Jesaja 45:11-19
Het volk Gods in ballingschap, dat zich in zijn beproeving met Gods wil verzoende en tevreden de tijd van de verlossing afwachtte, ontvangt hier de verzekering dat het die niet tevergeefs verwachten zal.
I. Zij worden uitgenodigd onderzoek in te stellen naar het einde van hun moeiten, vers 11. De Heilige Israëls en zijn formeerder duldt niet dat men Hem tegenspreekt, maar moedigt hen wel aan:
1. Om zijn woord te onderzoeken: Vraag mij aangaande toekomende dingen, gaat tot de profeten en ziet zij wat in hun profetieën aangaande deze dingen zeggen. Vraagt de wachters: Wat is er van de nacht? Vraagt hun: hoe lang? De toekomende dingen, voorzover zij geopenbaard zijn, behoren ons en onze kinderen en wij moeten niet als vreemdelingen er tegenover staan.
2. Om Hem in het gebed te zoeken, aangaande mijn zonen en het werk mijner handen, die zoals hun betaamt, zich onderwerpen aan de wil van hun vader, de wil van hun pottenbakker, vraagt mij niet op de toon van ongeduld, maar met smeking. Weest ernstig in uw vragen, en vertrouwend in uw verwachten, voor zover beide bestierd worden door en gegrond zijn op de belofte. Wij mogen nooit met onze Maker twisten in hartstochtelijke klachten, maar we mogen wel met Hem worstelen in gelovige en vurige gebeden. Mijn zonen, het werk van mijn handen, beveelt u bij mij aan. Sommigen lezen het: brengt hen tot mij en laat hen bij mij. Zie hier de macht van het gebed en zijn invloed bij God. Gij zult roepen, en Hij zal zeggen: Hier ben Ik, wat wilt gij dat Ik u doen zal? Sommigen lezen het vragenderwijze, als een verwijt: Vraagt gij mij over toekomende dingen? En zou Ik verplicht zijn te antwoorden? En wilt gij mij bevel geven aangaande mijn kinderen en aangaande het werk van mijn handen Durft gij mij voorschrijven wat Ik doen moet? Zal iemand God wijsheid leren, of Hem de wet stellen? Zij, die zich over God beklagen, matigen zich in de grond van de zaak enig gezag over Hem aan.
II. Zij worden aangemoedigd om op Gods macht te vertrouwen, nu zij zeer laag vernederd zijn en volkomen onbekwaam om zichzelf te helpen, vers 12. Hun hulp is in de naam des Heeren, die de hemel en de aarde gemaakt heeft, hetgeen hij hier herinnert niet alleen tot Gods verheerlijking, maar ook tot hun vertroosting. Indien het Hem behaagt zullen hemel en aarde medewerken tot hun verlossing en die van de kerk, vers 8, want Hij heeft beide geschapen en daarom staan beide onder zijn bevel.
a. Hij heeft de aarde gemaakt en de mens daarop geschapen, want ze was bestemd tot woonplaats voor de mens, Psalm 115:16. Hij had daarvoor niet alleen het vermogen, maar ook overvloedig wijsheid en gezag om de mens hier op aarde te regeren en te gebruiken, zoals het Hem behaagt.
b. Zijn handen hebben de hemelen uitgebreid en al hun heir heeft Hij bevel gegeven toen Hij ze schiep, en derhalve regeert Hij nog al hun bewegingen en invloeden. Het is goed nieuws voor het Israël Gods dat zijn God de Schepper en Regeerder van hemel en aarde is.
III. Hun wordt in het bijzonder meegedeeld wat God voor hen doen zal, opdat zij mogen weten wat zij kunnen verwachten, en dat zal er hen toe leiden om een heerlijke Verlosser en verlossing te kunnen verwachten, van wie en waarvan Cyrus en hun verlossing door hem typen en schaduwbeelden waren.
1. Vrijheid zal hun verkondigd worden, vers 13. Cyrus is de man, die dat doen zal en daartoe zal God hem de macht in de handen geven. Ik heb hem verwekt in gerechtigheid, dat is, ter vervulling en naar aanleiding van mijn beloften en om de rechtvaardige maar onderdrukte zaak van mijn volk te bepleiten. God zal hem voorspoed geven in al zijn ondernemingen, voornamelijk die tegen Babel. Ik zal al zijn wegen recht maken, en daaruit volgt dat hij voorspoedig zal zijn, want zij, die onder Goddelijke leiding handelen, kunnen niet anders dan voorspoedig zijn, en wanneer God besluit in zijn dienst iemand te gebruiken, dan baant Hij hem de weg. Twee dingen moest Cyrus voor God doen.
