Job 38:25-38
1. Zult gij voor de ouden leeuw roof jagen, of de graagheid van de jonge leeuwen vervullen, Job 39:1.
2. Als zij nederbukken in de holen, en in de kuil zitten ter roering?
3. Wie bereidt de raaf haar kost, als haar jongen tot God schreeuwen, als zij dwalen omdat er geen eten is? (Noot: Hoofdst. 39:1-3 in de Statenoverzetting zijn in de Engelse Bijbel Hoofdst. 38:39- 41.)
Totnutoe heeft God aan Job vragen gedaan die hem konden overtuigen van zijn onwetendheid en kortzichtigheid. Nu gaat Hij ertoe over om hem op dezelfde wijze zijn onmacht en zwakheid te tonen. Gelijk het slechts weinig is dat hij weet, weshalve hij de Goddelijke raadsbesluiten niet moet aanklagen, zo is het ook weinig dat hij kan doen en daarom moet hij de handelingen van Gods voorzienigheid niet tegenstaan. Laat hem bedenken wat grote dingen God doet en beproeven of hij even zulke doen kan, en of hij zich een gelijke partij voor Hem acht.
I. God heeft donder en weerlicht, regen en vorst tot Zijn beschikking, maar Job heeft ze niet, laat hem zich dan niet bij God durven vergelijken, niet met Hem durven strijden. Niets is meer onzeker dan het weer, noch meer buiten ons bereik om het te beschikken, het weer zal wezen zoals het God behaagt, niet zoals het ons behaagt, tenzij- zoals het ons betaamt-wat God behaagt ook ons behaagt. Merk hieromtrent op:
1. Hoe groot God is.
A. Hij heeft een vrijmachtige heerschappij over de wateren, heeft hun hun loop voorgeschreven, zelfs als zij door over te vloeien niet langer onder Zijn bedwang schijnen te zijn, vers 25. Hij heeft de stortregen een waterloop uitgedeeld, bestuurt de regen waar hij moet vallen zelfs de hevigste stortbuien, en dat wel met evenveel zekerheid, alsof hij door kanalen of buizen heengeleid werd. Zo wordt het hart van koningen gezegd in Gods hand te zijn, en gelijk de regens, deze rivieren Gods, neigt Hij het tot al wat Hij wil. Iedere regendroppel gaat waarheen hij geleid wordt. God heeft gezworen dat de wateren Noachs niet meer over de aarde zouden gaan, en wij zien dat Hij instaat is Zijn belofte te vervullen, want Hij deelt de stortregen een waterloop uit.
B. Hij heeft heerschappij over het weerlicht en de donder, die als in `t wilde gaan maar op de weg, waar Hij ze heenleidt. Zij worden hier vermeld, omdat Hij "de bliksemen maakt voor de regen," Psalm 135:17. Laat ons, die God vrezen, niet bevreesd zijn voor de bliksem of voor de donder, want zij zijn geen pijlen of kogels, die in het blinde worden afgeschoten, neen, God zelf bestuurt ze, God die geen leed door hen bedoelt.
C. Bij dit leiden van de loop van de regen veronachtzaamt Hij de woestijn niet, vers 26, 27, het land waar niemand is.
a.. Niemand om zorg te dragen voor de voortbrengselen. Gods voorzienigheid reikt verder dan de industrie van de mensen, indien Hij niet meer goedheid voor de mindere schepselen had dan de mens voor hen heeft, het zou slecht men hen gesteld zijn. God kan de aarde vruchtbaar maken zonder enigerlei kunst of moeite van ons. Genesis 2:5, 6 toen er geen mens geweest is om de aardbodem te bouwen, ging er een damp op om hem te bevochtigen. Maar wij kunnen haar niet vruchtbaar maken zonder God, Hij is het, die de wasdom geeft.
b. Waar geen mens is voor wie voorzien moet worden of om het voordeel te hebben van de vruchten, die worden voortgebracht. Hoewel God de mens met zeer bijzondere gunst aanziet en hem bezoekt, ziet Hij toch de mindere schepselen niet voorbij, maar doet het uitspruitsel van de grasscheutjes wassen tot voedsel voor alle vlees, zowel als ten diepste van de mens. Zelfs de woudezels zullen hun dorst kunnen lessen Psalm 104:11. God heeft genoeg voor allen en voorziet verwonderlijk zelfs voor die schepselen, van welke de mens geen diensten heeft en voor welke hij niet zorgt, want:
D. Hij is in zeker opzicht de vader van de regen, vers 28. Deze heeft geen andere vader. God brengt hem voort door Zijn macht, Hij bestuurt en leidt hem en maakt er het gebruik van dat Hem behaagt. Zelfs de kleine dauwdroppelen doet Hij afdruipen op de aarde als de God van de natuur, en als de God van de genade regent Hij gerechtigheid over ons, Hosea 10:12, en is Hij zelf Israël als de dauw. Zie Hosea 14:6, 7, Micha 5:6.
