Jesaja 29:9-16
I. Hier staat de profeet verbaasd over de domheid van het grootste deel van de Joodse natie. Zij hadden Levieten, die de goede kennis des Heeren onderwezen en hierin werden zij door Hizkia aangemoedigd, 2 Kronieken 30:22. Zij hadden profeten, die hun boodschappen brachten van God, en hun te kennen gaven wat de oorzaken waren van Gods misnoegen tegen hen en wat er de gevolgen van zouden zijn. Nu zou men denken: Voorzeker, dit grote volk dat al de voordelen heeft van de Goddelijke openbaring, is "een wijs en verstandig volk," Deuteronomium 4:6. Maar, helaas, het was geheel anders, vers 9. De profeet richt zich tot het sober denkende deel van hen, hen oproepende om getroffen te zijn door de algemene achteloosheid en onverschilligheid van hun naasten. Het kan aldus gelezen worden: Zij stellen het uit om zich te bekeren, maar verwondert u er over dat zij zo dom zijn, zij spelen met hun misleiding van zichzelf, zij vermaken zich en zijn vrolijk maar gijlieden, roept uit: treurt over hun dwaasheid, roept tot God in het gebed voor hen. Hoe minder besef zij ervan hebben, dat de hand Gods tegen hen is uitgestrekt, hoe meer gijlieden deze dingen ter harte moet nemen." De gerustheid van de zondaren op hun zondigen weg is een rechtmatige oorzaak van droefheid en verbazing voor alle ernstige mensen, die zich gedrongen moeten gevoelen om te bidden voor hen, die niet bidden voor zichzelf. Maar wat is er? Waarover moeten wij ons verwonderen?
1. Wij kunnen er wel over verwonderd zijn dat de massa van het volk zo stompzinnig en verdwaald is, alsof zij dronken waren. Ze zijn dronken, maar niet van wijn-niet alleen van wijn, daarvan waren zij dikwijls dronken-en zij dwaalden van de wijn, Hoofdstuk 28:7. Zij waren dronken van liefde voor zingenot, van vooroordelen tegen de Godsdienst en van verdorven beginselen, die zij in zich hadden opgenomen, evenals dronkaards weten zij niet wat zij zeggen of doen, noch waar zij heengaan. Zij hebben geen besef ervan, dat zij onder Gods bestraffing liggen. "Men heeft mij gebeukt, ik heb het niet gevoeld," zegt de dronkaard, Spreuken 23:35. God spreekt tot hen eenmaal, je twee maal, maar als mensen, die dronken zijn, bemerken zij het niet zij verstaan het niet, maar vergeten de inzetting. Zij waggelen in hun raadsbesluiten, zij zijn onvast en ongestadig, en struikelen over alles wat hun in de weg komt. Er is zo iets als geestelijke dronkenschap.
2. Nog vreemder is het, dat God zelf een geest van diepe slaap over hen heeft uitgegoten, en hun ogen heeft toegesloten, vers 10, dat Hij, die hun gebiedt te ontwaken en hun ogen te openen, hen toch te slapen legt en hun ogen sluit, maar het is in de weg van een rechtvaardig oordeel, om hen er voor te straffen, dat zij de duisternis liever hebben dan het licht, en voor hun liefhebben van de slaap. Als God door zijn profeten hen riep, dan zeiden zij: nog een weinig slaap, nog een weinig sluimeren, en daarom zond God hun een kracht van de dwaling, en zei: Slaapt nu voort. Dit wordt toegepast op de ongelovige doden, die het Evangelie van Christus verwierpen en daarom rechtvaardiglijk verhard werden in hun ongeloof totdat de toorn over hen gekomen is, Romeinen 11:8. "God heeft hun gegeven een geest van diepe slaap," en wij hebben reden om te vrezen dat dit ook de rampzalige toestand is van velen, die leven in het volle licht van het Evangelie.
