Jesaja 3:1-8
Aan het einde van het vorige hoofdstuk had de profeet aan allen de nodige waarschuwing gegeven, om toch niet op de mens te vertrouwen, of op enigerlei schepsel, hij had ook een algemene reden gegeven voor die waarschuwing, ontleend aan de broosheid van het menselijk leven, en de zwakheid en ijdelheid van menselijke macht, hier nu geeft hij er een bijzondere reden voor: God zal weldra alle schepselen, waarop zij vertrouwen, ten verderve brengen, zodat zij teleurgesteld zullen worden in al hun verwachtingen van hen, vers 1. De stok en de staf zullen weggenomen worden, al hun steun van welke aard ook, alles waarop zij vertrouwden, en waarvan zij hulp en uitkomst verwachtten. Hun kerk en hun koninkrijk begonnen te verouderen, en geraakten in verval, en naar de wijze van oude mensen leunden zij op een staf. Zacheria 8:4, nu dreigt God hun staf te zullen wegnemen, en dan moeten zij natuurlijk vallen, de steunen weg te nemen beide van de stad en van het land, van Jeruzalem en van Juda, die steunen zijn voor elkaar, indien het een valt, zal het andere er de schok van gevoelen.
Hij, die dat doet, is de Heer, de Heer van de heerscharen, Adonai, de Heer, die zelf de steun, of het fundament is, indien die steun weg is, dan zullen gewis alle andere steunen onder ons breken, want Hij is de sterkte van allen. Hij, die de Heer is, de Regeerder, die het gezag heeft om het te doen, en de Heer der heerscharen, die de macht, het vermogen, heeft om het te doen, Hij zal de stok en de staf wegnemen. Hiëronymus brengt dit in verband met het verval van het Joodse volk, nadat zij onze Heiland hebben gekruisigd, Romeinen 11:9, 10. Ik houd het veeleer voor een waarschuwing aan alle volken, om God niet tot toorn te verwekken, want als zij Hem tot hun vijand maken, dan kan en zal Hij hen aldus rampzalig maken. Laat ons de bijzonderheden ervan beschouwen.
I. Was hun overvloed een steun voor hen? Hij is dit voor ieder volk. Brood is de staf des levens, maar God kan allen stok des broods en allen stok des waters wegnemen, en het is, rechtvaardig in Hem om dit te doen als zatheid van brood een ongerechtigheid wordt, Ezechiël 16:49, en hetgeen een voorziening was om het leven te onderhouden, een voorziening wordt voor het vlees en zijn begeerlijkheden. Hij kan het brood en het water wegnemen Deuteronomium 28:23, 24. Of, indien Hij ze geeft, dan kan Hij toch de stok des broods en de stok des waters wegnemen, door Zijn zegen te onthouden, bij welke de mens leeft, en niet alleen bij brood, en die de staf des broods is Mattheus 4:4, en dan is het brood niet voedzaam het water niet verfrissend of verkwikkend, Hagg. 1:6. Christus is het brood des levens en het water des levens, indien Hij onze staf is dan zullen wij dit een goed deel bevinden, dat niet van ons weggenomen kan worden, Johannes 6:27, 4:14.
II. Was hun leger een steun voor hen-hun generaals en aanvoerders en hun krijgslieden? Dezen zullen weggenomen worden hetzij gedood door het zwaard, of wel zij zullen zo ontmoedigd zijn door de nederlagen, die zij lijden, dat zij hun taak zullen neerleggen, en besluiten niet langer te strijden, of zij zullen ongeschikt worden voor hun werk door ziekte, de held en de krijgsman, en zelfs de officieren van minderen rang, de overste van vijftig, zullen weggenomen worden. Het staat slecht met een volk, als hun kloekmoedigheid weg is, hun kloekmoedige mannen worden weggenomen. Zo laat de sterke dan niet roemen in zijn kracht, en laat geen volk al te veel vertrouwen op zijn helden, maar laat een machtig volk God eren en de stad van een verschrikkelijk volk Hem vrezen, Hoofdstuk 25:3. III. Waren de staatsministers een steun voor hen-hun geleerden, hun staatslieden hun geestelijken, hun vernuftigen en hun kunstenaars? Ook deze zullen weggenomen worden, de rechters, die bedreven waren in de wet en in de bedeling van het recht, en de profeten, die zij in moeilijke gevallen plachten te raadplegen, de wijzen, die boven alle anderen vermaard waren om hun gezond verstand en hun schranderheid, en de rechters bijstonden, de waarzeggers, zij die ongeoorloofde kunsten uitoefenden, op wie, hoewel zij een slechte steun waren, toch gesteund werd. Maar dit kan ook gelezen worden in een gunstige zin, de oudsten, de oudste in jaren of in ambt, de achtbare man, wiens ernstig, deftig voorkomen eerbied afdwingt, en wiens leeftijd en ervaring hem tot een raadsman maken. De handel is een grote steun voor een volk, zelfs de handel in zaken, die gefabriceerd worden, wanneer dus de oude steun is weg genomen, de zal ook de wijze onder de werkmeesters weggenomen worden, en ten slotte ook hij, die goed ter tale is, de welsprekende redenaar, die in sommige gevallen goede diensten kan bewijzen, al behoort hij niet tot de wijzen of de oudsten, door anderer bedoeling in de juiste bewoordingen uit te drukken. Mozes kan niet goed spreken, maar Aäron kan het. God dreigt om deze weg te nemen.
