Jesaja 44:21-28
In deze verzen hebben wij:
I. De plicht, waartoe Jakob en Israël, die nu in gevangenschap zijn, geroepen worden om hen bevoegd en bereid te maken voor de verlossing, die hun bereid is. Onze eerste zorg moet wezen om goeds te verkrijgen uit onze beproeving en dan kunnen wij hopen dat zij van ons weggenomen zal worden. Die plicht wordt uitgedrukt in twee woorden: "Gedenk en keer weer," zoals in de raad aan Efeziers, Openbaring 2:45.
1. "Gedenk o Jakob, aan hetgeen u gezegd is van de dwaasheid van de afgoderij en laat de overtuiging, waaronder gij nu zijt, u altijd levendig voor de geest wezen, als gij in verzoeking zijt om deze zonde te begaan. Gedenk, dat gij Mijn knecht zijt, en dus geen andere meesters moet dienen."
2. Keer tot Mij weer, vers 22, het is de grote plicht en het belang van hen, die van God zijn afgeweken, om zich te haasten om tot Hem weer te keren, en dat is het, waartoe Hij hen roept, als zij in beproeving zijn en als Hij tot hen wederkeert in een weg van genade.
II. De gunsten, waarvan aan Jakob en Israël, die nu in gevangenschap zijn, de verzekering wordt gegeven, en wat hier aan hen beloofd wordt op hun gedenken en weerkeren tot God, worden in geestelijke zin beloofd aan allen, die op gelijke wijze tot God terugkeren. Het is een zeer troostrijk woord, want er ligt meer in opgesloten dan is uitgedrukt, vers 21. "Israël, gij zult van Mij niet vergeten worden, hoewel dit voor het ogenblik zo schijnt te zijn." Als wij beginnen God te gedenken, dan zal Hij beginnen ons te gedenken, ja Hij is het, die het eerst onzer gedenkt. Merk hier nu op:
1. De gronden, waarop Gods gunstige voornemens jegens Zijn volk gebouwd waren, en waarop zij hun verwachtingen van Hem kunnen bouwen Hij zal hen uit de gevangenschap verlossen, want:
A. Ze zijn Zijn knechten en daarom heeft Hij een rechtmatige twist met hen, die hen gevangen houden: laat Mijn volk trekken, dat zij Mij dienen. De knechten van de Koning van de koningen zijn onder zeer bijzondere bescherming.
B. Hij heeft hen geformeerd tot een volk, hen geformeerd van de moederschoot af, vers 24. Van het eerste begin van hun uitbreiden en toenemen tot een natie, waren zij onder Zijn bijzondere zorg en leiding, meer dan enig ander volk, Hij heeft hun nationale constitutie beraamd en gevormd, en Zijn verbond met hen was de handvest, die hen tot een volk maakte, zij zijn de Zijnen, en Hij zal hen verlossen.
C. Hij heeft hen voorheen verlost, hen menigmaal uit grote benauwdheid gered, en Hij is nog dezelfde, staat in dezelfde betrekking tot hen, heeft dezelfde zorg over hen. Keer weer tot Mij, want Ik heb u verlost, vers 22. Tot wie anders zult gij gaan dan tot Mij?" Hen verlost hebbende, zowel als geformeerd, heeft Hij nog een verder recht op hen verkregen, heeft Hij eigendomsrecht op hen, hetgeen een goede reden is, weerom zij in gehoorzame plichtsbetrachting tot Hem moeten wederkeren en waarom Hij in genade zal terugkeren tot hen De Heere heeft Jakob verlost. Hij staat op het punt om dit te doen, vers 23. Hij heeft besloten het te doen, want Hij is de Heere, hun Verlosser, vers 24. Het werk van de verlossing, dat God door Zijn Zoon voor ons gewrocht heeft, moedigt ons aan om te hopen op alle beloofde zegeningen van Hem. Hij, die ons tot zo'n grote prijs verlost heeft, zal wat Hij tot zo'n dure prijs verkregen heeft, niet verliezen.
D. Hij heeft zich heerlijk gemaakt in hen, vers 23, en daarom zal Hij dit nog doen, Johannes 12:28. Het is een oorzaak van vertroosting voor ons om te zien, dat Gods heerlijkheid betrokken is in de verlossing van de kerk want daarom zal Hij gewis Jakob verlossen, omdat Hij zich aldus verheerlijkt. En dit verzekert ons dat Hij de verlossing van Zijn heiligen zal voltooien door Zijn Zoon, Jezus Christus, omdat er een dag gesteld is, wanneer Hij verheerlijkt en bewonderd zal worden in hen allen.
