Jesaja 40:18-26
Hier bestraft de profeet hen:
1. Die God voorstellen door schepselen, en aldus Zijn waarheid in een leugen veranderden, en Zijn heerlijkheid in schande verkeerden, die beelden maakten, en dan zeiden dat zij op God geleken en hun dienovereenkomstig hulde bewezen.
2. Die schepselen in de plaats van God stelden, die hen meer vreesden dan God, alsof zij Zijn gelijken waren, of hen meer liefhadden dan God, alsof zij geschikt waren om Zijn mededingers te zijn. Tweemaal wordt hier de uitdaging gedaan: Bij wie dan zult gij God vergelijken? vers 18, en wederom vers 25. De Heilige zelf zegt: Bij wie dan zult gijlieden Mij vergelijken? Dit toont de dwaasheid en ongerijmdheid aan:
a. Van lichamelijke afgoderij, zichtbare beelden makende van Hem, die onzichtbaar is, zich verbeeldende dat het beeld bezield zal worden door de Godheid, en dat de Godheid vertegenwoordigd kan worden door het beeld hetgeen, gelijk het een voorbeeld en bewijs was van de verdorvenheid van de menselijke natuur, ook een onduldbare belediging was van de eer van de Goddelijke natuur.
b. Van geestelijke afgoderij, schepselen gelijk stellende met God in onze genegenheden. Hoogmoedige mensen stellen zich gelijk met God, gierige, hebzuchtige mensen stellen hun geld gelijk met God, en al wat wij eren of liefhebben meer dan God, alles wat wij vrezen meer dan God, waarop wij hopen meer dan wij op God hopen, stellen wij gelijk met God, hetgeen de grootst-mogelijke belediging is van Hem, die God is boven allen.
Om nu de ongerijmdheid hiervan aan te tonen:
I. Beschrijft de profeet afgoden als verachtelijke dingen, waardig om aan de diepste verachting te worden prijsgegeven, vers 19, 21. Beschouw eens de betere soort ervan, die rijke lieden oprichten en aanbidden. Zij worden gemaakt van een mindere metaalsoort, gegoten in de vorm, die de gieter er aan wil geven, en dan worden zij verguld, of overtrokken met platen van goud teneinde voor een gouden beeld door te gaan. Het is een schepsel, want de werkmeester heeft het gemaakt, en derhalve is het geen god, Hosea 8:6, het hing af van zijn wil of het een god zijn zal, en van welke vorm of gedaante het zijn zou. Het is een bedrog, want van buiten is het goud, maar van binnen is het lood of koper, en daarin werden die godheden in waarheid voorgesteld, als niet zijnde wat zij schenen te zijn en hun bewonderaars bedriegende. Hoe verachtelijk zijn dan niet de slechtste soorten ervan-de goden van de arme! Hij, die zo verarmd is dat hij nauwelijks een offer kan brengen aan zijn god, nadat hij hem gemaakt heeft, wil toch niet zonder een god van hemzelf zijn. En hoewel hij er zich geen van koper of steen kan aanschaffen, zal hij er toch liever een hebben van hout, dan er in het geheel geen te hebben. Te die einde kiest hij een hout, dat niet spoedig verrotten zal, en daarvan zal hij zijn gesneden beeld maken. Beiden komen hierin overeen dat zij hun god goed vastmaken, opdat zij er niet van beroofd zullen worden. De betere soorten hebben zilveren ketenen om ze er mee vast te maken, en hoewel het slechts een houten beeld is, wordt er zorg voor gedragen dat het niet kan wankelen. Laat ons nu een weinig stilstaan, en zien:
1. Hoe deze afgodendienaars zichzelf te schande maken, en welk een smaad zij hun eigen verstand aandoen door te denken, dat goden, die zij zelf gemaakt hebben-nehustans, stukken koper, of blokken hout, in staat zouden zijn om hun enigerlei dienst of vriendelijkheid te bewijzen. Zo verijdeld waren zij in hun gedachten, en hoe verduisterd was hun dwaas hart!
