20. De HEERE was of is gereed om mij te verlossen, en zo zal Hij mij ook voortaan nabij zijn ter verlossing van Sanherib's macht; daarom zullen wij, ik en mijn huis, op mijn snarenspel spelen, al de dagen onzes levens, in het huis des HEEREN.
Vers 14-20. Het uur was voor den koning gekomen, waarin de mens met al zijne kracht erkent, dat God hem slechts helpen kan; daar horen wij de gebiedende stem des Heersers van Israël stenen als ene zwaluw, als een kraanvogel kirren in nood en hulpeloosheid gelijk ene duif, totdat zij het ootmoedig-verhevene woord gevonden heeft: "God! mij is bang, treed voor mij in!" En Hij die het vurige smeken van het verslagen hart hoort, het wenende oog omhoog geslagen ziet, beloofde het uitgaande lemmet des levens tot ene nieuwe vlam aan te wakkeren, en vervulde getrouw Zijn heilig woord. Daar barst de koning in de vraag uit: "Wat zal ik zeggen?" Woorden kunnen den dank niet bevatten, geen offers Hem waardiglijk ten hemel dragen: "Zacht wil hij gaan alle zijne jaren om de bedroefdheid zijner ziel!" Dat is een groot woord uit eens konings mond, en daarin grijpt ons de kracht des Heiligen Geestes uit het Oude Testament aan. Den weg des ootmoeds slechts wil de koning van nu aan bewandelen; want zijne ziel heeft voor de poorten van het donkere dodenrijk en voor den glansrijken troon des Ontfermers den vasten toon der geestelijke droefheid gevonden "Heere" roept hij ons toe: "daarom leeft alles!" (Vers 16) En wij zeggen "Amen" daarop. Ja, in het zeggen en doen, in de onverbrekelijke trouw des Almachtigen Scheppers ligt de onderhouding aller dingen, het leven en voortbestaan aller wezens. Wat den geest des genezenden frisse lucht toevoert, dat komt uit dezelfde bron allen schepselen ten goede; de hand, die hem verder sterkt en onderhoudt, omvat behoedend de ganse wereld des aanzijns. "In Hem leven, bewegen wij ons en zijn wij!" De koning heeft reeds in het nog voor vele jongeren des Nieuwen Verbonds gesloten geheim der Christelijke mensenopvoeding een blik geslagen, dat het lijden op aarde tot heil, het bittere tot vrede dient. Dankbaar wijst Hizkia vooral op de ondervinding der Goddelijke liefde, die hem uit het graf, dat zich voor hem had geopend, en waarin hij reeds verzonken vreesde te zijn, weer opgetrokken heeft, en hij legt de ootmoedige belijdenis af, hoe hij op gene verdienste steunen kan. maar de afgesmeekte wederkering in `t leven slechts te danken heeft aan de onuitputtelijke genade van Hem. "die al zijne zonden achter Zijn rug geworpen heeft. " Zonde en dood schijnt onzen koning onverbrekelijk verbonden, gelijk den diepzinnigen dichter des 90sten Psalms. Het blijdste levensgevoel stort zich aan het eind des lieds uit: "Al wat adem heeft, love den Heere!" Het leven geeft lovend kennis van den Levende, van geslacht tot geslacht wordt de trouw des Scheppers geprezen en nog horen wij het ruisen der harp van onzen koninklijken zanger in den tempel des Ouden Verbonds.
De beide volgende verzen moeten naar het geschiedkundig verloop na Vers 6 gelezen worden.