snel mogelijk opgerukt is, en alle mogelijke voorzorgen genomen heeft om te voorkomen dat te Jizreël tijdingen zouden aankomen voordat hij er zelf was, en eindelijk hebben wij hem, eerst binnen het gezicht, en daarna binnen het bereik van de ten verderve gewijde koning.
I. Jorams wachter ontdekt hem en zijn gevolg eerst op een afstand, en geeft de koning kennis van de nadering van een troep, maar hij weet niet of het vrienden of vijanden zijn. Maar de koning (ongeduldig om te vernemen wat er aan de hand is, en misschien bevreesd dat de Syriërs, die hem gewond hadden, door het spoor van zijn bloed geleid, hem vervolgden tot in zijn paleis, om hem gevangen te nemen) zond eerst een bode, en daarna een tweede, om hem bericht te brengen, vers 17 -19. Hij was nog nauwelijks bekomen van de schrik, die hem in de veldslag had bevangen, en zijn schuldig geweten hield hem voortdurend in angst. Iedere bode deed dezelfde vraag: "Is het vrede? Zijt gij van ons of van onze vijanden? Brengt gij goede of slechte tijdingen?" leder kreeg hetzelfde antwoord: Wat hebt gij met de vrede te doen? Keer om naar achter mij, vers 18, 19, alsof hij gezegd had: "Het is niet aan u, maar aan hem, die u gezonden heeft, dat ik antwoord zal geven op die vraag, zorg gij nu maar voor uw eigen veiligheid, keer u naar achter mij en schaar u onder mijn volgelingen." De wachter geeft kennis dat de boden gevangen genomen zijn, en bemerkt eindelijk dat de aanvoerder van de troep dreef gelijk Jehu, die bekend scheen te zijn om zijn onzinnig drijven, waardoor hij zich een man toonde van een vurig temperament, ijverig in hetgeen hij te doen had. Een man van zo'n heftig karakter was het meest geschikt voor de dienst, die aan Jehu was opgedragen. De wijsheid van God wordt gezien in de keus van geschikte werktuigen om voor Zijn werk gebruikt te worden. Maar het strekt niemand tot eer om voor zijn onzinnigheid of onstuimigheid bekend te zijn. Die heerschappij heeft over zijn geest is beter dan de sterke. De Chaldeeuwse paraphrast geeft een tegenovergestelde lezing: Het leiden is als het leiden van Jehu, want hij leidt bedaard. En hij schijnt ook niet zeer snel te zijn aangekomen, want dan zou er geen tijd zijn geweest voor alles wat gedaan werd. Sommigen denken dat hij verkoos langzaam te marcheren ten einde aan Joram de tijd te geven om tot hem naar buiten te komen, en hem te doden vóór hij weer in de stad kwam.
II. Joram zelf gaat uit hem tegemoet, en neemt Ahazia, de koning van Juda, mee, geen van beide uitgerust voor de strijd, daar zij geen vijand verwachtten, maar in haast om hun nieuwsgierigheid te bevredigen. Hoe wonderlijk heeft Gods voorzienigheid het soms zo beschikt, dat de mensen zich haastten om hun verderf tegemoet te gaan, als hun dag gekomen was, waarop zij zouden vallen.
1. De plaats, waar Joram Jehu ontmoette, was onheilspellend, het stuk land van Naboth, de Jizreëliet, vers 21. Het blote gezicht van die plek grond was genoeg om Joram te doen sidderen en Jehu te doen triomferen, want de schuld van Naboths bloed streed tegen Joram, en de kracht van Elia's vloek streed voor Jehu. De omstandigheden van de gebeurtenissen worden door de Goddelijke voorzienigheid soms zo geregeld, dat de straf beantwoordt aan de zonde, zoals in een spiegel het aangezicht is tegen het aangezicht.
2. Jorams vraag was nog dezelfde. "Is het ook vrede, Jehu? Is alles wel. Komt gij terug, vluchtende voor de Syriërs, of als meer dan overwinnaar over hen?" Hij schijnt vrede verwacht te hebben, zodat hij aan niets anders kon denken. Het is iets geheel gewoons, dat grote zondaars, als zij reeds op de rand van het verderf zijn, zich nog vleien met de mening dat alles wel met hen is, en dat zij zich nog vrede toeroepen.
