Genesis 26:26-33
Wij zien hier hoe de twisten tussen Izaak en de Filistijnen geëindigd zijn in verzoening en een gelukkige vrede.
1. Abimelech brengt een vriendelijk bezoek aan Izaak ten teken van zijn achting voor hem, vers 26. "Als iemands wegen de Heere behagen, doet Hij zelfs diens vijanden vrede met hem maken," Spreuken 16:7. De harten van de koningen zijn in Zijn handen, en als het Hem behaagt kan Hij ze ten gunste van Zijn volk neigen.
2. Met wijsheid en voorzichtigheid onderzoekt Izaak de oprechtheid van dit bezoek, vers 27. Bij het sluiten van vriendschapsbetrekkingen is de voorzichtigheid van de slang nodig, zowel als de oprechtheid van de duif. Het is ook niet in strijd met de wet der zachtmoedigheid en liefde om ons opmerken van de beledigingen en het kwaad die ons aangedaan zijn, te laten blijken, en op onze hoede te zijn voor hen, die ons onrechtvaardig behandeld hebben.
3. In zijn toespraak tot Izaak betuigt Abimelech zijn oprechtheid, en verzoekt hij dringend om zijn vriendschap, vers 28, 29. Sommigen opperen de mening, dat Abimelech op dit verbond met hem zo sterk aandrong, omdat hij vreesde dat Izaak, rijk en machtig geworden, zich op de een of andere tijd op hem zou wreken wegens het onrecht en het nadeel dat hem was aangedaan. Maar hij verklaart dat hij het veeleer deed uit een beginsel van liefde.
a. Hij stelt zijn gedrag jegens hem in het beste licht. Izaak klaagde dat zij hem haatten, en hem hadden weggezonden. Neen, zegt Abimelech, wij hebben u in vrede laten vertrekken. Zij verjoegen hem van het land, dat hij van hen in huur had, maar zij lieten hem toe zijn levende have en zijn goed mee te nemen. Het verzachten en verkleinen van toegebrachte schade en nadeel is noodzakelijk voor het bewaren van vriendschap, want het verzwaren er van maakt de breuk wijder. De onvriendelijkheid, die ons aangedaan is, had nog erger kunnen wezen.
b. Hij erkent de tekenen van Gods gunst jegens hem, en geeft dit als reden op van zijn begeerte om een verbond met hem te hebben. Wij hebben gezien dat de Heere met u is, en-gij zijt nu de gezegende des Heeren. Alsof hij gezegd had: "Laat u bewegen om het u aangedane onrecht voorbij te zien, want God heeft u de schade, die wij u veroorzaakt hebben, ruimschoots vergoed." Zij, die door God gezegend en begunstigd worden, hebben wèl reden om hun te vergeven, die hen haten, daar toch de ergste vijand, die zij hebben, hun geen wezenlijke schade kan toebrengen. Of: "Wij begeren uw vriendschap omdat God met u is." Het is goed om in verbond en gemeenschap te zijn met hen, die in verbond en gemeenschap zijn met God, 1 Johannes 1:3, Zacheria 8:23.
c. Hij verzekert hem dat de stap, die zij nu bij hem deden, het gevolg was van rijpe overweging. Wij hebben gezegd: Laat toch een eed tussen ons zijn, hoe sommigen van zijn gemelijke, afgunstige onderdanen er ook anders over mogen denken, hij en zijn voornaamste staatsdienaren, die hem vergezelden, hadden geen andere begeerte dan om oprechte, hartelijke vriendschap met hem te sluiten. Misschien had Abimelech door overlevering gehoord van de waarschuwing, die zijn voorganger van God had ontvangen, om Abraham geen leed te doen Hoofdstuk 20:7, en dat hij daardoor zo'n ontzag had voor Izaak, die evenzeer als Abraham de gunstgenoot des hemels bleek te zijn. 4. Izaak onthaalt hem en zijn gezelschap, en gaat een verbond van vriendschap met hen aan vers 30, 31. Zie hier hoe edelmoedig deze Godvruchtige was:
a. Door te geven, hij maakte hun een maaltijd en heette hen welkom.
b. Door te vergeven. Hij bleef niet staan bij het hem aangedane onrecht, maar ging gewillig een verbond van vriendschap met hen aan, en verbond zich hun nooit enig onrecht aan te doen of hun enigerlei schade te veroorzaken. De Godsdienst leert ons vriendelijk te zijn, als goede naburen met elkaar om te gaan en, zoveel als in ons is, "vrede te houden met alle mensen."
5. In Zijn voorzienigheid heeft God aan Izaak Zijn goedkeuring getoond van hetgeen hij gedaan had, want op dezelfde dag, dat hij dit verbond had gesloten met Abimelech, brachten zijn knechten hem de tijding, dat zij water gevonden hadden, vers 32, 33. Hij had niet aangedrongen op teruggave van de waterputten, die de Filistijnen hem onrechtvaardig hadden ontnomen, opdat de onderhandelingen over het verbond hierdoor niet zouden afgebroken worden, maar liet zich het onrecht stil welgevallen. Om hem daar nu voor te belonen, wordt hij terstond verrijkt door een nieuwe waterput, die hij, omdat dit zo goed overeenkwam met hetgeen op die dag geschied was bij zijn oude naam Ber-Seba noemde, de waterput van de eed.