Jesaja 45:5-10
God betuigt hier Zijn enige en volstrekte heerschappij, als hetgeen Hij aan de wereld wil bekendmaken en bewijzen, in al de grote dingen. die Hij voor en door Cyrus deed.
Merk op:
I. Hoe deze waarheid hier blootgelegd wordt in twee dingen, die de soevereiniteit van de grote Jahweh betreffen.
1. Hij alleen is God en niemand meer dit wordt hier uitgesproken als een fundamentele waarheid, welke, indien zij waarlijk geloofd werd, alle afgoderij in de wereld zou vernietigen. Met welk een ontzagwekkend, bevelend voorkomen van majesteit en gezag, dat alle mededingers als het ware uitdaagt, verkondigt de grote God hier aan de wereld: Ik ben de Heere, Ik ben Jahweh, en niemand meer, buiten mij is er geen God, geen zelfbestaand, zelfgenoegzaam wezen, niemand is van eeuwigheid en oneindig behalve Ik. En opnieuw, vers 6 :Er is buiten mij niets, allen die met mij in vergelijking gebracht worden, zijn enkel namaaksels, zij zijn allen ijdelheid en leugen, want Ik ben de Heere, en niemand meer. Dit wordt hier tot Cyrus gezegd, niet alleen om hem te genezen van de zonde van zijn voorvaderen, die de afgoden aangebeden hadden, maar ook om hem te bewaren voor het vallen in de zonde van sommigen van zijn voorgangers in overwinning en soevereiniteit, welke zichzelf tot goden opgeworpen hadden en verafgood werden, waaraan, volgens sommigen, de afgoderij voor een goed deel moet toegeschreven worden. Cyrus moest, wanneer hij tot rijkdom en grootheid gekomen was:, steeds in gedachten houden dat hij slechts een mens was, en dat er niet meer dan één God is.
2. Hij is de Heere van alles, en buiten Hem geschiedt er niets. Ik formeer het licht, dat aangenaam en weldadig is, en Ik schep de duisternis, die onaangenaam en hinderlijk is vers 7. Ik maak de vrede, die hier alle goeds vertegenwoordigt, Ik schep het kwaad, niet het kwaad van de zonde, daarvan is God de bewerker niet, maar het kwaad van de straf Ik de Heere doe, dat is: regel en bestier, al deze dingen.
a. Zie hier de zeer verschillende gebeurtenissen, die de kinderen van de mensen overkomen, licht en duisternis, tegenover elkaar gesteld, en door de beschikking van de voorzienigheid toch meermalen met elkaar vermengd, gelijk de morgen- en de avondschemering, "geen dag en geen nacht," Zacheria 14:6, een mengsel van vreugde en droefheid in dezelfde beker, met elkaar verbonden, Soms wisselen ze elkaar zo geregeld af als het licht van de middag en de duisternis van de middernacht, die elk etmaal op tijd terugkomen, en soms is er slechts een zeer korte overgang van de een tot de ander gelijk in het geval van Job.
b. Dezelfde oorzaak van dit alles, en die is de eerste oorzaak van alles. Ik de Heere, de fontein van al wat bestaat en de fontein van alle macht. Hij die het licht van de natuur geschapen heeft, Genesis 1:3 schept nog het licht van de voorzienigheid, die Het eerst vrede bracht tussen de woelige en strijdige elementen van de natuur maakt ook vrede tussen de belangen van de mensen, Hij, die de natuurlijke duisternis toeliet, welke niets anders dan beroving van licht was, schept ook de duisternis van de voorzienigheid, want aan droefheid en smarten geeft Hij zijn bepaalde bevelen. De wijze God regelt al onze vertroostingen, maar ook al onze beproevingen in deze wereld. II. Hoe deze waarheid hier wordt bewezen en bekend gemaakt.
1. Zij wordt bewezen door hetgeen God deed voor Cyrus. Buiten mij is er geen God, vers 5, want: Ik zal u gorden (of Ik heb u gegord) hoewel gij mij niet kent. Het was niet uw eigen afgod, die gij kent en aanbidt, die u voor deze onderneming gordde en u daarvoor gezag en bekwaamheid gaf. Neen, Ik was het die u gordde, ofschoon gij mij niet kent of zoekt. Hierdoor was het duidelijk dat de God van Israël de enige ware God is, Hij maakt en gebruikt hetgeen Hem behaagt, ook al zijn die mensen vreemd voor Hem en eren zij andere goden.
2. Het wordt aan de gehele wereld bekendgemaakt zowel door zijn woord als door zijn voorzienigheid en door de getuigenis van de lijdende Joden in Babylon, opdat allen mogen weten van de opgang tot de nedergang van de zon, van het oosten tot het westen, dat de Heere God is, en niemand meer. De wondervolle bevrijding van de Joden verkondigde aan de gehele wereld dat daar is geen God dan de God van Jeschurun, die door de hemelen rijdt tot hun hulp.
III. Hoe deze waarheid hier wordt ingeprent en toegepast.
1. Ter vertroosting van hen, die vurig verlangden naar en toch rustig wachtten op de verlossing van Israël, vers 8. Drupt, gij hemelen van boven af. Sommigen beschouwen dit als een gebed van de heiligen om verlossing. Ik geloof veeleer dat het Gods gebod daartoe is, want Hij wordt gezegd "verlossing te bevelen" Psalm 44:4. Het bevel wordt gegeven aan hemel en aarde, en aan beider heirscharen zoals koninklijke bevelen gewoonlijk gegeven worden en alle ambtenaren bereiken. Alle schepselen worden op hun plaats aangesteld om bij te dragen tot de uitvoering Van dit grote werk als God wil dat het verricht zal worden. Indien de mensen niet willen meehelpen zal God het werk buiten hen tot stand brengen, geluk Hij doet met de dauw des hemels en het gras van de aarde, "dat naar geen man wacht, noch mensenkinderen verbeidt," Micha 5:6.
