Jakobus 2:1-7
De apostel bestraft hier een zeer verkeerde praktijk. Hij toont aan hoeveel onrecht er is in de zonde, die hij noemt prosoopo-lêpsia, aanzien of aanneming der personen. Naar het schijnt nam dat grote kwaad sterk de overhand in de Christelijke gemeenten, zelfs in die eerste tijden. In de latere eeuwen heeft het op ontzettende wijze de Christelijke volken en maatschappijen verdorven en verdeeld. Wij hebben hier:
I. Ene waarschuwing tegen deze zonde in het algemeen. Mijne broeders, hebt niet het geloof van onzen Heere Jezus Christus, den Heere der heerlijkheid, met aanneming des persoons, vers 1.
1. De kenmerken van het Christendom zijn hier alle inbegrepen: het geloof van onzen Heere Jezus Christus hebben zij, dat hebben zij omhelsd, zij ontvingen het, zij laten er zich door besturen, zij onderhouden Zijn leerstellingen, onderwerpen zich aan de wet en het gezag van Christus, zij hebben het als een onderpand, zij bezitten het als een schat.
2. Hoe eervol spreekt Jakobus hier over den Heere Jezus Christus, hij noemt Hem de Heere der heerlijkheid, want Christus is het afschijnsel van Zijns Vaders heerlijkheid en het uitgedrukte beeld Zijner zelfstandigheid.
3. Dat Christus de Heere der heerlijkheid is, moet ons leren de Christenen om niets zo zeer te achten als om hun betrekking tot en gelijkvormigheid aan Christus. Wie belijdt te geloven in de heerlijkheid van onzen Heere Jezus Christus, waaraan de armste Christenen zo goed deel zullen verkrijgen als de rijkste, en waarbij alle aardse heerlijkheid niets dan ijdelheid is, mag niet der mensen uitwendige en wereldse voorrechten als maatstaf voor zijne achting nemen. In het belijden van het geloof van onzen Heere Jezus Christus, mogen wij geen aanzien van mensen tonen, waardoor de heerlijkheid van den Heere der heerlijkheid zou overschaduwd en verminderd worden. Hoe men hier ook over denke, het is zeker een zeer snode zonde.
II. Wij vinden deze zonde beschreven en er tegen gewaarschuwd door een voorbeeld, vers 2, 3. Want zo in uwe vergadering kwam een man met een gouden ring aan den vinger enz. Met vergadering worden hier bedoeld de samenkomsten, die belegd werden om te beslissen over verschillen tussen de leden der gemeente, of om te bepalen op wie kerkelijke tucht zou toegepast worden en waarin die tucht bestaan zou. Het Griekse woord, dat hier gebruikt wordt, sunagoogê: betekent een vergadering als die in de Joodse synagogen, die belegd werden om recht te spreken. Maimonides zegt: "Er was in de Joodse instellingen opzettelijk in voorzien dat, wanneer een rijke en een arme tegen elkaar pleitten, den rijken niet mocht aangewezen worden te gaan zitten en den armen niet te blijven staan of op een mindere plaats te gaan zitten, maar beiden moesten gelijk staan of zitten." De uitdrukkingen, door den apostel gebruikt, wijzen zeer duidelijk op dit voorschrift, de vergaderingen waarvan hier gesproken wordt, moeten dus van hetzelfde karakter zijn als dat van die Joodse samenkomsten, waar men vergaderde om de gedingen te horen en gerechtigheid te oefenen, aan deze beslissingen en uitspraken waren hun Christelijke vergaderingen gelijk. Maar wij moeten zorg dragen, dat wij hetgeen hier gezegd wordt niet toepassen op de gewone vergaderingen voor Godsverering, want in deze mogen zeker verschillende plaatsen aangewezen worden voor de personen, overeenkomstig hun rang en omstandigheden, maar zonder zonde. Maar zij begrijpen den apostel niet, die menen dat hij hier met gestrengheid tegen deze handelingen optreedt, zij letten niet op het woord rechters in vers 4, noch op hetgeen van hen gezegd, wordt als overtreders der wet, wanneer zij zulk aannemen des persoons in toepassing brachten, volgens vers 9. Nu wordt het geval gesteld, Er komt in uwe vergadering, die van hetzelfde karakter is als de bovengenoemde in de synagoge, een man, die zich onderscheidt door zijn kleding en die zich zeer goed voordoet, en er komt ook een arm man met een slechte kleding, en gij handelt partijdig en beslist verkeerd, alleen omdat de ene zich beter voordoet of in voorbeeldiger omstandig- heden verkeert dan de andere.