a. Jeruzalem is Gods stad, maar die ligt nu in puin en moet herbouwd worden, dat is: Cyrus moet bevel geven om die te herbouwen en de middelen daarvoor verstrekken.
b. Israël is Gods volk, maar nu in gevangenis, en Cyrus moet hen edelmoedig zonder losprijs vrijlaten niet vragende naar enig rantsoen en niet met hen over voorwaarden onderhandelende. En Christus is gezalfd om hetzelfde te doen voor de arme gevangen zielen, wat Cyrus doen moest voor de gevangen Joden, "Hij zal uitroepen voor de gebondenen opening van de gevangenis," Jesaja 61:1. Vrijmaking uit een slavernij erger dan die in Babel.
2. Er zal voor hen gezorgd worden voor levensonderhoud. Zij gingen uit arm en niet in staat om de onkosten van hun terugkeer en nieuwe vestiging te dragen, en daarom wordt hun beloofd dat de arbeid van de Egyptenaren en van andere volken tot hen zal overkomen en de hun zal zijn, vers 14. Toen Cyrus deze volken overwonnen had, heeft hij uit de op hen behaalde buit voorzien in de behoeften van de terugkerende Joden, en hij gaf aan zijn onderdanen bevel om hen van het nodige te voorzien, Ezra 1:4, zodat zij evenmin met ledige handen uit Babel gingen als vroeger uit Egypte. Zij, die door Christus verlost worden, zullen niet alleen van het nodige voorzien, maar verrijkt worden. Zij, wier geest door God opgewekt wordt om naar het hemelse Zion te gaan, mogen op Hem rekenen op voorziening in alle noden onderweg. De wereld is de hun zover het goed voor hen is.
3. Proselieten zullen tot hen overkomen. Mannen van grote lengte zullen in boeien tot u overkomen, Zij zullen zich voor u buigen en smeken, zeggende. Gewis, God is met u Dit werd gedeeltelijk vervuld toen velen van het volk uit het land Joden werden, Esther 8:17, en zeiden: "Wij zullen met u gaan, ootmoedig daarvoor verlof vragende, want wij hebben gehoord dat God met u is," Zacheria 8:23. De herstelling zou een middel zijn tot overtuiging van velen en tot bekering van sommigen. Wellicht kwamen velen van de Chaldeeën, die nu zelf overwonnen waren door Cyrus, toen zij zagen dat de Joden in zegepraal huiswaarts gingen, en vroegen hun vergeving voor de beledigingen en mishandelingen, die zij hun aangedaan hadden, erkennende dat God met hen was, en daarom begerig om zich bij hen te voegen Maar deze belofte zou haar volle vervulling krijgen in de kerk van het Evangelie, wanneer de heidenen door woord en daad gehoorzaam zouden worden aan het geloof in Christus, Romeinen 18:18, als gewillige gevangenen van de kerk, Psalm 110:3, verheugd om haar ketenen te dragen. Zij wordt vervuld wanneer een ongelovige, de openbare verering van Christus bijwonende, bekennen zal dat hij er van overtuigd is "dat God waarlijk in hun midden is," 1 Corinthiers 14:24, 25, en zich bij hen voegen zal, en wanneer "zij, die een synagoge des satans geweest zijn, komen en aanbidden voor de voeten van de gemeente," Openbaring 3:9 en de koningen van de aarde en de volken hun heerlijkheid binnen het nieuwe Jeruzalem zullen brengen," Openbaring 21:24. Het is goed met hen te zijn, die met God zijn, al zou het zijn in ketenen.
4. Hen wordt geleerd verder op God te vertrouwen dan zij Hem zien kunnen. De profeet legt hun de woorden in de mond en geeft hun het voorbeeld om die uit te spreken, vers 15. Voorwaar, Gij zijt een God die u verborgen houdt.
a. God verborg zich toen Hij beproeving over hen bracht. "Ik verborg mij en was verbolgen," Jesaja 57:17.
b. Hij verborg zich toen Hij hen uit de druk redde. Wanneer God optreedt als Israëls God en Verlosser, "is gewoonlijk zijn weg in de zee," Psalm. 77:19. De redding van de kerk wordt op geheimzinnige wijze tot stand gebracht door de Geest van de Heere van de heirscharen, die de geesten van de mensen bewerkt, Zacheria 4:6, door zwakke en onaanzienlijke werktuigen, kleine en schijnbaar toevallige gebeurtenissen, en eerst gewrocht in het uiterste tijdperk. Maar dit is onze troost, of schoon God zich verborgen houdt zijn wij er zeker van dat Hij is de God van Israël, de Verlosser, Job 35:14.
