2 Kronieken 32:24-33
Hier is het slot van de geschiedenis van Hizkia met een bericht van drie dingen hem betreffende.
I. Zijn ziekte en zijn herstelling uit die ziekte, vers 24.
Zij wordt hier slechts kort vermeld, wij hadden er een uitvoeriger verhaal van in 2 Koningen 20. Zijn ziekte scheen dodelijk te zijn.
Toen zij op het hoogst was, bad hij. God verhoorde zijn gebed en gaf hem een teken, dat hij zou herstellen. Het teken bestond in het tien graden achterwaarts keren van de schaduw.
II. Zijn zonde en zijn berouw er over, ook die werd uitvoeriger vervuld in 2 Koningen 20:12 en verv..
Maar hier worden verscheiden dingen dienaangaande opgemerkt, die wij daar niet hadden.
1. De aanleiding er toe was, dat de koning van Babel hem een eervol gezantschap zond, om hem geluk te wensen met zijn herstel. Maar hier wordt er bijgevoegd, dat zij kwamen om te vragen naar dat wonderteken, dat in het land geschied was, vers 31, hetzij de verdelging van het Assyrische leger, of het teruggaan van de zon. De Assyriërs waren hun vijanden, zij kwamen om te vragen naar hun val, teneinde er in te juichen. De zon was hun god, zij kwamen om te vragen naar de gunst, die hij Hizkia had betoond, teneinde hem te eren, die hun god geëerd had, vers 31.
Deze wonderen werden gewrocht om een verstompte, zorgeloze wereld te verschrikken en te doen ontwaken, en hen van hun stomme en lamme afgoden tot de levenden God te brengen, en de mensen werden er door opgeschrikt maar niet bekeerd, voordat er een groter wonder in dat land geschied was in de verschijning van Jezus Christus, Mattheus 2:1, 2.
2. God heeft hem aan zichzelf overgelaten om hem te beproeven, vers 31.
Door de kracht van Zijn almachtige genade had God de zonde kunnen voorkomen, maar voor wijze en heilige doeleinden heeft Hij haar toegelaten, opdat Hij door deze proeve en zijn zwakheid er in, zou weten, dat is: opdat het geweten, of bekend, zou worden (een gewoon Hebraïsme) wat in zijn hart was dat hij niet zo volmaakt was in genade als hij dacht, maar evenals andere mensen zijn dwaasheden en gebreken had. God heeft hem aan zichzelf overgelaten om trots te zijn op zijn rijkdom, teneinde hem er van terug te houden om trots te zijn op zijn heiligheid.
Het is goed voor ons om onszelf te kennen onze eigen zwakheid en zondigheid te kennen opdat wij niet verwaand worden en op onszelf vertrouwen, maar altijd gering over onszelf zullen denken, en leven zullen in afhankelijkheid van de Goddelijke genade. Wij kennen het bederf van ons eigen hart niet, noch weten wij wat wij zouden doen, indien God ons aan onszelf overliet. "Heere, leid ons niet in verzoeking".
3. Zijn zonde was, dat zijn hart verheven werd, vers 25. Hij was trots op de eer, die God hem bij zoveel gelegenheden had aangedaan, op de eer, die zijn naburen hem deden door hem geschenken te brengen, en nu was hij er trots op dat de koning van Babel hem een gezantschap zond om hem te liefkozen en het hof te maken, dit heeft zijn hart bovenmate verheven. Nadat Hizkia andere afgoderijen had vernield, begon hij zichzelf te vergoden.
O hoezeer hebben grote, Godvruchtige, zegenrijke mannen het nodig, om hun eigen zwakheden en dwaasheden te leren kennen, en hun verplichtingen aan de vrije genade Gods, opdat zij nooit hoog van zichzelf denken, en vuriglijk God zullen bidden de hovaardij van hen te verbergen en hen steeds nederig te houden.
4. De verzwaring van zijn zonde was, dat hij Gode de gunsten, die Hij hem had geschonken zo slecht heeft vergolden, daar hij die gunsten zelf tot voedsel en brandstof maakte van zijn hoogmoed, vers 25
Hij deed geen vergelding naar de weldaad aan hem geschied. Met recht wordt verwacht dat zij, die zegen van God hebben ontvangen, er zich op toeleggen om er gepaste vergelding voor te doen, en zo zij het niet doen, dan zal hun ondankbaarheid hun voorzeker ten laste gelegd worden, voor hun rekening komen. Hoewel wij geen gelijke, geen evenredige vergelding kunnen doen, niet zoveel terug kunnen geven als wij ontvangen hebben, moeten wij toch de gunst, de weldaad erkennen, "wat zal ik de Heere vergelden?" Psalm 116:12.