E. Het ijs en de vorst, waardoor de wateren verstijfd worden en de aarde met een korst wordt bedekt, worden door Zijn voorzienigheid voortgebracht, vers 29, 30. Dit zijn zeer gewone zaken, waardoor het vreemde ervan verminderd wordt. Maar als wij bedenken welk een verandering er in zeer weinig tijds door wordt teweeggebracht, hoe de wateren verborgen worden als onder een steen, een grafsteen, die erop gelegd is, (zo dik, zo sterk is het ijs dat ze bedekt) dan kunnen wij wel vragen: "Uit wiens schoot komt het ijs voort? Welke geschapen macht kon zo'n wonderbaar werk voortbrengen?" Geen macht dan die van de Schepper zelf. Vorst en sneeuw komen van Hem en daarom moeten zij onze gedachten leiden tot Hem, die zulke grote dingen doet, welke men niet doorzoeken kan. En wij zullen de ongemakken van het winterweer gemakkelijker dragen, als wij leren er dit goede gebruik van te maken.
2. Merk op, hoe zwak de mens is, kan hij zulke dingen doen? Kan Job het? Neen, vers 34, 35..
a. Hij kan ter verkwikking van zichzelf of zijn vrienden geen enkele regenbui gebieden: "kunt gij uw stem tot de wolken opheffen, tot deze flessen des hemels, opdat een overvloed van water u bedekke, om uw velden te bewateren als zij dor en dorstig zijn?" Als wij onze stem opheffen tot God om om regen te bidden, dan kunnen wij hem verkrijgen, Zacheria 10:1, maar zo wij onze stem opheffen tot de wolken om hem te eisen, dan zullen zij ons spoedig zeggen dat zij niet tot onze dienst zijn, en wij zullen het er zonder moeten doen, Jeremia 14:22. De hemel zal de aarde niet verhoren, tenzij God de hemel verhoort, Hosea 2:20. Zie welke arme, behoeftige afhankelijke schepselen wij zijn, wij kunnen niet zonder regen, en wij kunnen die niet hebben wanneer wij willen.
b. Hij kan geen enkele bliksemstraal uitzenden, indien hij daarvan gebruik zou willen maken om zijn vijanden te verschrikken, vers 35. "Kunt gij de bliksemen uitlaten dat zij heenvaren op uw boodschap en de werking doen, die gij begeert? Zullen zij komen als gij ze roept en tot u zeggen: Zie hier zijn wij " Neen, de dienaren van Gods toorn zullen geen dienaren zijn van onze toorn. Waarom zouden zij het ook, daar toch "de toorn des mans Gods gerechtigheid niet werkt." Zie Lukas 9:55.
II. God heeft de sterren des hemels onder Zijn bevel, wij niet. Onze overdenkingen moeten nu hoger gaan, ver boven de wolken, naar de heerlijke lichten daarboven. Hij maakt geen melding van de planeten, die zich in lagere loopbanen bewegen, maar van de vaste sterren die veel hoger zijn. Er wordt ondersteld dat zij invloed oefenen op deze aarde in weerwil van haar grote afstand, niet op de geest of het gemoed van de mensen, of op de gebeurtenissen van de voorzienigheid (der mensen levenslot wordt niet bepaald door hun sterren) maar op de gewone loop van de natuur, zij zijn gesteld tot tekenen en tot gezette tijden en tot dagen en jaren, Genesis 1:14. En indien de sterren zo'n heerschappij hebben over de aarde, vers 33, hoewel zij haar plaats hebben aan de hemel, en slechts blote stof zijn, hoeveel te meer dan niet Hij, die haar en onze maker is, en die een eeuwige Geest is. Zie nu hoe zwak wij zijn
1. Wij kunnen de invloed van de sterren niet veranderen, vers 31, niet die van degenen, die het middel zijn om de genoegens van de lente teweeg te brengen. Kunt gij de lieflijkheden van het Zevengesternte binden? -de zeven sterren, dat sterrenbeeld dat in zo'n kleine omtrek ligt, en toch zulke weldadige invloeden uitstort over de aarde. Wij kunnen evenmin de invloed veranderen van die welke de strengheid van de winter inleiden. Kunt gij de strengen des Orions losmaken? dat prachtige sterrenbeeld, dat zo groot een figuur maakt, er is geen, die een grotere figuur maakt aan de hemel en ruwe, onaangename invloeden verspreidt, die wij noch weren noch wijzigen kunnen. Beide zomer en winter zullen hun loop hebben, God kan ze veranderen als het Hem behaagt, Hij kan de lente koud maken en aldus de lieflijkheden van het Zevengesternte binden, en de winter warm maken en aldus de strengen des Orions losmaken, maar wij kunnen het niet.