5. Hen wordt geleerd te zegevieren over afgodendienaars en al de aanbidders van andere goden, vers 16. Zij zijn de makers van afgoden, niet alleen dat zij die vervaardigen, maar zij maken hen tot afgoden door hen te aanbidden. Ze zullen beschaamd en tot schande worden wanneer zij overtuigd zullen worden van hun misslag en gedwongen om te erkennen dat de God van Israël de enige ware God is, en wanneer zij zullen teleurgesteld zijn in hun verwachting van de afgoden, onder wier bescherming zij zich gesteld hadden. zij zullen in verwarring geraken zodra zij ontdekken dat zij evenmin de zonde kunnen verontschuldigen als haar straf ontgaan, Psalm. 97:7. Het is niet hier en daar een die gevoeliger is dan de anderen, die er door getroffen wordt en de zaak opgeeft, maar zij allen: ja ofschoon zij in een geheel staan, hand aan hand verbonden, en al hun krachten inspannen om hun bedaardheid te behouden, zullen zij allen met schande heengaan, zij worden in bossen gebonden om verbrand te worden.
6. Hier wordt verzekerd dat zij, die op God vertrouwen, nooit in dat vertrouwen zullen beschaamd worden, vers 17. Nu God zich opmaakte om hen uit Babel te verlossen, laat Hij hun door zijn profeet zeggen:
a. Op Hem te zien als op de bewerker van hun verlossing: Maar Israël wordt verlost door de Heere. Niet alleen wordt hun verlossing door zijn macht bewerkt, maar zij wordt voor hen als een schat bewaard in zijn genade en belofte, en daardoor voor hen gewaarborgd. Zij zullen in Hem verlost worden, want zijn naam zal hun sterke toren zijn, waarheen zij zullen lopen en waarin zij veilig zullen zijn.
b. Om verder te zien dan deze tijdelijke verlossing, naar die welke geestelijk is en betrekking heeft op een andere wereld, te denken aan de verlossing door de Messias, welke is een eeuwige verlossing, de verlossing van de ziel, een vrijmaking van altijddurende ellende en een herstelling tot onvergankelijke zegeningen. Hun wordt de verzekering gegeven dat deze verlossing vast staat, zo vast dat zij niet beschaamd of te schande gemaakt zullen worden tot in alle eeuwigheden. Gij zult niet alleen verlost worden van de altijddurende schaamte en verachting, die het deel van alle afgodendienaars zijn zal, Daniël 12:2, maar gij zult eeuwige eer en heerlijkheid hebben. Er is een wereld zonder einde, en het zal goed of slecht met ons zijn naarmate het met ons is in die wereld Zij, die verlost zijn met een eeuwige verlossing, zaken nooit beschaamd worden over hetgeen zij met het oog daarop deden en leden, want het zal onuitsprekelijk ver al hun verwachtingen overtreffen met een eindeloze vergoeding. De terugkerende gevangenen beleden dat "bij hen de beschaamdheid van de aangezichten was," Daniël 9:7, 8, maar God zegt hun dat zij niet te schande zullen worden maar eeuwige zekerheid genieten. Zij, die beschaamd zijn als boetelingen over hun eigen zonden, zullen niet beschaamd zijn als gelovigen in Gods belofte en macht.
7. Zij worden opgewekt om God aan te hangen, en Hem nooit te verlaten of te wantrouwen. Wat reeds meermalen gezegd is, wordt hier nog eens herhaald, tot aanmoediging van zijn volk om in hun vertrouwen te volharden en te hopen dat Hij voor hen zal blijven, Ik ben de Heere, en niemand meer. Dat de Heere, die wij dienen en vertrouwen, de enige God is, verschijnt in twee grote lichten: dat van de natuur en dat van de openbaring.
A. Het is duidelijk bij het licht van de natuur, want Hij heeft de wereld gemaakt en daarom mag Hij rechtvaardig haar eerbewijs eisen, vers 18. Alzo zegt de Heere, die de hemelen geschapen heeft, die God die de aarde geformeerd en gemaakt heeft, Ik ben de Heere, de souvereine Heer van allen, en er is geen ander. De goden van de heidenen deden dit niet, en beweerden dat ook niet te zijn. Hij vermeldt hier de schepping van de hemelen, maar wijdt meer uit over de schepping van de aarde, omdat die het deel. van de schepping is, dat we het meest in het oog hebben en waarmee wij het meest in verband staan. Hier wordt opgemerkt:
a. Dat Hij haar formeerde, zij is geen ruwe, onbewerkte chaos, maar met oneindige wijsheid in de fijnste vormen gegoten.
