Jeremia 50:9-20
Hier gaat God voort, bij monde van Zijn profeet, zoals later door Zijn leiding, met Babel te twisten. Let op,
I. De last en de opdracht, die gegeven wordt aan de werktuigen, die gebruikt zouden worden, om Babel te verwoesten. Het leger, dat zulks doen zal, wordt genoemd een verzameling van grote volken, vers 9, de Meden en Perzen, en al hun bondgenoten en hulptroepen, het wordt een verzameling genoemd, omdat zij door de goddelijken wil en raad verzameld worden om deze straf te voltrekken, "God zal ze verwekken om het te doen, Hij zal ze geneigd maken en in staat stellen tot Zijn dienst, en dan zal Hij ze opbrengen, want al hun bewegingen staan onder Zijn leiding en bevel". Hij zal het commando geven, zal de order geven: Rust u tegen Babel rondom, vers 14, en dan zullen die zich tegen haar rusten, vers 9, want wat God gelast te doen, dat zal gedaan worden, van daar zal zij snellijk ingenomen worden, van het eerste ogenblik af, dat zij zich voor haar legeren zullen zij gestadig vorderingen maken, totdat zij ingenomen wordt. God zal hun bevelen: Schiet in haar en spaart de pijlen niet, vers 14, en dan zullen hun pijlen zijn als een kloeke held, die beide, geoefendheid en kracht, een goed oog en een vaste hand heeft, vers 9, geen zal ledig wederkeren. Als God bevel geeft geeft hij ook welslagen. Niet alleen beveelt Hij hun in haar te schieten, vers 14, maar ook beveelt Hij: Juicht over haar rondom, vers 15, met een triomfantelijk gejuich, als degenen, die reeds zeker zijn van de overwinning. Die God beveelt te schieten, kunnen dat doen met gejuich want zij zijn zeker hun doel niet te missen.
II. De verwoesting en verlatenheid zelf, die over Babel gebracht zal worden. Hierover wordt met grote rijkdom van woorden uitgeweid.
1. De rijkdom van Babel zal een rijke en gemakkelijke prooi zijn voor de veroveraars vers 10. Chaldea zal ten roof zijn voor alle haar verstoorders, die zich zullen verrijken door haar te plunderen, en, wat vreemd is, allen, die het beroven, zullen verzadigd worden, zij zullen zoveel hebben, dat zij zelf zullen zeggen, dat zij genoeg hebben.
2. Het land van Babel zal ontvolkt worden on onbewoond blijven: Zij zal geheel een verwoesting worden, vers 13, in zo'n mate, dat, al wie voorbijgaat, juichen zal over haar val, en, in plaats van medelijden met hen te hebben, over alle haar plagen fluiten zal, vers 13.
3. Hun voorouders zullen beschaamd zijn over hun lafheid, omdat zij vluchtten voor de aanval, vers 12, of: Uw moeder, Babel zelf, de moederstad, is beschaamd, als zij ziet, dat zij verlaten wordt door degenen, die haar bewakers hadden moeten zijn. Zo zouden ook de eerste eeuwen van het christendom beschaamd en schaamrood worden, als zij zien konden, hoe weinig de latere eeuwen hun gelijken, en hoe droevig zij ontaard zijn, en geen zonde brengt een zekerder en smartelijker verderf over personen en volken dan afvalligheid.
4. De grote bewonderaars van Babel zullen zien, dat het zeer verachtelijk geworden is, het laatste van de koninkrijken, de achterste van de heidenen is zij geworden, een woestijn, dorheid en wildernis, vers 12. Het land, dat volkrijk was, zal ontvolkt worden, dat verrijkt was door een vruchtbaren bodem, zal kaal worden.
5. De grote stad, het hoofd er van, zal geheel tot puinhopen worden. "Haar fundamenten zijn gevallen, en daarom zijn haar muren afgebroken, " want hoe kunnen de muren staande blijven, als de goddelijke wraak aan de deur staat en de fundamenten zelf doet schudden? Het is de wraak des Heeren, waar niets mee twisten kan, in het recht noch in de strijd.