E. Hij heeft hun zonden vergeven, die de oorzaak waren van hun rampen, en de enige hinderpaal voor hun verlossing, vers, 22. Daarom zal Hij het juk van de gevangenschap van hun hals verbreken, omdat Hij hun overtredingen heeft uitgedelgd als een nevel. Onze overtredingen en onze zonden zijn als een wolk, een zware wolk, zij stellen zich tussen de hemel en de aarde, en doen voor een tijd de gemeenschap ophouden tussen de bovenwereld en de benedenwereld-de zonde maakt scheiding tussen ons en God, Hoofdstuk 50:1. Zij dreigen een storm, een overstroming van toorn, zoals dikke wolken dat doen, die God op de zondaren zal regenen, Psalm 11:6. Als God de zonde vergeeft, dan delgt Hij die wolk uit, deze zware wolk, zodat de gemeenschap met de hemel weer open is. God ziet in gunst neer op de ziel, de ziel ziet met welbehagen op tot Hem. Door de invloed van de Zon der gerechtigheid is de wolk verdreven. Het is alleen door Christus, dat de zonde vergeven wordt. Als de zonde vergeven is, dan is zij als een uiteengedreven wolk, zij wordt niet meer gezien, zij is geheel verdwenen, "de ongerechtigheid van Jakob zal gezocht, maar niet bevonden worden", Jeremia 50:20, en de vertroostingen, die in de ziel vloeien als de zonde vergeven is, zijn als heldere zonneschijn na volken en regen.
2 De algemene blijdschap, die de verlossing van Gods volk teweeg zal brengen, vers 23. Zingt met vreugde, gij hemelen. Dit geeft te kennen:
a. Dat de gehele schepping reden zal hebben om zich te verblijden in de verlossing van Gods volk, daaraan is het te danken dat zij in wezen blijft, dat zij verlost is van de vloek, die de zonde van de mensen over de aardbodem gebracht heeft, en dat zij wederom in een toestand is gebracht, waarin zij beantwoorden kan aan het doel van haar bestaan, en verzekerd is dat zij, hoewel zij thans zucht, bezwaard zijnde, ten slotte verlost zal worden van de last van het bederf. De grootste inrichting van de wereld is het koninkrijk Gods erin, Psalm 96:11, 13, 98:7, 9.
b. Dat de engelen er zich in zullen verblijden, en de inwoners van de bovenwereld. De hemelen zullen zingen omdat de Heere het gedaan heeft, en er is blijdschap in de hemel als God en de mens verzoend zijn, Lukas 15:7, en als Babylon is gevallen, Openbaring 18:20.
c. Dat zij, die op de grootste afstand gelegen zich, namelijk de bewoners van de heidenwereld zich zullen verenigen met deze lofzeggingen daar zij delen in deze blijdschap. De lagere delen van de aarde, de wouden en het geboomte ervan, zullen hun tribuut van dankzegging brengen voor de verlossing van Israël.
3. De aanmoediging, die wij hebben om te hopen dat, hoewel er grote moeilijkheden, die onoverkomelijk geacht werden, liggen op de weg voor de verlossing van de kerk, die alle toch gemakkelijk overwonnen zullen worden, als de tijd er voor gekomen is, want alzo spreekt Israëls Verlosser: Ik ben de Heere, die alles doet, die alles gedaan heeft, en nog steeds blijft doen, want de voorzienigheid is een voortdurende schepping alle bestaan, alle macht en leven, alle beweging en volkomenheid zijn van God. Hij breidt de hemel uit boven, Hij heeft geen helper en heeft er ook geen nodig Hij spant ook de aarde uit, Hij doet het door Hemzelf, door Zijn macht en kracht. De mens was niet bij Hem, toen Hij het deed, Job 38:4, noch heeft enig schepsel daarbij met raad of daad bijgestaan, alleen Zijn eigen eeuwige wijsheid en zijn Woord was Hem als een troetelkind, Spreuken 8:30. Dat Hij de hemelen heeft uitgebreid toont het grenzenloze van Zijn macht, de sterkste man zal, als hij iets wil uitbreiden de één of andere moeten hebben om hem te helpen, maar God heeft de onmetelijke hemelen uitgebreid en houdt ze nog uitgebreid door Zijn eigen kracht. Zo laat Israël dan niet ontmoedigd zijn, niets is te moeilijk voor Hem, die de wereld gemaakt heeft, Psalm 124:8. En alles gemaakt hebbende, kan Hij van alles het gebruik maken dat Hem behaagt, en heeft Hij het in Zijn macht om er zijn eigen doeleinden mee te dienen.