b. Hij heeft haar bevestigd toen Hij haar geformeerd had, heeft Hij haar bevestigd, "haar gegrond in de zeeën," Psalm 24:2, "haar opgehangen aan het niet," Job 26:7, gelijk Hij haar eerst uit niet maakte, zo bevestigde Hij haar nu en hing haar vast op.
c. Dat Hij haar inrichtte voor het gebruik en ten dienste van de mens, aan wie Hij haar geven wilde. Hij schiep haar niet doelloos, alleen om een proef van zijn macht te geven, maar Hij formeerde haar om bewoond te worden door de kinderen van de mensen, en met dat doel vergaderde Hij de wateren, waarmee zij in de beginne overdekt was, en "deed het droge verschijnen," Psalm 104:6, 7. Tot eer van Gods wijsheid moet hier opgemerkt worden dat Hij niets tevergeefs maakt, maar alles naar eigen aanleg doet beantwoorden aan Zijn bedoeling. Indien iemand het bewijs geeft dat hij tevergeefs gemaakt schijnt te zijn, dan is dat zijn eigen schuld, maar tot eer van Gods goedheid en gunst voor de mensen is te zeggen dat Hij rekent dat niet vergeefs of doelloos gemaakt te hebben, hetgeen Hij bestemde om een woning en een onderhoud voor de mens te zijn.
B. Dat blijkt bij het licht van de openbaring. Gelijk de werken Gods overvloedig aantonen dat Hij de enige God is, zo doet zijn woord dat evenzeer, en de openbaring van zichzelf, en van zijn wil en geest die Hij daarin gegeven heeft. Zijn voorzeggingen overtreffen die van de heidense godheden even ver als zijn werken de hun, vers 19. Deze voorrang wordt hier in drieerlei opzicht aangetoond.
a. In de wijze van openbaring, die duidelijk en open is. Ik heb niet in het verborgene gesproken, in een donkere plaats van de aarde. De heidense godheden gaven hun orakelen in holen en spelonken, met holle grafstem, in dubbelzinnige uitdrukkingen, zij die waarzeggende geesten hadden, fluisterden en piepten, Hoofdstuk 8:19. Maar God gaf zijn wet van de top van Sinaï ten overstaan van al de duizenden van Israël, in duidelijke, verstaanbare, verstandige woorden. De wijsheid roept op de hoeken van de straten, Spreuken 1:20, 2l, 8:1, 2,3. Het gezicht is duidelijk en helder geschreven, zodat alle voorbijgangers het lezen kunnen. Is het voor iemand onduidelijk, dan heeft hij dat aan zichzelf te wijten. Christus verdedigde zich met dezelfde woorden die God hier spreekt: "In het verborgene heb ik niets gesproken," Johannes 18:20.
b. In het gebruik en de zegen ervan was het hoogst voldoende, Ik heb niet tot het zaad Jakobs gezegd, als zij mijn uitspraken zochten om daarnaar te leven: "Zoekt mij tevergeefs, zoals de valse goden tot hun aanbidders zeiden, die voor de levenden de doden vraagden," Jesaja 8:19. Dit omvat al de genadige antwoorden, welke God gegeven heeft beide aan hen die God om leiding vroegen, zijn woord is voor hen een betrouwbare gids, en voor hen die Hem aanriepen. Het zaad van Jakob is een biddend volk," het is het geslacht dergenen die naar Hem vragen," Psalm 24:6. En gelijk Hij in zijn woord ons heeft uitgenodigd om Hem te zoeken, zo heeft Hij zich nooit van hun gelovige gebeden afgewend, of hun gelovige verwachtingen teleurgesteld. Hij zei nooit tot hen, of tot een hunner: "Zoek mij tevergeefs," want indien Hij het niet raadzaam oordeelde hun te geven hetgeen zij van Hem vroegen, gaf Hij hun die voldoende genade en die vertroosting en verkwikking in de ziel, die er geheel tegen opwogen. God geeft niet alleen een genadig antwoord aan hen, die Hem vlijtig zoeken maar is ook hun overvloedige beloner.
C. De inhoud van Gods woorden is onberispelijk rechtvaardig en er is geen ongerechtigheid in Ik ben de Heere, die gerechtigheid spreek, die rechtvaardige dingen spreek, dingen die in overeenstemming zijn met de eeuwige beginselen van het recht. De heidense afgoden verkondigden hun aanbidders menigmaal dingen die een schande waren voor de menselijke natuur en tegen alle beginselen van de deugd ingingen, maar God spreekt gerechtigheid, schrijft voor hetgeen in zichzelf rechtvaardig is en de strekking heeft om de mensen rechtvaardig te maken, en daarom is Hij God en niemand meer.