Jesaja 30:27-33
Deze verschrikkelijke voorzegging van het verderf van het Assyrische leger is, hoewel dreigend voor de Assyriërs, een deel van de belofte aan Israël van God, dat God niet slechts de Assyriërs zal straffen voor het kwaad, dat zij gedaan hebben aan Israël van God, maar hen zal beletten om het nogmaals te doen, daar Hij er hun de macht toe zal ontnemen. En deze voorzegging, die weldra in vervulling zal gaan, zal de voorgaande beloften, die in de laatste dagen vervuld zullen worden, bevestigen en bekrachtigen.
Hier is:
I. God Almachtig toornig, en in Zijn toorn uitgaande tegen de Assyriërs, Hij wordt hier ingeleid in al de kracht en de verschrikking van Zijn toorn, vers 27. De naam van Jahweh, die de Assyriërs minachtten en op een afstand gesteld hadden, alsof zij buiten zijn bereik waren en Hij hun geen kwaad kon doen: zie, hij komt van verre, een bode komt in de naam des Heeren zo ver, als van de hemel neer de aarde, hij is een bode des toorns, brandende van toorn. Gods lippen zijn vol gramschap wegens de lastering van Rabsake, die Israëls God op één lijn stelde met de goden van de heidenen, Zijn tong is als een verterend vuur, want Hij kan Zijn trotse vijanden ten verderve spreken, zelfs Zijn adem komt met evenveel kracht als "een overlopende beek," en daarmee zal Hij de goddelozen doden, Hoofdstuk 11:4. Hij smoort Zijn toorn niet, zoals ue mensen hun toorn inhouden of smoren, als hij of zonder oorzaak of machteloos is, maar Hij zal Zijn heerlijke stem doen horen, als Hij de oorlog verklaart aan een vijand, die Hem trotseert, vers 30, Hij zal Zijn gramschap, de grimmigheid Zijns toorns de hoogste mate van Zijn toorn, doen zien, die toorn zal wezen als de vlam van een verterend vuur, dat alles voor zich heen wegdrijft en verteert, met bliksemen en een hagelstorm, welke allen ontzaglijke natuurverschijnselen zijn, en daarom uitdrukkingen zijn van de verschrikking van de almachtigen God van de natuur.
II. De voltrekking van dit vonnis door de engel des Heeren. De mensen zijn dikwijls toornig en kunnen dan slechts dreigen en hoge woorden spreken, maar als God Zijn heerlijke stem doet horen, dan zal dat niet alles zijn, het zal daar niet bij blijven, dan zal Hij ook de nederlating van Zijn arm doen zien, vers 30. De werkingen van Zijn voorzienigheid zullen de bedreigingen van Zijn woord volvoeren, zij die "de verhoging van Zijn hand" niet wilden zien Hoofdstuk 26:1-1, zullen de nederlating van Zijn arm gevoelen en tot hun koste gewaarworden dat de last ervan zwaar is, vers 27, zo zwaar, dat zij hem niet kunnen dragen, noch er bestand onder kunnen blijven, maar er onvermijdelijk onder moeten verzinken en verpletterd worden. Wie kent de sterkte van Zijn toorn, of stelt zich voor wat een beledigd God doen kan?
Vijf dingen worden hier bereid voor de voltrekking van het vonnis.
1. Hier is een overlopende beek, die reiken zal tot aan de hals toe, de gehele massa van het leger zal overstelpen, alleen Sanherib, het hoofd van dat leger, zal boven water blijven, en aan die slag ontkomen, daar hij voor een anderen slag bewaard blijft, die hem zal treffen in het huis van Nisroch, zijn god. Het Assyrische leger was voor Juda als een overlopende beek geweest, reikende tot aan de hals toe, Hoofdstuk 8:7, 8, en nu zal de adem van Gods toorn dit voor dat leger zijn.
2. Hier is een zeef van de ijdelheid, waarmee God de heidenen zal ziften, of wannen, vers 28, uit welke het Assyrische leger was samengesteld. De grote God kan de volken ziften, want zij zijn allen voor Hem als stofjes aan de weegschaal, Hij zal hen ziften, niet om er sommigen uit te vergaderen, die behouden zullen worden, maar om hen tegen elkaar te schudden, hen in ontsteltenis te doen komen en hen allen weg te schudden ten laatste, want het is een zeef van de ijdelheid (die niets terughoudt) waarmee zij geschud worden, en zij worden bevonden een en al kaf te zijn.
3. Hier is een toom, die God in hun kinnebakken heeft, om hen te bedwingen en te weerhouden van het kwaad te doen, dat zij zouden doen, en hen te noodzaken om tegen hun wil Zijn doeleinden te dienen, Hoofdst 10:7. Inzonderheid van Sanherib zegt God, Hoofdstuk 37:29, dat Hij Zijn haak in zijn neus zal leggen en Zijn gebit in zijn lippen. Het is een misleidende toom, een toom, die hen doet dwalen, hen dwingende om methodes te volgen, die hen en hun belangen gewis ten verderve zullen wezen. God leidt Zijn volk door een woord op de rechte weg, vers 21, maar met een toom voort Hij Zijn vijanden regelrecht ten verderve.