1. God heeft Zijn overblijfsel onder alle soorten van mensen, onder hen die zachte en sierlijke kleding dragen en onder hen die armoedig en slecht gekleed zijn.
2. In zaken van godsdienst staan allen, rijken en armen, op dezelfde trap, iemands rijkdom brengt hem niet nader tot God, en iemands armoede houdt hem niet van God op een afstand. Er is bij den Allerhoogste gaan aannemen des persoons, en daarom moet die in gewetenszaken ook bij ons niet zijn.
3. Tegen alle onwaardige verering van wereldse grootheid en rijkdommen moet in Christelijke gezelschappen gewaakt worden. Jakobus moedigt hier geen ruwheid of wanorde aan. De burgerlijke beleefdheid moet betoond worden en er kan enig onderscheid toegelaten worden in ons gedrag jegens personen van verschillende standen, maar die achting mag nooit zover gaan, dat zij invloed uitoefent op de handelingen van Christelijke vergaderingen, bij het beschikken over de bedieningen in de gemeente of bij het toepassen van de tuchtmiddelen, of in enige zaak, die alleen met den godsdienst in betrekking staat, in die alle mogen wij de mensen niet naar het vlees kennen. Het kenmerk van den burger van Sion is, dat hij den verworpene veracht, maar eert degenen, die den Heere vrezen. Wanneer een arm man godvrezend is, mogen wij hem geen haar minder schatten om zijne armoede, en wanneer een rijk man goddeloos is (al heeft hij ook een schone kleding en een schone belijdenis), mogen wij hem geen haar meer achten om zijn rijkdom.
4. Het is van het hoogste belang toe te zien welken regel wij volgen bij het oordelen van mensen, wanneer wij ons zelven over `t algemeen veroorloven te oordelen naar de uiterlijke verschijning, zal dat veel te veel invloed hebben op onze denkwijze en ons gedrag in godsdienstige samenkomsten. Menigeen, wiens ondeugden hem slecht en verachtelijk maken, doet zich zeer goed voor in de wereld, en aan de andere zijde: veel nederige, hemelsgezinde, goede Christenen zijn slecht gekleed, maar daarom mag over hem en zijn Christendom niet ongunstiger geoordeeld worden.
III. Hier wordt ons de grootte van die zonde voor ogen gesteld, vers 4, 5. Zij is grote partijdigheid, zij is onrechtvaardigheid, zij is ons zelven tegenover God stellen, die de armen verkoren heeft en hen-indien zij goed zijn-zal eren en bevoorrechten, laat hen verachten wie wil.
1. In deze zonde is schandelijke partijdigheid. Hebt gij dan niet in uzelven een onderscheid gemaakt? De vraag wordt hier zo gesteld, dat zij zonder feil door ieders geweten toestemmend beantwoord moet worden, die het ernstig met zich zelven neemt. De vraag is: Zijt gij dan niet partijdig geweest? En oordeelt gij door dat onderscheid niet naar valsen regel en verkeerden maatstaf? En rust niet op u ten volle de beschuldiging van partijdigheid, welke door de wet veroordeeld wordt? Zegt uw eigen geweten u niet dat gij schuldig zijt? Een beroep op het geweten heeft een groot voordeel, wanneer wij te doen hebben met belijders, zelfs wanneer zij in zeer bedorven toestand vervallen zijn. 2. Deze aanneming der personen is het gevolg van het kwaad en de onrechtvaardigheid der gedachten. Indien gemoed, gedrag en handelingen partijdig zijn, dan zijn het hart en de overleggingen, waar de eersten uit voortvloeien, slecht. Gij zijt rechters geworden van kwade overleggingen, dat is: gij hebt geoordeeld overeenkomstig deze onrechtvaardige waardering en bedorven mening, die gij bij uzelven gevormd hebt. Ga deze partijdigheid na, totdat ge komt aan die verborgen gedachten, die haar vergezellen en ondersteunen, en gij zult bevinden dat zij zeer slecht zijn. Heimelijk geeft gij voorkeur aan uitwendige vertoning boven inwendige genade, aan de dingen, die voor ogen zijn, boven de dingen, die niet gezien worden. De misvormingen, door de zonden veroorzaakt, worden nooit waarlijk en ten volle geopenbaard, voordat het kwaad van onze gedachten ontdekt wordt, en dat vergroot zeer de gebreken van ons gemoed en ons leven, dat het gedichtsel van de gedachten des harten boos is, Genesis 6:5.