2. Het is niet in onze macht de bewegingen van de sterren te regelen, ook zijn wij niet belast met haar leiding. God, "die de sterren bij namen noemt,"Psalm 147:4, roept ze tevoorschijn in haar onderscheiden jaargetijden, wijst haar de tijd aan voor haar opgang en ondergang, maar wij kunnen dat niet. Wij kunnen de Mazzaroth-de sterren in de zuidelijke tekenen niet voortbrengen, noch de Wagen met zijn kinderen-die in de noordelijke tekenen-leiden, vers 32. God kan de sterren te voorschijn brengen voor de krijg (zoals Hij gedaan heeft toen zij uit haar loopplaatsen streden tegen Sisera) en ze leiden in de aanval, die haar geboden is te doen, maar de mens kan dit niet.
3. Wij hebben niet alleen geen deel aan de regering van de sterren- de regering onder welke zij zijn, en de regering, die haar is opgedragen, want ze regeren en worden geregeerd-maar zijn er ten enenmale onbekend mede, wij weten de ordinantiën des hemels niet, vers 33. Zo weinig zijn wij instaat ze te veranderen, dat wij er niet eens een bericht of een verklaring van kunnen geven, zij zijn een geheim, een verborgenheid, voor ons. Zullen wij dan voorwenden Gods raad te kennen, en de redenen ervan? Als het ons overgelaten was de heerschappij van de sterren over de aarde vast te stellen, wij zouden spoedig verlegen staan. Zullen wij dan aan God leren hoe Hij de wereld moet regeren?
III. God is de Oorsprong en de Gever, de Vader en de Fontein van alle wijsheid en verstand, vers 36. De zielen van de mensen zijn edeler en voortreffelijker wezens dan zelfs de sterren des hemels en schijnen met meer glans. De krachten en vermogens van het verstand, waarmee de mens begaafd is, en de verwonderlijke voortbrengselen van zijn gedachten brengen hem in enige verwantschap met de zalige engelen. En vanwaar komt dat licht? Vanwaar anders dan van de Vader van de lichten? Wie anders heeft de wijsheid in het binnenste gezet van de mens en hem verstand des harten gegeven?
1. De redelijke ziel zelf en haar vermogens komen van Hem als de God van de natuur, want Hij formeert des mensen geest in zijn binnenste. Wij hebben onze ziel niet gemaakt, en wij kunnen niet zeggen hoe zij werkt, of hoe zij met ons lichaam verenigd is. Alleen Hij, die haar gemaakt heeft, kent haar en kan haar besturen. In sommige opzichten formeert Hij het hart van de mensen gelijk, maar in andere opzichten ongelijk.
2. Ware wijsheid komt van Hem als de God van de genade en de Vader van alle goede en volmaakte gaven. Zullen wij voorwenden wijzer te zijn dan God, wij, die alle wijsheid van Hem hebben? Ja zullen wij voorwenden wijs te zijn boven onze sfeer en de perken, die Hij, die ons ons verstand gegeven heeft, eraan heeft gesteld? Hij bedoelde dat wij er God mee zullen dienen en onze plicht doen, maar Hij heeft nooit bedoeld dat wij er ons als bestuurders van de sterren of van de bliksem mee zouden opwerpen.
IV. God heeft de wolken onder Zijn kennisneming en bestuur, maar wij niet, vers 37. Kan enigerlei mens met al zijn wijsheid het ondernemen om de wolken te tellen? of-zoals het ook gelezen kan worden-haar aard beschrijven en verklaren? Hoewel zij nabij ons zijn, in onze eigen atmosfeer, weten wij er toch weinig meer van dan van de sterren, die op zo grote afstand van ons zijn. En als de wolken regen in grote overvloed hebben doen nederkomen, zodat het stof tot vastigheid tot vast leem, wordt, en de kluiten samenkleven vers 38, wie kan dan de flessen des hemels stuiten, vers 37. Wie kan ze weerhouden, zodat het niet altijd door regent? De macht en de goedheid van God moeten hierin erkend worden, dat Hij de aarde regen genoeg geeft maar er haar niet van oververzadigt, haar week maakt, maar haar niet overstelpt, haar geschikt maakt voor de ploeg, maar niet ongeschikt voor het zaad. Gelijk wij geen enkele regenbui kunnen gebieden, zo kunnen wij ook voor geen enkele dag fraai weer gebieden, zó noodzakelijk, zó voortdurend is onze afhankelijkheid van Hem.