1. Om hen onbekwaam te maken voor de dienst van hun, land, de rechters uitzinnig makende, de getrouwen de spraak benemende, en van de ouden oordeel wegnemende, Job 12:17 en verv. Ieder schepsel is datgene voor ons, wat God het doet zijn, en wij kunnen er niet zeker van zijn dat zij, die van dienst voor ons geweest zijn, dit altijd zijn zullen.
2. Een eind te maken aan hun dagen, want wij moeten daarom niet op prinsen vertrouwen, omdat zijn geest, dat is zijn adem, uitgaat, Psalm 146:3, 4. Het wegnemen van nuttige mensen door de dood in het midden van hun nuttige arbeid is een zeer dreigend verschijnsel voor een volk.
Was hun regering een steun voor hen? Zij behoort dit te zijn, het is de taak en de plicht van de souverein om de pilaren van het land vast te maken, Psalm 75:4. Maar hier wordt gedreigd dat deze steun hun zal falen. Als de helden en de wijzen weggenomen zijn, dan zullen jongelingen hun vorsten zijn, kinderen in leeftijd, die onder voogden en verzorgers moeten zijn, welke met elkaar in strijd zijn en van de jonge koning een prooi maken, van hem en van zijn koninkrijk, kinderen in verstand en neiging, kinderachtige mannen die als kinderen zijn in kennis, niet meer geschikt zijn om te regeren dan een kind in de wieg, deze zullen over hen heersen met al de dwaasheid, wispelturigheid en gemelijkheid van een kind. En wee u, o land, welks koning zo iemand is, Prediker 10. 16.
IV. Was de eensgezindheid van de onderdanen hun orde en de goede verstandhouding, waarin zij tot elkaar stonden, een steun voor hen? Waar dit het geval is, kan het er een volk te meer wel om gaan, al zijn dan hun vorsten niet wat zij behoorden te zijn, maar hier wordt gedreigd dat God ook onder hen een bozen geest zal zenden, zoals Richteren 9:23, die hen:
1. Schadelijk zou maken voor elkaar, vers 5. Het volk zal gedrongen worden, de een zal zijn tegen de ander, zij zullen elkaar verdrukken, en daar hun vorsten kinderen zijn, dragen zij er geen zorg voor om de verdrukkers tenonder te houden, of de verdrukten te hulp te komen. Ook dient het nergens toe om op hen een beroep te doen (hetgeen de mensen in verzoeking brengt, om zich dan maar zelf recht te verschaffen, hun eigen rechters te wezen) en dan verbijten en vereten zij elkaar, en zo zullen zij spoedig door elkaar verteerd worden. (Dan homo homini lupus, wordt de mens een wolf voor de mens). (Jusque datum sceleri-slechte mensen ontvangen het zegel van de wet). (Nec hospes ab hospite tutus. Gast en gastheer zijn in gevaar van elkaar.)