4. De beschaming, die dit brengen zal over de orakelen van Babel, door de weerlegging die dit voor hen zijn zal, vers 25. Door Zijn volk uit Babel te verlossen, zal God de tekenen van de leugendichters vernietigen en van al de leugenprofeten, die zeiden dat de Babylonische monarchie nog vele eeuwen zou bestaan blijven, en voorgaven dat zij hun voorzegging grondden op zekere tekenen, die naar de regelen van hun kunst haar voorspoed voorspelden. Hoe dol van ergernis zullen deze bezweerders worden, als zij zien dat hun kunst, hun bekwaamheid, hen in de steek laat, en dat het tegenovergestelde gebeurt van hetgeen zij zozeer begeerden en waarvan zij zich zo zeker waanden. En het zal niet alleen hun voorgewende profeten teleurstellen, maar ook hun zo vermaarde staatslieden, Hij doet de wijzen achterwaarts keren, bevindende dat zit hun plannen niet kunnen volvoeren, zijn zij genoodzaakt ze op te geven, en zo maakt Hij de rechters tot dwazen, en verdwaast Hij hun wetenschap. Zij, die bekend worden gemaakt met Christus, zien dat al de wetenschap, die zij tevoren hadden, dwaasheid was in vergelijking met de kennis van Hem. En zij, die tegenstanders van Hem zijn zullen bevinden dat al hun zaad, evenals die van Achitofel tot zotheid wordt gemaakt, en dat zij zelf in hun arglistigheid worden gevat, 1 Corinthiers 3:19
5. De bevestiging, die dit zou geven aan de orakelen Gods, die de Joden hadden gewantrouwd en hun vijanden hadden veracht. God bevestigt het woord van Zijn knecht, vers 26, Hij bevestigt het door het te bestemder tijd te volbrengen. en Hij volbrengt de raad van Zijn boden, die Hij menigmaal tot Zijn volk had gezonden, om hun te zeggen welke grote zegeningen Hij voor hen had weggelegd. De nauwkeurige vervulling van de profetie van de Schrift is een bevestiging van de waarheid van het gehele boek, en een onbetwistbaar bewijs van zijn Goddelijken oorsprong en gezag.
6. De bijzondere gunsten, die God bestemd had voor Zijn volk, dat nu in gevangenschap is, vers 26-28. Dezen waren lang voordat zij in gevangenschap gingen reeds voorzegd, opdat zij wel reden zouden zien om een tuchtiging te verwachten, maar geen reden zouden zien om een finale verwoesting te vrezen.
A. Er wordt hier verondersteld dat Jeruzalem en de steden van Juda voor een tijd in puin zullen liggen, ontvolkt en onbewoond zullen zijn, maar er wordt beloofd dat zij herbouwd en wederom bevolkt zullen worden. Toen Jesaja leefde, waren Jeruzalem en de steden van Juda vol van inwoners, maar zij zullen ontledigd worden, verbrand en verwoest, het was toen moeilijk om dit van zo sterke en volkrijke steden te geloven. Maar de gerechtigheid Gods zal dit doen, en als het gedaan is, dan zal het moeilijk zijn om te geloven dat zij ooit weer hersteld zullen worden, en toch zal de ijver van de Heere van de heirscharen ook dat doen. God had tot Jeruzalem gezegd, gij zult bewoond worden, want zo lang de wereld staat, zal God er een kerk in hebben, en daarom zal Hij diegenen verwekken, die tot Jeruzalem zullen zeggen: "Gij zult gebouwd worden, want indien het niet gebouwd wordt, dan kan het niet bewoond worden", Psalm 69:36, 37. Als Gods tijd is gekomen voor het opbouwen van Zijn kerk, laat het dan gerust aan Hem over om huizen te vinden voor Zijn volk, want zij zullen niet open en bloot liggen, en volk voor Zijn huizen, want deze zullen niet leeg staan. Ook de steden van Juda zullen herbouwd worden. Het Assyrische leger onder Sanherib heeft ze slechts ingenomen, en nadat dit leger verslagen was, zijn zij weer onbeschadigd in het bezit van de rechtmatige eigenaars gekomen, maar het Chaldeeuwse leger heeft ze afgebroken, en door de inwoners weg te voeren, lieten zij ze geheel en al in verval komen, want indien de mindere oordelen de mensen niet tot verootmoediging en verbetering van hun leven brengen, dan zal God grotere zenden, toch zullen deze verwoestingen niet eeuwigdurend zijn, God zal de verwoeste plaatsen oprichten, want Hij zal niet eeuwiglijk twisten. Als de stad van de vreemden verwoest is, zal zij niet herbouwd worden, Hoofdstuk 25:2, maar de stad van Gods eigen kinderen zal meer voor een wijle ophouden een stad te zijn.