3. Jehu gaf een zeer onverwacht antwoord, en wel met een wedervraag: Wat vrede kunt gij verwachten, zolang als de hoererijen van uw moeder Izebel, ( die hoewel koningin-weduwe, in werkelijkheid koningin-regentes was) en haar toverijen zovele zijn? Zie hoe open en rond Jehu met hem handelt. Vroeger durfde hij dit niet, maar nu was hij van een andere geest. Zondaren zullen niet altijd gevleid worden, er komt een tijd, wanneer hun de volle waarheid zal worden gezegd, "als men hun ongerechtigheid bevindt, die te haten is," Psalm 36:3. Merk op:
a. Hij legt hem de goddeloosheid van zijn moeder ten laste, omdat hij haar eerst geleerd had, en haar daarna met zijn koninklijke macht had beschermd. Zij staat daar nu beschuldigd van hoererij, lichamelijke en geestelijke, afgoden dienende, en die dienende met de daden van de onkuisheid en ongebondenheid, ook van toverij, bezweringen en waarzeggerijen, gebruikt ter ere van haar afgoden, en die dan nog vermenigvuldigd, de hoererijen en de toverijen, die vele zijn, want zij, die zich op een slechte weg begeven, weten niet waar zij stil kunnen staan. De ene zonde brengt de andere voort.
b. Daarom ontzegt hij hem alle recht en aanspraak op vrede. "Wat vrede kan er komen tot het huis, waarin zoveel goddeloosheid heerst, waarover nooit berouw werd betoond?" De weg van de zonde kan nooit de weg van de vrede zijn, Jesaja 57:21. Wat vrede kunnen zondaars hebben met God, wat vrede met hun eigen geweten, welk goed, welke vertroosting kunnen zij verwachten in het leven, in de dood of na de dood, die in hun schulden wandelen? Geen vrede zolang als in de zonde wordt volhard, maar zodra men er zich van bekeert en haar laat, is er vrede.
4. De straf werd terstond voltrokken. Toen Joram van de misdaden van zijn moeder hoorde, ontzonk hem de moed, terstond begreep hij dat de dag van de afrekening, waarmee lang gedreigd was, gekomen is, en hij riep: Het is bedrog, Ahazia! Jehu is onze vijand, en het is tijd voor ons om een goed heenkomen te zoeken." Beiden vluchtten, maar:
A. Joram, de koning van Israël, werd terstond gedood, vers 24. Jehu doodde hem met eigen hand. De boog werd door hem niet in zijn eenvoudigheid gespannen, zoals die, waarvan de noodlottige pijl tussen de voegen van zijns vaders harnas drong, neen, Jehu richtte de pijl tussen Jorams schouders terwijl hij vlood, (het was een van Gods pijlen, "die Hij tegen de hitsige vervolgers te werk stelt," Psalm 7:14, en hij drong door tot zijn hart, zodat hij op de plaats dood bleef. Hij was nu de opperste tak van Achabs geslacht, en werd dus het eerst afgesneden. Hij stierf als misdadiger onder het vonnis van de wet, dat Jehu, de uitvoerder nog vervolgt in de beschikking over het dode lichaam. Naboths wijngaard was daar dichtbij, hetgeen hem het oordeel voor de geest bracht dat Elia over Achab had uitgesproken: Zo Ik gisteravond niet gezien heb het bloed van Naboth en het bloed van zijn zonen, zegt de Heere, en Ik u dat niet vergelde op dit stuk land, vers 25, 26, het bloed van Naboth zelf, en het bloed van zijn zonen, die òf, als delende in zijn misdaad tegelijk met hem ter dood gebracht werden, òf later in het geheim werden vermoord, opdat zij geen beroep zouden doen op de wet, of op de een of andere wijze de dood van hun vader zouden wreken, òf wel van hartzeer waren gestorven over zijn verlies, of (daar zijn gehele bezitting, zowel als zijn wijngaard verbeurd verklaard was) hun middel van bestaan hadden verloren, hetgeen gelijk stond met het verlies van hun leven. Daarvoor moet met het huis van Achab worden afgerekend, en datzelfde stuk land, waarvan hij zich met zoveel hoogmoed en genoegen had meester gemaakt ten koste van de schuld van onschuldig bloed te vergieten, werd nu de plaats, het schouwtoneel, waar het dode lichaam van zijn zoons lag, een schouwspel geworden zijnde van de wereld. Aldus is de Heere bekend geworden, Hij heeft recht gedaan.
B. Ahazia, de koning van Juda, werd vervolgd, en niet ver vandaar weldra gedood, vers 27, 28.
a. Hoewel hij nu in Jorams gezelschap was, zou hij toch niet gedood zijn, als hij niet samengevoegd was met het huis van Achab in verwantschap en ongerechtigheid, door zijn zonde had hij zich tot een hunner gemaakt, en daarom moet het hem gaan zoals het hun ging. Maar:
b. Misschien zou hij toen niet met hen gevallen zijn, indien hij niet in hun gezelschap ware gevonden. Het is gevaarlijk om verkeer te hebben met boosdoeners, wij kunnen er door verstrikt raken in hun schuld en hun ellende.