Numeri 13:26-33
Het is een wonder hoe het volk van Israël geduld had, om veertig dagen op de terugkomst van de verspieders te blijven wachten, toen zij gereed stonden Kanaän binnen te treden in de volle zekerheid van voorspoed, die de Goddelijke macht hun gaf, en die zij in de onafgebroken reeks van wonderen, welke hun totnutoe hadden vergezeld, ervaren hadden. Maar zij mistrouwden Gods macht en belofte, en wilden liever in onzekerheid gehouden worden door hun eigen raadslagen, dan tot zekerheid gebracht worden door Gods verbond. O hoe staan wij door ons ongeloof onszelf in de weg! Eindelijk zijn de boden teruggekeerd, maar zij zijn niet eenstemmig in het bericht, dat zij brengen.
I. De meerderheid brengt een ontmoedigend rapport uit, waardoor aan het volk de moed benomen wordt om voorwaarts te gaan. En terecht worden de Israëlieten overgelaten aan deze verzoeking, daar zij zo groot vertrouwen hadden gesteld in het oordeel van mensen, terwijl zij het woord Gods hadden om op te vertrouwen. Het is rechtvaardig in God om diegenen in een kracht van de dwaling te laten komen, die de liefde van de waarheid niet hebben aangenomen. Let op hun rapport:
1. Zij kunnen niet ontkennen dat het land van Kanaän een zeer vruchtbaar land is, de druiventros, die zij medebrachten, was er het zichtbaar bewijs van, vers 27. God had hun een land beloofd, vloeiende van melk en honing, en de boze verspieders zelf erkennen dat het zo'n land is. Zo zal God zelfs uit de mond van de tegenstanders verheerlijkt worden, en de waarheid van Zijn belofte worden betuigd. En toch gaan zij daarna zichzelf tegenspreken, als zij zeggen, vers 32. Het is een land, dat zijn inwoners verteert, alsof het wel melk en honing en druiven opleverde, maar gebrek had aan andere levensbehoeften. Sommigen denken dat er toen juist een grote plaag in het land was, die zij aan de wijsheid van de Goddelijke voorzienigheid hadden moeten toeschrijven, die aldus het aantal van hun vijanden verminderde ten einde hun de verovering gemakkelijk te maken, maar zij hebben er aanleiding in gevonden om een blaam op het land te leggen. Om deze onredelijke vrees voor een plaag in Kanaän, werden zij terecht terstond afgesneden door een plaag in de woestijn, Hoofdstuk 14:37. Maar:
2. Zij stellen het voor alsof de verovering van het land volstrekt onuitvoerbaar zal zijn en dat iedere poging daartoe vruchteloos zal wezen. Het volk is sterk, vers 28, het zijn mannen van grote lengte, vers 32, sterker dan wij, vers 31. De steden worden beschreven als onneembare sterkten, zij zijn vast, en zeer groot, vers 28. Maar niets heeft hun kwade bedoeling meer in de hand gewerkt, dan hun beschrijving van de reuzen. Ook hebben wij daar de kinderen van Enak gezien, vers 28, en wederom: Wij hebben ook daar de reuzen gezien, de kinderen Enaks, van de reuzen, vers 32. Zij spraken alsof zij reeds sidderden door hen te noemen, zoals zij gesidderd hadden toen zij hen zagen. "O die schrikkelijke reuzen! Toen wij in hun nabijheid kwamen, waren wij als sprinkhanen in onze ogen, niet slechts klein en zwak maar bevend en verschrikt." Vergelijk Job 39:23. "Zult gij het beroeren" "als een sprinkhaan?" Ja meer: "alzo waren wij ook in hun ogen". Zij zagen op ons met evenveel minachting, als wij op hen zagen met vrees en verschrikking." Zodat hun oordeel over de gehele zaak is: Wij zullen tot dat volk niet kunnen optrekken, vers 31, en daarom moeten wij andere maatregelen nemen.
Nu zouden zij, zelfs als zij hun oordeel hadden moeten gronden op hetgeen naar menselijk inzien waarschijnlijk was, niet van lafhartigheid vrij te pleiten zijn geweest. Waren dan de heirscharen Israëls niet zeer talrijk? Zes maal honderd duizend krachtige mannen, uitnemend gerangschikt, nauw aaneengesloten, volkomen verenigd in belangen en neiging, vormden een leger, zo geducht, als wellicht ooit een te velde gebracht was, menigeen, dat minder sterk was, heeft wellicht groter daden gedaan dan de verovering van Kanaän was, getuige het leger van Alexander de Grote. Mozes, hun opperbevelhebber was een wijs en kloekmoedig man, en zo het volk een kloek besluit had genomen en zich dapper had gedragen, wie zou dan bestand zijn geweest tegen hen? Het is waar, de Kanaänieten waren sterk, maar zij waren verstrooid, vers 29. Sommigen wonen in het zuiden, anderen in het gebergte, zodat zij, op een afstand van elkaar zijnde niet snel met elkaar verenigd konden worden, en vanwege hun verschillende belangen zouden zij ook niet lang bij elkaar kunnen blijven om aan Israël het hoofd te bieden. Het land vruchtbaar zijnde, kon het leger er gemakkelijk onderhouden worden, en hoewel de steden versterkt waren, zouden die hun vanzelf in handen vallen, als zij de inwoners in het open veld hadden verslagen. En wat nu eindelijk de reuzen betreft, hun overmatige lengte zou hen een zoveel beter doelwit doen zijn, en die het grootste, zwaarste lichaam hebben, hebben niet altijd de meeste moed in het hart. Zij verdienden dus als lafhartigen bekend te staan, maar dat was niet het ergste, de Schrift brandmerkt hen als ongelovigen. Zij behoefden geen rekening te houden met hetgeen naar menselijk inzien waarschijnlijk was want:
a. Zij hadden de onmiskenbare tekenen van Gods tegenwoordigheid onder hen, en zij hadden de verzekering, dat Hij Zijn macht tot hun behoeve zou aanwenden. "De Kanaänieten waren sterker dan Israël". Gesteld dat dit zo was, maar waren zij ook sterker dan Israëls God? "Wij zullen niet tegen hen kunnen overmogen", maar zou de almachtige God het niet kunnen? Is Hij dan niet in het midden van ons? Gaat Hij niet voor ons heen? Is er iets dat voor Hem onmogelijk is? Waren wij als sprinkhanen in de ogen van de reuzen, en zij dan niet minder dan sprinkhanen in de ogen Gods? "Hun steden zijn versterkt tegen ons", maar zijn zij ook versterkt tegen de hemel?
