Jesaja 48:1-8
Wij kunnen hier opmerken:
I. De huichelachtige belijdenis, welke velen van de Joden maakten van hun godsdienst en hun betrekking tot God. De profeet ontvangt bevel om zich tot hen, die zo handelen, te wenden met vermaning en vernedering, opdat zij mogen erkennen dat God rechtvaardig was in hetgeen Hij over hen gebracht heeft.
Zie hier nu:
1. Hoe bedrieglijk hun vertoon van godsdienst was, welk een schone vertoning zij maakten naar het uiterlijke, hoe ver zij schijnbaar op weg naar de hemel waren, welk een schone livrei zij droegen, waaronder toch een zeer boos hert verborgen was.
a. Zij waren het huis van Jakob, zij hadden een plaats en een naam in de zichtbare kerk. Jakob heb Ik liefgehad, Jakob is Gods uitverkorene, en zij staan niet alleen in verbinding met zijn geslacht maar zij zijn zijn afstammelingen.
b. Zij worden genoemd met de naam Israël, een eervolle naam, zij waren het volk hetwelk de wet en de belofte had. Israël betekent "een vorst voor God," en zij beroemden zich op hun afkomst uit dat vorstelijk geslacht.
c. Zij waren uit de wateren van Juda voortgekomen, en daarom werden zij Joden genoemd, zij waren de koninklijke stam, de stam waaruit de Silo voortkomen zou, de stam die God bleef aanhangen toen de andere tegen Hem opstonden.
d. Zij zwoeren bij de naam des Heeren, en daardoor erkenden zij dat Hij de ware God was, en hun God, en gaven zij Hem eer als de rechtvaardige Rechter over allen. Zij zwoeren in de naam des Heeren, zo kan het ook gelezen worden, dat is zij legden voor Hem de eed af als onderdanen voor hun koning en voegden zich bij Hem in het verbond.
e. Zij vermeldden de naam van de God Israëls in hun gebeden en dankzeggingen, zij spraken dikwijls van Hem, namen lafenis van zijn wetten, en beweerden Hem steeds in gedachten te hebben.
f. Zij werden genoemd naar de heilige stad, en toen zij in Babel gevangen waren, verhieven zij zich op hun belangstelling in die stad, alleen uit een beginsel van hoogmoed en nationale trots. Velen, die zelf onheilig zijn, zijn trots op hun betrekking tot de kerk, de heilige stad.
g. Zij steunden op de God van Israël, en beroemden zich in zijn beloften en hun verbond met Hem. Zij "steunden op de Heere," Micha 3:11. En wanneer hun gevraagd werd naar de naam van hun God, konden zij zeggen-Heere van de heirscharen is zijn naam, de Heere van allen, en daarom zijn wij gelukkig en groot, daar wij tot Hem in betrekking staan.
2. Hoe laag hun belijdenis van de godsdienst bij dit alles gezonken was. Het was alles vergeefs, het was alles een spel, want het was niet in waarheid en gerechtigheid. Hun harten waren niet oprecht en getrouw in hun belijdenis. Al onze godsdienstige belijdenis is waardeloos zo ze niet voortkomt uit waarheid en gerechtigheid. Zo we daarin niet oprecht zijn, gebruiken wij de naam des Heeren onzes Gods ijdellijk.
II. De middelen, welke God aanwendde, en de wegen, die Hij volgde, om hen dicht bij Hem te houden, en te voorkomen dat zij zich tot afgoderij keerden. Naar het scheen waren de uitnemende wetten, die Hij hun gegeven had, met al haar heiligingen, en de muur waarmee Hij hen omtuind had, niet voldoende om hen terug te houden van de zonde, waarin zij het gemakkelijkst vervielen, en daarom had God er merkwaardige profetieën bijgevoegd en ten vervolge op deze profetieën wonderbare voorzieningen, die alle bestemd waren om hen te overtuigen dat hun God de enige ware God was, en dat het daarom zowel hun plicht als hun belang was Hem aan te hangen.