3. Het is zeer treurig dat dit ook de toestand was van hen, die hun profeten, hun oversten en hun zieners waren, dat zij, die hun leidslieden behoorden te wezen, zelf verblind waren, en het is gemakkelijk te zeggen wat de noodlottige gevolgen zullen zijn als de blinden de blinden leiden. Dit werd vervuld toen in de laatste dagen van de Joodse kerk de overpriesters en de schriftgeleerden en de ouderlingen van het volk de grote tegenstanders waren van Christus en Zijn Evangelie, en het oordeel van de verblinding over zich gebracht hebben.
4. De treurige uitwerking hiervan was, dat al de middelen tot overtuiging, kennis en genade, die zij bezaten, krachteloos waren en niet beantwoordden aan het doel, vers 11,12 "Het gezicht van al de profeten, van de ware en de valse, is ulieden geworden als de woorden van een boek, of van een brief, die verzegeld is, gij kunt de waarheid van de ware gezichten en de leugen van de valse niet onderscheiden." Of ieder gezicht, inzonderheid dat, hetwelk deze profeet had gezien voor hen, en bekend had gemaakt aan hen, was onbegrijpelijk voor hen geworden, zij bezaten het, maar waren er niet meer door te weten gekomen, zij wisten er evenmin iets meer door dan iemand, die nog zo goed lezen kan, te weten krijgt door een boek, dat verzegeld is en waarvan hij de zegelen niet moet verbreken. Hij ziet dat het een boek is, en dat is alles, hij weet niets van hetgeen er in is. Zo wisten zij dat wat Jesaja zei een gezicht en profetie was, maar de betekenis ervan was voor hen verborgen, het was hun slechts een geklank van woorden, waardoor zij volstrekt niet verschrikt of getroffen werden, het beantwoordde niet aan het doel, want het maakte volstrekt geen indruk op hen. Noch zij die konden lezen, noch zij die het niet konden, waren er te beter om, dat God hun zovele boodschappen zond door Zijn dienstknechten, de profeten, en zij begeerden het ook niet te zijn. Zij, die tot het gewone volk behoorden verontschuldigden zich van acht te slaan op hetgeen de profeten zeiden door te zeggen dat zij niet geleerd waren, geen goede opleiding hadden genoten, alsof het hun niet aanging om de wil van God te kennen, en alsof zij niet verplicht waren om Gods wil te doen, omdat zij niet tot geleerden waren opgeleid: het gaat mij niet aan, ik ben niet geleerd, vers 12. Die van betere rang of stand waren, gaven voor dat de profeet een eigenaardige wijze van spreken had, die voor hen duister was en waaraan zij, hoewel zij geletterd waren niet gewoon waren, en Si non vis intelligi, debes negligi, als gij niet begrepen wilt worden, dan verdient gij veronachtzaamd te worden. Beiden waren ongegronde voorwendsels, want Gods profeten waren noch voor de wijzen, noch voor de onwijze, ontrouwe schuldenaars, Romeinen 1:14. Of, wij kunnen het aldus verstaan: het boek van de profetie was hun verzegeld overgegeven, zodat zij het niet konden lezen, en dit was een rechtvaardig oordeel over hen, want het was hun dikwijls genoeg onverzegeld overgegeven, maar zij wilden zich de moeite niet geven om er de taal van te leren, en dan verontschuldigden zij hun niet lezen ervan met te zeggen dat zij niet geleerd waren. Doch merk op: "Het gezicht is ulieden aldus geworden, ulieden, wier geest door de god van deze wereld verblind is, maar in zichzelf is het zo niet, het is niet zo voor allen, hetzelfde gezicht, dat voor ulieden een reuk des doods is ten dode, is en zal wezen voor anderen een reuk des tevens ten leven." De kennis is gemakkelijk voor hem, die verslaat.
II. In de naam van God richt de profeet bedreigingen tot hen, die vormelijk en geveinsd zijn in hun godsdienstige verrichtingen, vers 13, 14.