3. Het aannemen der personen is een zeer boze zonde, want het toont aan dat wij ons rechtstreeks tegenover God plaatsen, vers 5.
Heeft God niet uitverkoren de armen dezer wereld om rijk te zijn in het geloof? enz. Maar gij hebt den armen oneer aangedaan, vers 6. God heeft erfgenamen van een koninkrijk gemaakt hen, dien gij geen goeden naam geeft, Hij heeft grote en heerlijke beloften gegeven hun, dien gij geen goed woord of vriendelijken blik waardig keurt. En is dat geen monsterachtige ongerechtigheid in u, die er aanspraak op maakt kinderen Gods en tot Hem bekeerd te zijn? Hoort, mijn geliefde broeders, ik smeek u, bij al de liefde die ik u toedraag en bij al de achting die gij voor mij koestert, overdenkt dit! Neemt in aanmerking, dat velen van de armen dezer wereld uitverkoren zijn door God. Dat zij Gods uitverkorenen zijn verhindert hun armoede niet, en dat zij arm zijn staat de uitnemendheid van hun verkiezing niet in den weg. Den armen wordt het Evangelie verkondigd, Mattheus 11:5. God bepaalde Zijn heiligen godsdienst in de waardering en de liefde der mensen aan te bevelen niet door uiterlijke voordelen van vreugde en vertoning, maar door zijn innerlijke waarde en voortreffelijkheid, en verkoos daarom de armen dezer wereld. Neemt daarbij in aanmerking, dat velen dezer armen rijk zijn in geloof, en dat daardoor de armste rijk worden kan, en dat het dit is waarnaar wij voor alles begeren moeten. Van hen, die weelde en fortuin hebben, wordt verwacht dat zij rijk zullen zijn in goede werken, omdat hoe meer zij bezitten des te meer goeds kunnen zij er mee doen. Maar van de armen naar de wereld wordt verwacht, dat zij rijk zullen zijn in geloof, want hoe minder zij hebben des te meer kunnen en moeten zij leven in afwachting van de betere dingen der toekomende wereld. Neemt verder in aanmerking: gelovige Christenen zijn rijk door hun recht en omdat zij erfgenamen zijn van een koninkrijk, ofschoon zij zeer arm kunnen zijn in wereldse goederen. Wat zij hier ontvangen is slechts weinig, maar wat voor hen bewaard is onuitsprekelijk rijk en groot. Voorts: indien iemand rijk is in geloof, zal hij het ook zijn in goddelijke liefde, het geloof door de liefde werkende zal leven in al de erfgenamen der heerlijkheid. De hemel is een koninkrijk, en wel een koninkrijk beloofd aan al degenen, die God liefhebben. Wij lezen in het vorige hoofdstuk vers 12, van een kroon, die God beloofd heeft aan allen die Hem liefhebben, hier zien wij dat er een koninkrijk ook is. En gelijk die kroon een kroon des levens is, zo is dat koninkrijk een onvergankelijk koninkrijk. Al deze dingen samengenomen tonen hoe hoog de armen in deze wereld, wanneer zij rijk zijn in geloof, nu geëerd worden en later bevoorrecht zullen worden, door God, en bijgevolg hoe diep zondig het is hen te verachten omdat zij arm zijn. Na deze overwegingen is het zeker een scherpe beschuldiging: Maar gij hebt den armen oneer aangedaan. 4. Het aannemen des persoons, in den zin van deze woorden, omdat zij rijk zijn en uitwendig goed vertoon maken, wordt aangeduid als een grote zonde, om de ongerechtigheden, die dikwijls het gevolg zijn van aardse weelde en grootheid, en de dwaasheid, die er ligt in der Christenen onwaardige huldiging van hen, die zo weinig aanzien voor hun God en voor hen zelven koesteren. Overweldigen u niet de rijken en trekken zij u niet tot de rechterstoelen? Lasteren zij niet den goeden naam, die over u aangeroepen is? vers 7. Neemt in aanmerking hoe dikwijls de rijken de bewerkers van ondeugd en onrecht, van godslastering en vervolging zijn, merkt op hoeveel onheilen gij zelven door hun toedoen te ondergaan hebt, hoe grote smaadheid op uw godsdienst en op uwen God geworpen wordt door de mensen van weelde, macht en wereldse grootheid, en dan zult gij zien hoe onmatig zondig en dwaas uw zonde is, wanneer gij verheft hen die u neertrekken, en die al wat gij opbouwt afbreken, en den waardigen naam lasteren, die over u aangeroepen is. De naam van Christus is een goede naam, hij werpt eer en geeft waarde aan hen, die hem dragen.