6. Er zullen in Babel niet overgelaten worden van de armsten des lands tot wijngaardeniers en tot akkerlieden, vers 16. Roeit uit van Babel de zaaier, en hij, die de sikkel hanteert het land zal zo volkomen ontvolkt worden, dat er niemand zal zijn, om de grond te bebouwen en de vruchten er van te verzamelen. De oogsttijd zal komen, en er zullen geen maaiers zijn, de zaaitijd zal komen, maar er zal geen zaaier zijn, God zal het Zijne doen, maar er zullen geen mensen zijn, om het hun te doen.
7. Al de hulptroepen, die ze gehuurd hadden, zullen hen in de steek laten, zoals huurlingen dikwijls doen bij de nadering van het gevaar, vers 16 :Laat hen, vanwege het verdrukkende zwaard, zich keren, een ieder tot zijn volk. Dit werd ook voorspeld aan Egypte, Hoofdstuk 46:16.
III. Hun tergingen, die de oorzaak waren van de verwoesting. Ze is volbracht om Gods misnoegen, het is vanwege de verborgenheid des Heeren, dat zij geheel een verwoesting worden zal, vers 13, en Zijn toorn is rechtvaardig, want, vers 14, zij heeft tegen de Heere gezondigd, daarom, spaart de pijlen niet. Het is de zonde, die de mensen tot het doelwit maakt van de pijlen van Gods oordelen. Overvloed van afgoderij en onzedelijkheid waren in Babel te vinden, en toch worden die niet opgegeven als de oorzaak van Gods misnoegen tegen hen, maar het onrecht, dat zij Gods volk hadden aangedaan, uit een beginsel van vijandschap tegen hen als Zijn volk. Zij zijn de plunderaars Mijner erfenis geweest, vers 11, hierin maakte God wel is waar gebruik van hen voor de noodzakelijke kastijding van Zijn volk, maar toch wordt het hun ten laste gelegd als een snode misdaad, omdat zij niets anders bedoelden dan hun volkomen uitroeiing.
1. Wat zij tegen Jeruzalem deden, deden zij met genoegen, vers 11 :Gij hebt u verblijd, gij zijt van vreugde opgesprongen. God kastijdt Zijn volk niet uit leedvermaak, en daarom neemt Hij het zeer kwalijk, als de werktuigen, die Hij gebruikt, hen uit leedvermaak kastijden. Toen Titus Jeruzalem verwoestte, weende hij erover maar deze Chaldeën juichten er over.
2. De roof van Jeruzalem gebruikten zij om hun genotzucht te bevredigen: "Gij zijt geil geworden als een grazige vaars, en hebt gebriest als de sterke paarden, " dat gij Jeruzalem veroverd hebt, heeft u dartel en trots gemaakt toegeeflijk voor u zelf, en geducht voor allen om u heen, en daarom moet gij "ten roof zijn." Zij, die rijkdommen hebben verzwolgen, moeten ze ook weer uitbraken. Daarom heeft zij haar hand gegeven, vers 15, zij hebben zich overgegeven aan de overwinnaar, zij hebben zich gedwee onderworpen, dat wreekt u nu aan haar nu kunt gij het haar vergelden, doet haar gelijk als zij gedaan heeft.
3. Zij bedoelden niets minder dan de volkomen uitroeiing van Gods Israël: Israël is een verbijsterd lam, zie vers 6, dat niet alleen gekweld wordt door de honden, die er tegen blaffen, maar zelfs leeuwen, zijn machtigste tegenstanders, hebben tegen hem gebruld en hem verjaagd, vers 17. Een koning van Assyrië voerde de tien stammen in hun geheel weg en verteerde ze, een andere deed een inval in Juda plunderde het en maakte het arm, rukte dit arme schaap vel en vlees af, en nu tenslotte heeft deze Nebukadnezar, die de schrik en de plaag van al zijn buren is, gebruik gemaakt van de treurige toestand, waarin het geraakt is, en is er op aangevallen en heeft het de beenderen verbrijzeld, heeft de verwoesting voltooid, en daarom moet de koning van Babel gestraft worden evenals de koning van Assyrië gestraft is, vers 18. Zij, die de zonden van hun voorgangers volgen en vervolgen, kunnen verwachten door hun plagen gevolgd en vervolgd te worden, wanneer zij doen, wat die deden, dan zal het hun ook gaan, zoals het die gegaan is.