Merk hier op:
1. De zonde, die hun hier ten laste wordt gelegd: geveinsdheid bij God in hun vrome verrichtingen, vers 13. Hij, die het hart kent en niet misleid kan worden door uiterlijk vertoon van vroomheid, legt het hun ten laste, hetzij hun eigen hart er hen al of niet om veroordeelt. Hij, die groter is dan het hart en alle dingen weet, weet dat, hoewel zij tot Hem naderen met hun mond en Hem eren met hun lippen, zij er toch niet oprecht in zijn. God te aanbidden is tot Hem te naderen en Hem onze hulde te bieden. Het is tot Hem te komen als degenen, die zaken met Hem te doen hebben en Hem daarin te eren. Dit moeten wij doen met onze mond en onze lippen in het spreken van Hem, en in het spreken tot Hem moeten Wij Hem de offerstieren, de belijdenis van onze lippen betalen, Hosea 14:3. En als het hart vol is van Zijn liefde en vreze, dan zal uit de overvloed daarvan de mond spreken. Maar er zijn velen, wier Godsdienst slechts lippenwerk is. Zij zeggen hetgeen een uitdrukking is van naderen tot God en van aanbidding van Hem, maar het komt slechts van de tanden, het is slechts uitwendig, want:
a. Zij leggen zich niet met het hart toe op de dienst, als zij voorgeven tot God te spreken, denken zij aan duizend nietigheden, zij hebben hun hart verre van Mij gedaan, vers 13, opdat zij niet tot Mij bidden en niet onder het gehoor des Woords zullen komen. Als er werk gedaan moet worden voor God waarvoor het hart vereist wordt, dan werd dit weggezonden met de ogen van de zotte in het einde van de aarde.
b. Zij stellen het woord Gods niet tot regel van hun aanbidding of hun eredienst, noch Zijn wil tot de reden van hun doen en laten, hun vreze, waarmee zij Mij vrezen, was een gebod van mensen. Zij aanbaden de God Israëls, niet naar Zijn verordening, maar naar hun eigen verzinsel, naar het voorschrift van hun valse profeten, of van hun afgodische koningen, of naar de gebruiken van de volken, die rondom hen woonden, de overlevering van de ouden gold bij hen meer dan de wetten, die God aan Mozes had geboden. Of, indien zij God aanbaden overeenkomstig Zijn inzetting in de dagen van Hizkia, een groot hervormer, dan hadden zij meer het oog op het voorschrift van de koning dan op het gebod van God. Onze Heiland past dit toe op de Joden van Zijn tijd, die vormelijk waren in hun Godsverering en vasthielden aan hun eigen bedenkselen, en van hen zegt Hij, dat zij God tevergeefs eren, Mattheus 15:8, 9.
2. Het is een geestelijk oordeel, waarmee God dreigt hen te zullen straffen voor hun geestelijke boosheid, vers 14. Ik zal voorts wonderlijk handelen met dit volk, of Ik zal een wonderlijk werk doen, zij deden een vreemd ding, zij deden alle oprechtheid weg uit hun hart, nu zal God een ander vreemd ding doen: Hij zal alle schranderheid, of wijsheid, weg doen uit hun hart, de wijsheid hunner wijzen zal vergaan. Zij veinsden en dachten God te bedriegen, en nu worden zij aan zichzelf overgelaten om dwazen te zijn, en niet alleen zichzelf te bedriegen, maar om gemakkelijk bedrogen te worden door allen die om hen heen zijn. Zij die van de Godsdienst slechts een voorwendsel maken om hun eigen doeleinden er mee te dienen, zijn aan het einde van al hun wijsheid, en het is rechtvaardig in God om diegenen van hun verstand te beroven, die hun oprechtheid van zich wegdoen. Dit werd vervuld in de noodlottige verblinding, die blijkbaar over het Joodse volk was gekomen, nadat zij het Evangelie van Christus hadden verworpen, hebben zij hun hart verre weggedaan van God, en daarom heeft God in gerechtigheid wijsheid verre weggedaan van hen en voor hun ogen verborgen zelfs hetgeen tot hun tijdelijke vrede diende. Dit is een wonderlijk werk, het is verrassend, het is verbazingwekkend, dat wijze mensen plotseling hun wijsheid verliezen en aan een kracht van de dwaling worden overgegeven. Oordelen over de geest zijn het meest verbazingwekkend, hoewel er het minst op gelet wordt.