5. Het Goddelijk misnoegen over hem vanwege deze zonde. Hoewel het slechte een zonde was van het hart, en de openlijke daad niet slechts onschuldig, maar een verplichte beleefdheid scheen (het tonen van zijn schatten aan een vriend), kwam er toch dieswege toorn over hem en zijn rijk, vers 25.
Hoogmoed is een zonde, die door God evenzeer als iedere andere gehaat wordt, inzonderheid haat Hij haar in Zijn eigen volk. Zij, die zich verhogen, moeten verwachten vernederd te zullen worden, in verootmoedigende omstandigheden te worden gebracht.
Er kwam toorn over David wegens zijn hoogmoed in het volk te tellen.
6. Zijn berouw over deze zonde. Hij verootmoedigde zich om de verheffing zijns harten. God kan wel om wijze en heilige doeleinden toelaten dat Zijn volk in zonde valt, maar Hij zal niet toelaten dat zij er stil in blijven liggen, zij zullen niet weggeworpen worden. Van zonden des harten moeten wij berouw hebben, al zijn zij ook niet verder gekomen, niet naar buiten geopenbaard. Zelfvernedering is een noodzakelijke tak van berouw en bekering. Hoogmoed des harten, waardoor wij verheven werden, is een zonde, waarvoor wij ons zeer bijzonder moeten verootmoedigen. De mensen behoren te treuren over de zonden van hen, die hen regeren. De inwoners van Jeruzalem verootmoedigden zich met Hizkia, hetzij omdat zij wisten schuldig te zijn aan dezelfde zonde of tenminste vreesden in zijn straf te zullen delen. Toen David in zijn hoogmoed het volk telde hebben zij er allen door geleden.
7. Het uitstel, dat hun hierop werd verleend. De toorn kwam niet in zijn dagen, zolang hij leefde heersten vrede en waarheid, zoveel vermag berouw om de tekenen van Gods toorn af te wenden, of tenminste om er de openbaring van uit te stellen.
III. Hier is de eer, die aan Hizkia werd aangedaan: 1. Door Gods voorzienigheid terwijl hij leefde. Hij had zeer veel rijkdom en eer, vers 27, hij vulde zijn voorraadschuren, voorzag zijn legers van wapenen en levensmiddelen, versterkte zijn stad, en deed alles wat hij wenste te doen want God gaf hem zeer grote have, vers 29.
Onder zijn grote werken wordt zijn leiden van de wateren van Gihon naar de stad vermeld, vers 30, hetgeen geschiedde bij gelegenheid van Sanheribs inval, vers 3, 4. Het water was gekomen in wat "de oude vijver" genoemd wordt, Jesaja 22:11 en "de opperste vijver", Jesaja 7:3, maar hij vergaderde de wateren in een nieuwe plaats, tot groter gerief van de stad, en noemde haar "de ondersten vijver", Jesaja 22:9.
En in het algemeen, hij had voorspoed in al zijn werk, want het was goed werk.
2. Door de eerbied, betoond aan zijn nagedachtenis, toen hij was gestorven.
a. De profeet Jesaja heeft de geschiedenis van zijn leven en zijn regering geschreven, vers 32, zijn daden, zijn goeddadigheid of Godsvrucht, waarvan de eer ten dele vermeld wordt tot een voorbeeld voor anderen.
b. Het volk heeft hem eer aangedaan in zijn dood, vers 33,
zij begroeven hem in het hoogste van de graven van de zonen Davids, maakten een even grote branding voor hem als voor Asa, of, hetgeen een nog veel grotere eer is, zij bedreven even groten rouw over hem als over Josia. Zie hoe de eer van ernstige Godsvrucht openbaar wordt in de gewetens van de mensen. Hoewel het te vrezen is dat de massa des volks niet van harte instemde met hetgeen de Godvruchtige koningen gedaan hebben om een reformatie tot stand te brengen, konden zij toch niet anders dan hen prijzen voor hun pogingen er toe, en de nagedachtenis van deze koningen is onder hen gezegend. Het is een plicht van de dankbaarheid om hun, die in hun tijd in hoge mate nuttig en tot zegen geweest zijn, eer te bewijzen bij hun dood, als zij buiten het bereik zijn van vleierij en wij het einde van hun wandel gezien hebben. De betaling van deze schuld zal een aanmoediging zijn voor anderen om desgelijks te doen.