Merk op:
A. De wijze, waarop deze grote verlossing voor Israël bewerkt wordt. Eerst moet er rechtvaardigheid in hen gewrocht worden, dat is: zij moeten gebracht worden tot berouw over hun zonden, tot verzaking van hun afgoderijen, tot wederkering tot God en hervorming van hun leven. En dan, en niet vroeger, zal de verlossing voor hen bewerkt worden. Wij moeten geen verlossing zonder rechtvaardigmaking verwachten, deze zullen tegelijk ontspruiten, want de Heere heeft ze tegelijkertijd geschapen, en wat Hij samengevoegd heeft mogen wij niet scheiden. zie Psalm 85:9, 10, 11. Christus stierf om ons te verlossen van onze zonden, en niet in onze zonden, en Hij is verlossing voor ons gemaakt door voor ons rechtvaardigheid en heiligmaking te worden.
B. De middelen voor deze grote verlossing, eerdat zij zou mislukken wanneer de daartoe bestemde tijd gekomen is, zullen de hemelen van boven druppen, en de wolken vloeien van gerechtigheid en zal de aarde zich openen opdat allerlei heil uitwasse, en gerechtigheid tezamen uitspruite, en dat alles zal samenwerken tot de hervorming en zo tot de herstelling van het Israël van God. Het is uit de hemel, van boven de wolken, dat de gerechtigheid zal nederdruppelen, want alle goede gave en volmaakte gift komt van boven. En nu de meer overvloedige uitstorting van de Heilige Geest gekomen is, wordt zij milder gegeven, en indien onze harten geopend zijn om haar te ontvangen, zal de uitwerking zijn het voortbrengen van vruchten van de gerechtigheid en van eeuwige verlossing. 2. Ter bestraffing van de vijanden van de kerk, die deze verlossing tegenstaan, of van haar vrienden, die er aan wanhopen, vers 9. Wee degene, die met zijn Formeerder twist. God is de formeerder van al deze dingen, en ook onze formeerder, en dat is de reden, waarom wij altijd ons aan Hem moeten onderwerpen en nooit met Hem twisten.
A. Laat de trotse onderdrukkers, in de verheffing van hun harten, niet tegen Gods voornemen ter verlossing van zijn volk in opstand komen, of denken dat zij die een ogenblik kunnen tegenhouden wanneer de tijd er voor gekomen is. Wee de beledigende Babyloniërs, die zich tegen God verzetten, gelijk Farao deed, en zijn volk niet willen gaan laten.
B. Laat de arme verdrukten, in de neerslachtigheid van hun harten, niet murmureren en tegen God twisten over de verlenging van hun gevangenschap, alsof Hij hen onrechtvaardig of onvriendelijk behandelde, of menen zichzelf te kunnen helpen alvorens Godstijd gekomen is. Zij, die met hun Maker twisten, brengen zichzelf in een toestand van wee, want niemand heeft zijn hart tegen God verhard en is voorspoedig geweest. De zondige mens is inderdaad een twistziek schepsel, maar de potscherf mag met aarden potscherven twisten, de mensen zijn slechts aarden potten, ja, zij zijn gebroken potscherven, en dat worden zij meestal door hun onderlinge twisten, daardoor worden zij tegen elkaar in stukken gestoten. Indien zij genegen zijn om te twisten, dan moeten zij het maar met elkaar doen, zij moeten met hun gelijke twisten, maar laat hen het niet wagen om te twisten met Hem, die oneindig boven hen verheven is.
C. Dat is even dwaas en ongerijmd als dat de klei aanmerkingen zou maken op de pottenbakker. Zal ook het leem tot zijn formeerder zeggen: Wat maakt gij? Waarom geeft gij mij deze vorm en niet een anderen? Ja, het is zo onzinnig alsof het leem in hitte van de toorn tegen de pottenbakker zou ontbranden en hem toevoegen, Hij heeft geen handen! Hij doet zijn werk zo slecht alsof hij geen handen had! Zal het leem zich verbeelden wijzer te zijn dan zijn maker, en hem daarom raad geven, of machtiger dan de pottenbakker, en hem daarom bestraffen? Hij die ons het aanzijn, en wel dit en geen ander aanzijn gaf, mag over ons beschikken en ons gebruiken zoals Hem behaagt, en het is onzinnige aanmatiging van ons als we Hem iets voorschrijven. Zullen wij Gods wijsheid bedillen of zijn macht betwijfelen, wij die zelf zo wonderbaarlijk gemaakt zijn? Of zullen wij zeggen: Hij heeft geen handen, van Hem, wiens handen ons gemaakt hebben en in wiens handen wij zijn? De waarheid van Gods soevereiniteit bevat genoeg om al onze ontevredenheid en al onze aanmerkingen op zijn voorzienigheid en genade het zwijgen op te leggen, Romeinen 9:20, 21.
D. Het is even onnatuurlijk als dat een kind zijn ouders te berispen zou vinden, en tot zijn vader zou zeggen: Wat hebt gij gegenereerd? of tot zijn moeder: Wat hebt gij gebaard? Waarom ben ik niet gegenereerd en geboren als engel, en dus niet onderworpen aan de zwakheden van de menselijke natuur en de ongelukken van het menselijk leven? Moeten niet alle kinderen van de mensen verwachten te zullen delen in het gemeenschappelijk lot en te ondergaan wat anderen ondergaan? Is God onze Vader, waar is dan Zijn eer in onze onderworpenheid aan Zijn wil?