b. Zij hebben grote ervaring opgedaan van de kracht van Gods arm, opgeheven en ontbloot tot hun behoeve. Waren niet de Egyptenaren evenveel sterker dan zij, als de Kanaänieten? En toch, zonder dat door Israël een zwaard werd getrokken of een enkele slag geleverd werd, zijn Egyptes wagens en ruiters verslagen en vernietigd. Door de Amalekieten zijn zij onder zeer ongunstige omstandigheden aangevallen, en toch werden deze verslagen. Wonderen waren toenmaals hun dagelijks brood, en, al was er niets anders: een leger, zo goed geproviandeerd als het hun was zo ruim, en geheel kosteloos, moest wel op iedere andere macht het voordeel hebben. En bovendien:
c. Er waren hun bijzondere beloften gedaan van overwinning en voorspoed, God had aan Abraham de sterkste verzekeringen gegeven, dat Hij zijn zaad in het bezit zal stellen van dat land, Genesis 25:18-17. :. Door Mozes had Hij hun uitdrukkelijk beloofd, dat Hij de Kanaänieten zal uitdrijven, en dat Hij "langzamerhand zal ik hen" "voor u uitdrijven totdatgij zo vruchtbaar wordt" Exodus 23:30. En als zij na dat alles nu nog zeggen: Wij zullen tot dat volk niet kunnen optrekken, dan is dit hetzelfde alsof zij zeiden: "God kan Zijn woord niet houden, Hij is niet bij machte Zijn belofte" " te vervullen". Eigenlijk kwam het er op neer, dat zij Hem tot een leugenaar maakten, Hem zeiden dat Hij meer op zich had genomen dan Hij tot stand kon brengen. Wij hebben een korte beschrijving van hun zonde, waarmee zij de gehele vergadering besmet hebben, Zij "versmaadden het gewenste land," "zij geloofden Zijn woord niet," Psalm 106:24. Hoewel zij het, na gedaan onderzoek, zo goed bevonden als Hij gezegd had dat het was, een land, vloeiende van melk en honing, wilden zij het toch niet zo zeker geloven, als Hij gezegd had dat het het van hun zijn zou, zij wanhoopten er aan het te verkrijgen, hoewel de eeuwige Waarheid zelf het hun verpand had. Dit nu is de voorstelling van de boze verspieders. II. Kaleb moedigde hen aan om voorwaarts te gaan, hoewel hij alleen door Jozua hierin ondersteund werd, vers 30. Kaleb stilde het volk, dat hij in gisting zag komen, nog vóór Mozes zelf, wiens glinsterend gelaat hen niet verschrikte of in ontzag hield, toen zij weerspannig begonnen te worden. De naam Kaleb betekent geheel hart, en hij beantwoordde aan zijn naam, hij was zelf kloek en krachtig en zou ook het volk aldus gemaakt hebben, indien zij naar hem hadden willen luisteren. Indien Jozua gepoogd had de storm het hoofd te bieden, hij zou, als dienaar van Mozes verdacht zijn geworden van partijdigheid, en daarom heeft hij dit wijselijk vooreerst aan Kaleb overgelaten, die van de stam van Juda, de leidenden stam was, en dus het meest bevoegd om gehoord te worden. Kaleb had de sterkte van de inwoners evengoed gezien en opgemerkt als zijn collega's, en over de gehele zaak spreekt hij:
1. Met een volkomen zekerheid van voorspoed en welslagen. Wij zullen het land voorzeker overweldigen, wij zullen, hoe sterk de inwoners ook zijn, hen volkomen kunnen ten onderbrengen.
2. Hij moedigt het volk aan om voorwaarts te gaan, en, daar hij tot de voorhoede behoorde, spreekt hij als een man, die vast besloten is, om hen met kloekmoedigheid aan te voeren: Laat ons vrijmoediglijk optrekken, een stouter stap doen, een stouter slag slaan, en de zaak zal geschied zijn, het is alles het onze, zo wij slechts de moed hebben om het tot het onze te maken. "Laat ons optrekken en dat erfelijk bezitten." hij zegt niet: "Laat ons optrekken en het veroveren", dit beschouwt hij als reeds zo goed als gedaan, maar: "Laat ons optrekken en het bezitten, er is niets andere te doen dan binnen te rukken, en de bezitting te nemen, die God, onze grote Heere, bereid is ons te geven." Elke rechtvaardige is moedig als een jonge leeuw. Moeilijkheden op de weg van de verlossing nemen af en verdwijnen voor een levend, werkzaam geloof in de macht en de belofte Gods. Alle dingen zijn mogelijk, zo zij slechts beloofd zijn, aan hem die gelooft.