2. Zie hoe deze afgodendienaars ons beschaamd maken, ons, die de enig levende en ware God aanbidden. Zij spaarden geen kosten voor hun afgoden, wij beschouwen als verloren of verspild wat uitgegeven wordt in de dienst van onze God, zij droegen er zorg voor dat hun afgoden niet bewogen, niet weggenomen konden worden, wij brengen moedwillig God er toe om van ons te wijken.
II. Hij beschrijft God als oneindig groot en de hoogste eerbied waardig, zodat er tussen Hem en de afgoden, hoe groot de mededinging ook zij, geen vergelijking is. Om de grootheid van God te bewijzen, beroept hij zich:
1. Op wat zij van Hem gehoord hebben met het gehoor van het oor, en de erkentenis van alle eeuwen en volken nopens Hem, vers 2l. Hebt gij zelfs door het licht van de natuur het niet geweten? Is het u niet gezegd door uw vaders en onderwijzers overeenkomstig de overlevering, ontvangen van hun voorouders en voorgangers van de beginne af?" Deze bekendmakingen van God zijn zo oud als de wereld. Hebt gij het niet verstaan dat het van de grondlegging van de aarde altijd erkend is, dat God een groot God is en een groot Koning boven alle goden?" Het was een algemeen erkende waarheid dat er een oneindig Wezen is, dat de fontein is van alle bestaan. Dit is verstaan, niet slechts van het begin van de wereld, maar van en door de oorsprong van het heelal, het is gefundeerd op de grondslag van de aarde, de onzienlijke dingen Gods "worden van de schepping van de wereld aan uit de schepselen verstaan en doorzien," Romeinen 1:20. Gij kunt niet alleen uw vader vragen, en hij zal het u bekend maken, en uw ouden en zij zullen het u zeggen Deuteronomium 32:7, "maar vraag ook de voorbijgaanden op de weg," Job 21:29, vraag het de eerste de beste, die gij ontmoet, en hij zal u hetzelfde zeggen. Sommigen lezen dit Wilt gij niet weten? Wilt gij niet horen? Want zij, die onwetend zijn, zijn moedwillig onwetend het licht schijnt hun in het aangezicht, maar zij sluiten er hun ogen voor.
Hetgeen hier nu van God gezegd wordt is:
A. Dat Hij het gebied heeft over alle schepselen, de hemelen en de aarde zijn onder Zijn bestuur, Hij is gezeten boven de kloot van de aarde vers 22. Hij, die de bijzondere woning van Zijn, heerlijkheid heeft in de bovenwereld houdt Zijn heerschappij in stand over de lagere wereld, geeft haar wetten en leidt al haar bewegingen tot Zijn eigen eer, Hij zit ongestoord en ongehinderd op de aarde en aldus bevestigt Hij haar. Nog breidt Hij de hemelen uit door Zijn macht en voorzienigheid houdt Hij ze nog uitgestrekt, en Hij zal dit blijven doen totdat de dag komt, wanneer zij toegerold zullen worden gelijk een boek. Hij strekt ze even gemakkelijk uit als wij een gordijn heen en weer trekken, des morgens de gordijnen opentrekkende, en ze des avonds weer sluitende. En de hemel is voor deze aarde als een tent om in te wonen, het is het verhemelte dat boven ons hoofd toegetrokken wordt, Psalm 104:2.
B. Dat de kinderen van de mensen, zelfs de grootsten en de machtigsten, als niets zijn voor Zijn aangezicht. De talrijke inwoners van deze aarde zijn in Zijn ogen als sprinkhanen in de onze, even klein en onbeduidend, van even geringe waarde, van even weinig nut, en even gemakkelijk verpletterd. Als hoogmoedige mensen zich verheffen, dan is dit slechts als de sprong van een sprinkhaan, in een oogwenk moeten zij weer naar beneden, naar de aarde. Als de verspieders zich als sprinkhanen achtten voor de kinderen Enaks, Numeri 13:33, wat zijn wij dan voor de grote God? Sprinkhanen. leven slechts voor een wijle, en leven zorgeloos, niet zoals de mier, en zo leven ook de meeste mensen.