4 Hier is een roede en een staf, namelijk de stem des Heeren, Zijn woord, bevel gevende hieromtrent, waarmee de Assyriër te morzel geslagen zal worden, vers 31. De Assyriër is zelf een roede geweest in Gods hand, ter kastijding van Zijn volk, en hij had hen geslagen Hoofdstuk 10:5. Dat was een voorbijgaande roede, maar tegen de Assyriër zal een gegrondveste staf uitgaan, die een gestadigen slag zal geven, hem zo goed treffen, dat er een indruksel of litteken door zal komen op hem. Het is een staf met een grondslag, gegrond op hetgeen de vijanden verdienen en op Gods vastbesloten raad, Hoofdstuk 10:23, en daarom is er geen ontkomen aan, kan hij er zich niet buiten het bereik van stellen, hij zal doorgaan door iedere plaats waar een Assyriër gevonden wordt, en de Heere zal hem op hem leggen en op hem doen rusten, vers 32. Zodanig is de rampzalige toestand van hen, die volharden in hun vijandschap tegen God: de toorn Gods blijft op hen.
5. Hier is Tofeth voor hen verordineerd en bereid, vers 33. Het dal van de zoon van Hinnom nabij Jeruzalem, werd Tofeth genoemd. Men onderstelt dat vele Assyrische regimenten in dat dal gelegerd waren en aldaar door de verderfengel gedood werden, of wel de lichamen van hen, die aldus gedood waren, zijn aldaar verbrand geworden. Hizkia had onlangs en van gisteren-zo luidt de uitdrukking-het verordineerd, dat is: zeggen sommigen-hij had het ontdaan van de beelden, die erin opgericht waren, ter welker eer zij hun kinderen verbrandden, en aldus werd het bereid om de vergaarbak te zijn van de dode lichamen van hun vijanden, voor de koning van Assyrië, voor zijn leger is het bereid en er is brandstof genoeg, bereid om hen allen te verbranden, en zij zullen verteerd worden, even plotseling en volkomen, alsof het vuur onderhouden werd door een aanhoudenden stroom van zwavel, want zodanig zal de adem des Heeren, Zijn woord en Zijn toorn er voor zijn. Gelijk nu de profeet in de voorgaande beloften onmerkbaar, als het ware, overgaat tot de beloften van Evangeliegenade en vertroostingen, zo wijst hij hier in de bedreiging van de ondergang van Sanheribs leger op de finale en eeuwige verwoesting van alle onboetvaardige zondaars. Onze Heiland noemt de toekomstige rampzaligheid van de veroordeelden Gehenna, in toespeling op het dal van Hinnom, hetgeen enige ondersteuning geeft aan de toepassing hiervan op die rampzaligheid evenals ook aan dat hetwelk in de Openbaring zo dikwijls de poel wordt benoemd, die daar brandt van puur en sulfer. Deze wordt gezegd vanouds bereid te zijn voor de duivel en Zijn engelen, voor de grootsten van de zondaren, de hoogmoedigsten en die denken aan niemand verantwoordelijk te zijn voor hetgeen zij zeggen en doen, namelijk voor koningen is hij bereid. Hij is diep en wijd, ruim genoeg om de wereld van de goddelozen in zich op te nemen, het vuur en hout van zijn brandstapel is veel. Gods toorn is het vuur, en de zondaars maken zichzelf tot brandstof er voor, en de adem des Heeren-de kracht van Zijn toorn-steekt het aan en zal het altijd brandende houden. Zie Hoofdstuk 66:24. En daarom: zijt beroerd en zondigt niet.
III. De grote vreugde, welke hierdoor veroorzaakt zal worden aan het volk van God, de val van de Assyriër is de triomf van Jeruzalem vers 29. Er zal een lofzang bij ulieden zijn, gelijk in de nacht, een psalm des lofs, zoals die zij bezongen, die des nachts in het huis des Heeren staan, en zingen tot eer van Hem, die psalmen geeft in de nacht. Het zal geen lied van ijdele vrolijkheid zijn, maar een heilig lied, zoals dat hetwelk gezongen werd, wanneer het feest geheiligd werd, op een ernstige, Godsdienstige wijze. Onze blijdschap over de val van de vijanden van de kerk moet een heilige blijdschap zijn, blijdschap des harten, geluk van een, die met pijpen wandelt, zoals de zonen van de profeten deden als zij profeteerden, 1 Samuël 10:5, "om te komen tot de Heere des Heeren," en er de lof te zingen "van de rotssteen Israëls." Ja in elke plaats, waar de Goddelijke wraak de Assyriërs vervolgt, ze vallen niet slechts onbetreurd, maar al hun naburen zullen hun val vieren met trommelen en harpen, verheugd om te zien hoe God met bewegende bestrijdingen tegen hen strijdt, om hen uit de wereld weg te schudden, vers 32, want als de goddelozen omkomen, dan is er gejuich, en het is met een bijzondere voldoening, dat wijze en Godvruchtige mensen het verderf zien van hen, die gelijk de Assyriërs onbeschaamd en hovaardiglijk God hebben getrotseerd, en over geheel het mensdom getriomfeerd hebben.