15. Wat zal ik spreken 1) om Hem genoeg te danken (
2 Samuël 7:20). Gelijk Hij het mij heeft toegezegd op mijn gebed, alzo heeft Hij gedaan, want heden, den derden dag na de ziekte, kan ik den tempel bezoeken (
2 Koningen 20:11). Ik zal nu ten dank der ondervondene genade al zoetjes voort treden al mijne jaren, van wege 1) de bitterheid mijner ziel; al de jaren, die door Gods genade aan mijn leven zijn toegevoegd, zal ik in allen ootmoed en in stilte (
Psalm 42:5) doorbrengen.
1) Dat is: hoe zal ik woorden genoeg vinden en recht passende woorden om den Heere God te loven en te danken! Nu hij uitgered is, gevoelt hij juist te meer het diep verbeurde van de genade en zijne onmacht om den Heere naar waarheid te danken. Hij weet het, hij heeft niets waarmee hij den Heere zal vergelden. Gelijk de Heere hem roepen deed, zo moet diezelfde God hem nu ook recht leren danken.
In het Hebreeën Al-mar nafschi. De Staten-Overzetters vertalen: vanwege de bitterheid mijner ziel. Beter is het over te zetten: op de bitterheid mijner ziel, in den zin van, welke zullen volgen op de dagen der bitterheid. Hizkia zegt hier dan dat hij de dagen, welke God hem nog heeft toegestaan, zoetjes aan zal voort treden, dewijl de Heere God de bitterheid der ziel heeft weggenomen, hem weer blijdschap voor droefheid heeft gegeven. Hij zal opgaan naar des Heren huis en daar de wonderen des Heren vertellen.
Anderen vertalen: in spijt van de bitterheid mijner ziele.