IV. De genade beloofd aan het Israël Gods, die met de verwoesting van Babel niet alleen gepaard zal gaan, maar er uit voortkomen.
1. God zal hun gevangenis wenden, zij zullen uit de slavernij verlost worden, en weer tot hun woning gebracht, als verstrooide schapen tot hun kudde, vers 19. Zij hadden nog steeds recht op het land Kanaän, nog steeds is het hun woning. De schorsing van hun bezit was geen vernietiging van hun eigendom. Maar nu zullen zij in het genot er van hersteld worden.
2. Hij zal hun voorspoed herstellen, zij zullen niet alleen weer leven in hun eigen land, maar er een ruim bestaan hebben, "Hij zal weiden op de Carmel en op de Basan, de rijkste en vruchtbaarste delen van het land". Deze schapen zullen vergaderd worden uit de woestijnen, waarheen zij verstrooid waren, en weer in een vette weide gebracht, waarin hun ziel verzadigd zal worden, hoewel zij er hongerig komen zullen, daar zij zo lang beperkt, kort gehouden en op rantsoen gesteld zijn geweest, zullen zij er genoeg vinden om hen te verzadigen en zullen lust hebben om er zich mee te verzadigen. Zij vroegen de weg naar Zion, vers 5, waar God gediend en aangebeden zou worden. Dat was het wat zij hoofdzakelijk bedoelden bij hun terugkeer, maar God zal hen niet alleen daarheen brengen, maar ook naar Carmel en Basan, waar zij overvloedig voedsel zullen vinden. Die tot God en hun plicht terugkeren, zullen daarin ware zielsvoldoening vinden, en zij, die eerst "het koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid" zoeken, wier bedoeling het is in Zion te gaan wonen, de berg van Gods heiligheid, "zullen al deze dingen toegeworpen worden, ook de voortbrengselen van Ephraim en Gilead de vruchtbare heuvels."
3. God zal hun ongerechtigheid vergeven, dat is de wortel van al het overige, vers 20 :In die dagen zal Israëls ongerechtigheid gezocht worden, maar zij zal er niet zijn. Niet alleen de straf van hun ongerechtigheid zal weggenomen worden, maar de ergernis, die het God gaf, zal vergeten zijn, en Hij zal met hen verzoend zijn. Hun zonde zal voor Hem zijn, alsof zij er nooit geweest was, zij zal weggevaagd worden als een wolk, doorgehaald als een schuld, achter Zijn rug geworpen, ja, zij zal in de diepte van de zee geworpen worden, zij zal niet langer in Gods schatkamer verzegeld zijn, noch dreigen weer te verschijnen en tegen hen op te staan. Dit beduidt, hoe volkomen God de zonde vergeeft: "Hij gedenkt er niet meer aan." Verlossing uit ellende is werkelijk een zegen, als zij de vrucht is van de vergeving van de zonde zie Jesaja 38:17. Juda en Israël hadden zo volkomen vergiffenis verlangd, toen zij uit Babel teruggebracht werden, dat gezegd wordt, "dat zij van de hand des Heeren dubbel ontvangen heeft voor alle haar zonden," Jesaja 40:2. Dit kan ook insluiten een algehele verbetering van hun hart en leven, zowel als een volkomen vergeving van hun zonden. Als iemand onder hen zoekt naar afgoden of afgodische gewoonten, zal er geen zijn, zij zullen niet gevonden worden, zij zullen zuiver, van schuim ontdaan zijn, en daaruit zal blijken, dat zij ook van schuld gezuiverd zijn, "want Ik zal ze degene vergeven, die Ik zal doen overblijven, Ik zal verzoenend voor hen zijn (dat is het woord) en dat moet zijn door Hem, die de grote verzoening is". Wier zonden God vergeeft, bewaart Hij voor iets zeer groots, want "die Hij gerechtvaardigd heeft, die heeft Hij ook verheerlijkt."