III. Hij toont de dwaasheid aan van hen, die dachten dat zij hun handelingen voor God konden verbergen, hun plannen onafhankelijk van God konden volvoeren en ze voor Zijn alziend oog verborgen houden. Hier wordt:
1. Hun staatkunde beschreven, vers 15. Zij willen zich diep verstoppen voor de Heere, opdat Hij niet zal weten wat zij doen of wat zij voornemens zijn te doen. Zij zeggen: "Wie ziet ons? Geen mens, en dus ook God zelf niet." Hun raadslagen voor hun veiligheid hielden zij voor zich, en nooit vroegen zij er God om raad voor, ja meer: zij wisten dat ze God mishaagden, maar dachten dat zij ze voor Hem verborgen konden houden, en als Hij ze niet wist, kon Hij ze ook niet verijdelen of tegenwerken. Zie wat dwaze, vruchteloze moeite zondaren doen op hun zondige wegen: zij zoeken diep, zij zinken diep, om hun raad voor de Heere te verbergen, die in de hemel zit en hen uit lacht. Ongeloof in Gods alwetendheid is op de bodem van de vleselijke aanbidding en van het vleselijk vertrouwen van de geveinsden, Psalm 94:7, Ezechiël 8:12, 9:9.
2. De ongerijmdheid van hun staatkunde wordt in het licht gesteld, vers 16. Ulieder onderstboven keren van de dingen, uw verschillende plannen, uw heen en weer wenden van uw zaken, om er de vorm aan te geven, die u behaagt, of liever: Uw omkeren van de orde van zaken, denkende dat Gods voorzienigheid er zich naar schikken zal, rekening zal houden met uw plannen, en dat God er niet meer van moet weten dan gij goedvindt, (hetgeen een volkomen onderstboven keren is van de dingen en een beginnen van de verkeerden kant.) zal geacht worden als leem van de pottenbakker. God zal uw zaken, uw plannen en uw raadslagen wenden en besturen, met evenveel gemak en even volstrekte macht, als de pottenbakker vorm en gestalte geeft aan zijn leem." Zie hoe God de raadslagen en plannen van de mensen, die zonder God gevormd en tegen Hem gericht zijn, veracht, en hoe weinig reden wij dus hebben om ze te vrezen. Zij, die denken hun plannen voor God te verbergen:
a. Verloochenen Hem hiermede als hun Schepper. Het is alsof het werk zou zeggen van hem, die het gemaakt heeft: "hij heeft mij niet gemaakt, ik heb mijzelf gemaakt." Indien God ons gemaakt heeft, dan, gewis, kent Hij ons, zoals door de psalmist wordt aangetoond, Psalm 139:1, 13-15. Zodat zij, die zeggen dat Hij hen niet ziet, evengoed zouden kunnen zeggen dat Hij hen niet gemaakt heeft. Veel van de goddeloosheid van de goddelozen komt hieruit voort, dat zij vergeten dat God hen geformeerd heeft, Deuteronomium 32:18. Of,
b. Hetgeen op hetzelfde neerkomt: zij loochenen dat Hij een wijze Schepper is, het geformeerde vat zegt van zijn pottenbakker: hij verstaat het niet want indien Hij het verstond om ons zo kunstig te formeren, inzonderheid indien Hij ons tot verstandelijke wezens heeft gemaakt, "de wijsheid in ons binnenste heeft gezet," Job 38:36 dan heeft Hij ongetwijfeld ook verstand, om ons te kennen, ons en alles wat wij zeggen en doen. Gelijk zij, die met God twisten, zo leggen ook zij, die denken zich voor Hem te verbergen, Hem dwaasheid ten laste, maar zal Hij, die het oog formeert, niet zien? Psalm 94:9