1. Hij heeft hen verwaardigd en bevoorrecht met merkwaardige profetieën, vers 3. De vorige dingen heb Ik verkondigd van toen af. Niets was hun volk, sedert het ogenblik van zijn ontstaan, overkomen in aardse zaken, of het was voorzegd, de slavernij in Egypte, hun verlossing daaruit, de vestiging van hun stammen in Kanaän enz. Al deze dingen waren uit Gods mond voortgekomen en Hij had ze hen doen horen. Hierin waren zij bevoorrecht boven alle andere volken, en ook werd hun nieuwsgierigheid voldaan, want het waren profetieën waarop zij konden staatmaken, en die hen en hun eigen volk betroffen. Zij waren alle proefhoudend bevonden door de vervulling er van. Ik deed ze plotseling, wanneer zij het minst verwacht werden door u of door anderen, en daarom konden ze alleen geweten worden door een goddelijke voorzienigheid. Ik heb ze snel gedaan en zij zijn gekomen, want wat God doet, dat doet Hij in waarheid. De menigvuldige ellende, waaronder zij nu in Babel zuchtten, had God hun van de beginne voorzegd door Mozes, als het zekere gevolg van hun afval van God, Leviticus 26:31 en Deuteronomium 28:36, At 29:28. Hij had hun ook voorzegd hun terugkeer tot God en daarna tot hun eigen land. Deuteronomium 30:4 en verv, Leviticus 26:44, 45. Hij had hun dus getoond hoe Hij zich met hen bemoeien kon lang voordat het gebeurde. Indien zij hun tegenwoordige toestand en de verlossing, die nu in zicht was, vergeleken met hetgeen in de wet geschreven was, dan zouden zij zien hoe letterlijk de Schrift vervuld wordt.
2. Hij verwaardigde en begunstigde hen met merkwaardige voorzienigheid, vers 6. Van nu aan doe Ik u nieuwe dingen horen. Behalve het algemene overzicht hun gegeven van het begin van Gods handelingen met hen af, toonde Hij hun nieuwe dingen door de profeten van hun dagen, en schiep die. Het waren verborgen dingen, die zij op geen andere wijze weten konden, zoals de profetie betreffende Cyrus en de juiste tijd van hun verlossing Uit Babel, deze dingen schiep God nieuw. Hun herstelling was in waarheid een schepping, en zij hadden de belofte daarvan niet van de beginne maar sedert kort, want de profetie bleef onder hen voortleven om hun afval van God te voorkomen of om hen terug te brengen. Nu was het hun meegedeeld, nu zij langs geen andere weg er iets van te weten konden komen dan door middel van goddelijke openbaring. Merkt op, zegt God, en ziet, voorzover er door u over gesproken wordt en gij het verwacht, is het u door de profeten bekend gemaakt, want het kwam niet in uw gedachten op en gij hadt geen reden om het te verwachten, gij had het niet gehoord en had het niet geweten, en had geen reden om het te verwachten en uw oor was er niet voor geopend, vers 7, 8. De zaak scheen ten enenmale onmogelijk en gij zoudt er ternauwernood naar geluisterd hebben indien zij u was meegedeeld. God had hun verborgen dingen getoond, die buiten bereik van hun kennis waren, en grote dingen voor hen gedaan, die niet in hun macht waren, en nu zegt Hij, vers 6, Gij Hebt het gehoord, aanmerkt dat alles. Gij hebt de profetie gehoord, ziet nu haar vervulling en let op hoe Gods woorden en daden elkaar nauwkeurig dekken, zult gijlieden het ook niet verkondigen? Niet verkondigen dat gij gezien hebt wat gij vroeger gehoord hadt? Zult gij niet erkennen dat de Heere de ware God is, de enige ware God, dat Hij de kennis en de macht heeft, welke geen schepsel bezit en waarop geen van de goden van deze aarde zich kunnen laten voorstaan? Wilt gij niet erkennen dat uw God een goede God voor u geweest is? Verkondigt dit tot Zijn eer en tot uw beschaming, omdat gij zo bedrieglijk met Hem gehandeld en anderen boven Hem verkoren hebt.
III. De redenen waarom God deze weg met hen houden zou.
1. Omdat Hij hun beroemen op zichzelf en op hun afgoden voorkomen wilde.
A. God heeft door Zijn profeten hun vooruit hun verlossing bekend gemaakt, opdat zij die niet hun afgoden zouden toeschrijven. Hij zag hoe nodig het was de verheerlijking voor zichzelf te verzekeren, die anders door sommigen van hen aan hun gesneden beelden zou gegeven worden. Ik heb er van gesproken, zegt God, opdat gij niet misschien zoudt zeggen: Mijn afgod heeft die dingen gedaan, of: mijn gesneden beeld of mijn gegoten beeld heeft ze bevolen vers 5. Sommigen zouden in staat zijn dat te zeggen, en zouden daardoor in hun afgoderij versterkt worden door hetgeen bedoeld was om hen er van te genezen. Maar het zou hun nu voor goed verhinderd zijn zulks te zeggen, want indien de afgoden het gedaan hadden zouden de profeten van de afgoden het voorspeld hebben, maar nu de profeten des Heeren het voorzegd hebben, was er geen twijfel aan of de Heere had het ook gedaan.