2. Onbeschaamd en onordelijk maken tegenover hun meerderen. Het is een zeer slecht teken voor een volk als het opkomend geslacht onder hen onvolgzaam is, zich niet wil laten regeren, de jongeling zich met trotsheid gedraagt tegenover de oude, terwijl hij behoorde op te staan voor het grijze haar, en het aangezicht van de ouden behoorde te vrezen, Leviticus 19:32. Als jonge lieden verwaand en onbeschaamd zijn, en zich minachtend gedragen tegenover hun meerderen, dan is dit niet alleen een smaad voor henzelf, maar van slechte gevolgen voor het publiek, het verslapt de teugels van het bewind, en verzwakt de handen, die ze houden. Evenzo staat het slecht met een volk als achtbare personen hun gezag niet kunnen ophouden, maar door de lagen en verachtelijken beledigd worden, als rechters door het grauw worden uitgejouwd en de overheid wordt getrotseerd. Die dat doen zullen zeer veel te verantwoorden hebben.
V. Is het enige steun en troost om te hopen, dat, hoewel de zaken thans slecht bestuurd worden, er toch anderen kunnen verwekt worden, die er een betere gang in brengen? Maar ook die verwachting zal verijdeld worden, want de toestand zal zo wanhopig wezen, dat geen man van verstand of van degelijkheid er zich mee zal willen bemoeien.
1. De regering zal gaan bedelen, vers 6. Hier:
A. Wordt het als een uitgemaakte zaak beschouwd, dat er geen ander middel is om al deze grieven te herstellen en de zaken weer in orde te brengen, dan door goede magistraten, die onder algemene instemming met macht bekleed zullen worden, en die macht ten goede van het algemeen zullen uitoefenen. En waarschijnlijk is dit in vele plaatsen de ware oorsprong van de regering geweest, de mensen vonden het noodzakelijk om zich te verenigen in onderworpenheid aan een, die geschikt was voor zo'n post, ten einde het welzijn en de veiligheid van allen te verzekeren, begrijpende dat zij geregeerd moesten worden om niet te gronde te geen. Hier is alzo het oorspronkelijke contract: "Wees gij onze heerser en wij zullen ons aan u onderwerpen laat deze aanstoot, dit verderf, onder uw hand wezen, om hersteld te worden, en dan bewaard en deszelfs belangen te worden bevorderd. Hoofdstuk 58:12. Draag zorg, om door het zwaard van de strijd ons te beschermen tegen schade en nadeel van buiten, en door het zwaard van de gerechtigheid tegen het gevaar van schadelijk te zijn voor elkaar, en dan zullen we u getrouw zijn."
B. De toestand wordt als uiterst treurig voorgesteld, het was nu zover gekomen met de publieke aangelegenheden, dat:
a. Kinderen hun vorsten zijnde, iedereen zich geschikt acht om te bepalen wie een magistraat zal zijn, en dan zijn eigen bloedverwanten zal bevorderen tot zo'n post, terwijl, indien de vorsten waren wat zij behoorden te zijn, het geheel en al aan hen overgelaten zou worden om de oversten te benoemen en aan te stellen zoals dit behoort te wezen.
b. De mensen zich in de noodzakelijkheid zullen bevinden om met geweld de macht in handen te geven van hen, die er geschikt voor worden geacht, men zal iemand met geweld aangrijpen om een overste van hem te maken, daar zij hem gereed zien om het voorstel ertoe af te wijzer, ja een man zal de macht opdringen aan zijn broeder, terwijl de mensen anders toch niet willen dat hun gelijken hun meerderen zullen worden, getuige de afgunst van Jozefs broeders. c. Het zal een genoegzame grond geacht worden om iemand te bevorderen om een overste te zijn, dat hij betere kleren heeft dan zijn buren, wel een zeer armzalige grond van bevoegdheid voor een post van vertrouwen in de regering, het was een teken dat het land zeer verarmd was, als het iets zeldzaams was om iemand te vinden, die goede kleren had, of die het kon bekostigen om zich een ambtsgewaad aan te schaffen, en dat het volk wel zeer onnadenkend was, als zij zoveel eerbied en achting hadden voor iemand, die fraaie kleren droeg en een gouden ring, Jakobus 2:2, 3, en hem daarom tot hun overste willen aanstellen. Het zou nog enige zin gehad hebben, als zij gezegd hadden: Wij hebt wijsheid, rechtschapenheid, ervaring, wees ons tot een overste," maar het was een bespotting om te zeggen: Gij hebt een kleed, wees ons tot een overste. Een arme wijze man heeft, hoewel hij geringe kleding aanhad, een stad verlost, Prediker 9:15. Wij kunnen hierop wijzen om aan te tonen hoe wanhopig de toestand was van de gevallen mens, toen het onze Heer Jezus heeft behaagd om onze broeder te worden, en, hoewel Hij er niet om aangezocht werd, zichzelf heeft aangeboden om onze Vorst en Zaligmaker te zijn, en deze aanstoot, dit verderf, onder Zijn hand te nemen.