B. Hier wordt verondersteld dat ook de tempel verwoest zal worden en voor een tijd tot aan de fundamenten toe in puin zal liggen, maar er is beloofd dat het fundament ervan wederom gelegd zal worden, en dat hij zonder twijfel weer opgebouwd zal worden. Gelijk voor de vrome Joden de verwoesting van het heiligdom het treurigste deel was van de verwoesting, zo zullen de wederoprichting en wederherstelling ervan het meest vreugdevolle deel zijn van de verlossing. Welke blijdschap kunnen zij smaken in de herbouwing van Jeruzalem indien de tempel aldaar niet ook herbouwd wordt, want deze is het, die Jeruzalem tot een heilige stad maakt en er de wezenlijke schoonheid van is. Dit was dus het voornaamste, dat de Joden aan het hart lag en dat zij bij hun terugkeer op het oog hadden. Daarom was het, dat zij naar Jeruzalem wilden wederkeren, namelijk "om er het huis des Heeren, van de God van Israëls, te bouwen," Ezra 1:3.
C. Er wordt hier verondersteld dat er zeer grote moeilijkheden zullen liggen op de weg van hun verlossing, die voor hen onmogelijk te overkomen zouden zijn, maar er is beloofd dat zij door Goddelijke macht allen uit de weg geruimd zullen worden, vers 27. God zegt tot de diepte: Verdroog. Dat deed Hij toen Hij Israël heeft uitgeleid uit Egypte, en dat zat Hij weer doen als Hij hen uitvoert uit Babel, zo dit nodig mocht wezen. Wie zijt gij, o grote berg, ? Staat gij in de weg? "Voor het aangezicht van Zerubbabel, de aanvoerder van de terugkerende gevangenen, zult gij worden als een vlak veld," Zacheria 4:7. Evenzo: Wie zijt gij, o grote diepte, houdt gij hun voortgang tegen en denkt gij hun de weg te versperren? Gij zult verdrogen en uw rivieren, die u water toevoeren, zullen verdrogen. Toen Cyrus Babel innam door de Eufraat droog te maken, daar hij de stroom in vele kanalen had afgeleid, waardoor de eigenlijke bedding van de rivier tot een weg werd gemaakt voor zijn leger, is dit vervuld geworden. Welke hinderpalen er ook in de weg zijn voor Israëls verlossing, God kan ze door een woord te spreken, wegnemen.
D. Er wordt hier verondersteld dat geen van de Joden in staat zou zijn, om door kracht of geweld zichzelf uit Babel te verlossen, zich een weg zou kunnen banen om er uit weg te komen, maar er is beloofd dat God een vreemdeling uit een ver land zou verwekken, die de weg voor hen zal openen, en nu noemt Hij eindelijk de man, en dat wel vele jaren voordat hij was geboren, of voordat iemand aan hem dacht, vers 28. Die van Cores zegt: Hij is Mijn herder. Israël is Zijn volk, zij zijn de schapen van Zijn weide, deze schapen zijn nu in het midden van de wolven, in de handen van de dief en moordenaar. Nu zal Cyrus zijn herder wezen, om deze schapen te bevrijden en zorg te dragen dat zij tot hun eigen grazige weiden terugkeren. "Hierin zal hij al Mijn welgevallen volbrengen wat door Mij besloten en bepaald is, zal hij tot stand brengen, en hij zal Mij grotelijks behagen." De meest wisselvallige dingen zijn ontwijfelbaar zeker voor de Goddelijke voorwetenschap. Hij wist wie de persoon was, en hoe zijn naam was, die de bevrijder zal zijn van Zijn volk, en toen het Hem behaagde, kon Hij het Zijn kerk laten weten, opdat zij, als zij hoorden dat er van zulk een naam begon gesproken te worden in de wereld, hun handen zouden opheffen met blijdschap, wetende dat hun verlossing nabij is. Het is voor de aanzienlijkste, de hoogst geplaatste mens een grote eer om gebruikt te worden door God als werktuig, om Zijn gunst te betonen aan Zijn volk. Het was meer tot lof van Cyrus om Gods herder te zijn dan om koning van Perzië te wezen. God maakt het gebruik dat Hem behaagt van mensen, van machtige mensen van hen, die met de grootste wijsheid handelen, en als zij denken dat zij doen wat hun behaagt, kan Hij hen overheersen, en hen laten doen wat Hem behaagt. Ja meer, in dezelfde dingen, waarin zij zichzelf dienen, en niet verder zien dan dat, dient God door hen Zijn eigen doeleinden, en laat Hij hen al Zijn welbehagen doen. Rijke vorsten zullen doen wat arme profeten hebben voorzegd.