B. God had het door zijn profeten voorzegd opdat zij niet zouden voorwenden dat zijzelf het voorzien hadden. Die niet zo diep gezonken waren om het aan de afgoden toe te schrijven, waren hoogmoedig genoeg om voor te geven dat zij het door hun eigen scherpzinnigheid voorzien hadden, indien God het niet tevoren tot hen gesproken had, opdat gij niet zeggen zoudt: Zie, ik het ze geweten. Zo onderschatten ijdele mensen, die voor wijs doorgaan willen, gewoonlijk enig ding dat waarlijk groot en verrassend is, en verkleinen het door te laten geloven dat het niet meer is dan zij verwachtten en dat zij wel wisten dat het komen zou. Om dit te voorkomen en al zulke roem voor goed buiten te sluiten, had God het hun tevoren verkondigd, toen zij er nog niet van dromen konden. God heeft genoeg gezegd en gedaan om van de mensen eigen roem te voorkomen, opdat geen vlees zou roemen voor zijn aangezicht, hetwelk, indien het beoogde doel er niet door bereikt wordt, alleen zal strekken om de zonde van hoogmoed en de straf er voor te verzwaren. Vroeg of laat zal alle mond gestopt worden opdat alle vlees voor God zwijge.
2. Omdat Hij wilde dat zij geen verontschuldiging voor hun hardnekkigheid zouden hebben. Daarom nam Hij al deze moeite met hen omdat Hij wist dat zij zeer hardnekkig waren, vers 4. Hij wist dat zij zo hardnekkig en tegenstrevend waren, dat indien Hij de waarheid van de voorzienigheid niet door profetie ondersteunde, zij de onbeschaamdheid zouden hebben van haar te loochenen en dat zij zouden zeggen dat hun afgod gedaan had hetgeen God had gedaan. Hij wist zeer wel
a. hoe geneigd zij waren tot het kwade, en hoe gemakkelijk er toe over te halen. Ik wist dat gij hard zijt. Er waren profetieën zowel als voorschriften, welke God gegeven had ter oorzake van de hardheid van hun harten. Uw nek is een ijzeren zenuw, tot buigen niet in staat, en onderworpen aan het juk van Gods geboden, evenmin in staat om zich te wenden ten einde zijn handelwijze met hen na te gaan, of zijn ongenoegen tegen hen te bespeuren. Hij kwam niet overeen met de wil van God, schikte zich niet naar zijn plannen, liet zich niet leiden door het woord van zijn voorzienigheid. Uw voorhoofd is koper, dat is: gij zijt onbeschaamd, gij kunt niet blozen, brutaal wilt gij niet vrezen of wijken, maar gaat in de weg van uw eigen hart. God gebruikt middelen om zondaars er toe te brengen zich naar Hem te schikken, of schoon Hij weet dat zij hardnekkig zijn.
b. Hoe trouweloos zij zouden zijn en onoprecht in hetgeen goed is, vers 8. God zond hun Zijn profeten, maar zij wilden niet luisteren, zij wilden niet weten, en het was niet erger de verwacht werd in aanmerking genomen wat zij geweest waren, gij zijt van de moederschoot genaamd, en niet ten onrechte, een overtreder. Van het ogenblik af dat zij tot volk gevormd waren, helden zij over naar afgoderij, zij brachten uit Egypte een zonderlinge gehechtheid aan die zonde mede, en zij waren murmureerders zodra zij hun tocht naar Kanaän begonnen Toen werd het hun reeds verweten, Deuteronomium 9:7, 24, "Ik heb dus geweten dat gij geheel trouweloos handelen zoudt." God voorzag hun afval, en gaf daarvoor deze reden, dat Hij hen altijd vals en veranderlijk gevonden had, Deuteronomium 31:16, 27, 29. Dit is ook toepasselijk op bijzondere personen, wij allen zijn geboren als kinderen van de ongehoorzaamheid, wij werden genoemd overtreders van de moederschoot af, en daarom is te voorzien dat wij trouweloos, zeer trouweloos zullen handelen. Waar aangeboren zonde is zal natuurlijk daadwerkelijke zonde volgen. God weet dat en handelt dus met ons overeenkomstig onze behoeften.