C. Dat, hoe geducht diegenen ook mogen zijn in de ogen van hun medeschepselen, die tegen Hem verschijnen en handelen, zij zeer zeker vernederd zullen worden, en door de sterke hand Gods naar beneden zullen gebracht worden. vers 23, 24. Vorsten en rechters, die groot gezag hebben, en het misbruiken tot ondersteuning van verdrukking en onrechtvaardigheid, achten hen, die hen omringen, als niets, "al hun tegenpartijders, die blazen zij aan", Psalm 10:5, 12:6, maar als de grote God hen bestraft, brengt Hij hen tot niets. Hij vernedert hen, Hij temt hen, en maakt hen als ijdelheid weinig geteld, niet gevreesd, en niet bemind. Hij maakt hen volstrekt onmachtig om voor Hem te bestaan in heigericht, hetgeen of,
a. Zal voorkomen dat zij in hun gezag worden bevestigd: zij zullen niet geplant worden, ja zij zullen niet gezaaid worden, en dat is de tweeërlei wijze, waarop planten voortgeplant worden namelijk door zaad of door stekjes, ja al verkrijgen zij ook een weinig invloed, en zij aldus geplant of gezaaid zijn, zal hun stam toch niet wortelen in de aarde, zij zullen niet lang de macht in handen hebben Elifaz heeft de dwaas wortelende gezien, doch terstond vervloekte hij zijn woning En hoe spoedig is dan niet de vijgeboom verdord! Of,
b. Hij zal hen vernietigen als zij denken gevestigd te zijn. Hij behoeft slechts op hen te blazen, en dan verdorren zij, en gaan teniet, en de stormwind zal ze als een stoppel wegnemen. Want hoewel Gods toorn in het eerst slechts licht op hen schijnt te blazen, zal hij toch spoedig als een machtige stormwind worden, als God oordeelt zal Hij overwinnen. Zij, die niet voor Hem willen buigen, kunnen niet bestaan voor Zijn aangezicht.
2. Hij beroept zich op hetgeen hun ogen van Hem gezien hebben, vers 26. Heft uw ogen op omhoog, blijft niet altijd staren op de aarde," het zijn ontaarde zielen die altijd naar de aarde gericht zin, daar er niets hemels in is-maar zie soms ook eens op," - de hemel gaf aan de mens een opgerichte gestalte, en gebood hem op de sterren te zien. "Beschouw de heerlijke lichten des hemels, bedenk wie ze geschapen heeft, zij hebben noch zichzelf gemaakt noch zichzelf in orde gerangschikt, ongetwijfeld moet er dus een God zijn, die hun hun bestaan, hun macht en hun beweging heeft gegeven. wat wij zien van het schepsel moet ons leiden tot de Schepper. Als de afgodendienaars hun ogen ophieven en het heir des hemels aanschouwden, konden zij, daar zij geheel opgingen in hetgeen hun uitwendige zinnen zagen, niet verder zien maar aanbaden het, Deuteronomium 4:19, Job 31:26. Daarom spoort de profeet ons hier aan om gebruik te maken van ons verstand, zowel als van onze zintuigen, en te bedenken wie ze geschapen heeft, en Hem onze hulde te brengen. Geef Hem de eer van Zijn soevereiniteit over hen, Hij brengt in getale hun heir voort, zoals een generaal zijn eskadrons en bataljons van zich leger voor laat treden, van de kennis, die Hij van hen heeft: Hij roept ze allen bij name, bij hun eigen namen, bij juiste namen, in overeenstemming met hun plaats en hun invloed, Psalm 147:4, en het gebruik, dat Hij van hen maakt. Als Hij ze oproept tot enige dienst, dan zijn zij zo gedienstig en gehoorzaam, dat vanwege de grootheid van Zijn kracht er niet een gemist wordt, maar, zoals toen de sterren in hun loopplaatsen streden tegen Sisera, doet een ieder van hun hetgeen hem is opgedragen. Om zulke schepselen dus tot mededingers te stellen met God, die zulke gehoorzame bereidwillige dienaren van Hem zijn, is een onrecht aan hen, zowel als een belediging voor Hem.