V. God beschikt spijze voor de mindere schepselen, en het is door Zijn voorzienigheid, niet door enigerlei zorg of moeite van ons, dat zij gevoed worden. Het volgende hoofdstuk is geheel ingenomen door de voorbeelden van Gods macht en goedheid jegens dieren, en spreekt van de voorziening, gemaakt:
1. Voor de leeuwen, Hfdst. 39, vs 1, 2. "Gij geeft niet voor dat de wolken en sterren op enigerlei wijze van u afhankelijk zijn, want zij zijn boven u, maar op aarde acht gij u de hoogste te zijn, zo laat ons dan hier eens een proef van nemen zien wat gij hier kunt of vermoogt. Zult gij voor de oude leeuw roof jagen? Gij laat u voorstaan op het bezit van vee, waarvan gij eens de eigenaar zijt geweest, de ossen en ezels en kamelen, die aan uw kribbe gevoederd werden. Maar wilt gij het onderhoud van de leeuwen op u nemen, en van de jongeleeuwen als zij in hun hol nederliggen, wachtende op roof? Neen, dat behoeft gij niet, zij kunnen zonder u zich wel redden, gij kunt het niet, want gij hebt het nodige niet om ze te verzadigen, gij durft het niet, indien gij kwaamt om hen te voeden, zij zouden zich op u werpen en u verscheuren en verslinden. Maar Ik doe het." Zie de algenoegzaamheid van de voorzienigheid, zij heeft de middelen om al wat leeft te verzadigen, zelfs de hongerigsten. Zie de weldadigheid van de voorzienigheid Gods, waar zij leven heeft gegeven, geeft zij ook levensonderhoud, zelfs aan die schepselen, welke niet alleen niet dienstbaar zijn aan de mens maar gevaarlijk voor hem zijn. En zie haar vrijmacht, dat zij toelaat dat sommige schepselen gedood worden voor het onderhoud van andere schepselen, de onnozele schapen worden verscheurd om de eetlust te bevredigen van de jonge leeuwen, die toch soms armoede lijden en hongeren, om ze te straffen voor hun wreedheid, terwijl zij, die God vrezen, geen gebrek hebben aan enig goed.
2. Voor de jonge raven, hfdst. 39:3. Evenals roofdieren, worden ook roofvogels door de Goddelijke voorzienigheid gevoed. Wie anders dan God voorziet de raven van voedsel? De mens doet het niet, hij zorgt alleen voor de schepselen, die hem nuttig zijn of kunnen worden. Maar God geeft acht op al de werken van Zijn handen, zelfs op het geringste. De jonge raven zijn in bijzondere zin nooddruftig, en God verzorgt ze, Psalm 147:9. Dat God de vogelen, inzonderheid deze vogelen voedt, Mattheus 6:26 is een aanmoediging voor ons om voor ons dagelijks brood op Hem te vertrouwen. Zie hier:
a. In welke nood de jonge raven dikwijls zijn: zij dwalen omdat er geen eten is, Men zegt dat de ouden ze veronachtzamen, en niet evenals andere vogels voorzien voor hun jongen, en inderdaad zij, die verscheurend en roofgierig zijn voor anderen, zijn ook meestal wreed en onnatuurlijk voor de hunnen.
b. Wat zij ondersteld worden te doen in die nood: zij roepen, want het zijn rumoerige schreeuwerige schepselen, en dit wordt verstaan en beschouwd als een roepen tot God. Daar het de nood is van de natuur, wordt hun geroep beschouwd als gericht te zijn tot de God van de natuur. Dat aan het geroep van de jonge raven zo'n gunstige uitlegging wordt gegeven, kan ons aanmoedigen in ons bidden, al is het ook, dat wij slechts Abba, Vader kunnen roepen.
c. Wat God voor de jonge raven doet, op de een of andere wijze voorziet Hij voor haar, zodat zij opgroeien en volwassen worden. En Hij, die zorgt voor de jonge raven, zal gewis niet in gebreke blijven om te zorgen voor Zijn volk. Dit is slechts een voorbeeld uit vele van het Goddelijk mededogen, en kan ons een aanleiding wezen om er aan te denken hoeveel goed God doet elke dag, boven hetgeen wij weten of ons van bewust zijn.