2. Zij, die aldus gedrongen worden om aan de regering te komen, zullen een eed doen om er zich van te verontschuldigen, want hoewel zij voor mannen van enige welgesteldheid worden aangezien, weten zie zelf dat zij de kosten van de regering niet kunnen dragen, en niet kunnen beantwoorden aan de verwachting van hen, die hen hebben verkozen. Hij zal zweren-hij zal zijn hand opheffen, de aloude ceremonie voor het afleggen van een eed, -zeggende: ik kan geen heelmeester wezen, zet mij niet tot een overste des volks. Oversten, of regeerders, moeten heelmeesters zijn, en goede oversten zullen dit ook zijn, zij moeten er zich op toeleggen om hun onderdanen eensgezind te maken, en de geschillen, die er onder hen zijn, niet te verscherpen, zij alleen zijn geschikt voor de regering, die van een zachtmoedige, rustige, genezende geest zijn, zij moeten ook de wonden genezen, die toegebracht zijn aan de belangen van hun volk, door gepaste middelen daartoe aan te wenden. Maar waarom wil hij geen overste wezen? Omdat er geen brood en geen kleed in mijn huis is. Indien hij de waarheid sprak, dan was dit een teken dat de bezittingen van de mensen zeer vervallen waren, als zelfs zij, die zich nog het beste voordeden, in werkelijkheid gebrek hadden aan het noodzakelijke, een gewoon voorkomend, maar zeer treurig geval. Sommigen, die op deftige wijze geleefd hebben, zullen gaarne de schijn willen ophouden, maar als de waarheid gekend werd dan zou men weten dat zij in grote moeilijkheden zijn, en met een bezwaard hart rondgaan, omdat zij gebrek hebben aan brood en kleding.
b. Indien hetgeen hij zei niet waar was, dan was het een teken dat van de mensen geweten droevig verdorven was, daar zij om de onkosten van een ambt te vermijden, de schuld van meineed over zich brengen, en-hetgeen de grootste dwaasheid is-verdoemenis brengen over hun ziel om hun geld te sparen, Mattheus 16:26.
c. Hoe dit nu ook geweest zij, het was een teken dat de toestand van het volk zeer treurig was, nu niemand bereid was om een plaats in de regering in te nemen, daar zij er aan wanhoopten om er hetzij eer of voordeel mee te behalen, de twee dingen, die de mensen op het oog hebben als zij naar bevordering staan.
3. De reden, waarom God het zover met hen liet komen, met Zijn volk (welke gegeven wordt, hetzij door de profeet, of door hem, die geweigerd heeft een overste te worden), het was niet uit gebrek aan welwillendheid voor zijn land, maar omdat hij zag dat de toestand wanhopig was, niet was te verhelpen, en het doelloos zou zijn om het te beproeven, vers 8. Jeruzalem heeft aangestoten (is in het verderf gestort), en Juda is gevallen, en dat hebben zij zichzelf te wijten, zij hebben dit verderf zelf over hun hoofd gebracht, degel hun tong en handelingen tegen de Heer zijn. In woord en daad overtreden zij de wet van God, en daarin bedoelden zij God te beledigen, moedwillig bedoelden zij Hem te beledigen, in minachting van Zijn gezag, en in trotsering van Zijn gerechtigheid, hun tong was tegen de Heer, want zij spraken Zijn profeten tegen, en hun handelingen waren niet beter, zij deden zoals zij spraken, het was een verzwaring van hun zonde, dat Gods oog op hen was, en dat Zijn heerlijkheid onder hen was geopenbaard, maar zij tergden Hem in Zijn aangezicht, alsof zij, hoe meer zij wisten van Zijn heerlijkheid des te meer er zich op verhieven haar te minachten en haar in schande te verkeren. En dit, dit is het, waarom Jeruzalem ten verderve gaat. Het verderf beide van particuliere personen en van volken wordt veroorzaakt door hun zonden. Als zij God niet vertoornden, Hij zou hun geen kwaad doen, Jeremia 25:6.