Deuteronomium 32:15-18
Wij hebben hier een beschrijving van Israëls afval van God, die weldra zal plaatshebben en waartoe zij reeds neiging hadden. Men zou gedacht hebben dat een volk, onder zo grote verplichtingen aan God, uit plichtbesef dankbaarheid en welbegrepen eigenbelang, zich nooit van Hem zou hebben afgewend, maar helaas, zij zijn spoedig terzijde afgewend.
Hier zijn twee grote voorbeelden van hun goddeloosheid, en ieder derzelver was in waarheid een afval van God.
I. Gerustheid en zinnelijkheid, hoogmoed en onbeschoftheid en de andere gewone manieren om van overvloed en voorspoed misbruik te maken, vers 15. Israël wordt hier Jeschurun genoemd, hetgeen volgens sommigen betekent een oprecht volk, en volgens anderen een ziend volk, maar zij hebben spoedig hun roem beide voor hun kennis en hun oprechtheid verloren, want goed gevoed zijnde:
1. Werden zij vet en dik, dat is: zij gaven zich toe in allerlei weelde en bevrediging van hun lusten, alsof zij niets anders te doen hadden dan het vlees te verzorgen tot begeerlijkheden. Zij werden vet, dat is: zij werden log en zwaar, achteloos voor zaken en ongeschikt er voor, dof en dom, zorgeloos en gevoelloos, en dit was de uitwerking van hun overvloed. Aldus zal de voorspoed van de zotten hen verderven, Spreuken 1:32. Maar dit was nog het ergste niet.
2. Zij sloegen achteruit, zij werden hoogmoedig en onbeschoft, en hieven tegen God zelf de verzenen op, als God hen bestrafte, hetzij door Zijn profeten of door Zijn voorzienigheid, sloegen zij de verzenen tegen de prikkels, als een onbandige koe of een ongewend kalf, en in hun woede vervolgden zij de profeten en trotseerden zij God zelf. En aldus liet hij God varen, die hem gemaakt heeft, (geen behoorlijke eerbied betonende aan zijn Schepper en niet beantwoordende aan het doel van zijn schepping) en deed een onduldbaren smaad aan de Rotssteen zijns heirs, alsof hij geen verplichting aan Hem had voor gunsten in het verleden, of niet afhankelijk van Hem was voor de toekomst. Zij, die een god maken van zichzelf, een god maken van hun buik in hoogmoed en brooddronkenheid en het niet kunnen dragen dat men het hun zegt, verlaten hierdoor God en tonen hoe gering zij Hem achten
II. Afgoderij was het grote bewijs van hun afval en daartoe waren zij door hun hoogmoed en brooddronkenheid gekomen, zodat zij nu afkeer kregen van hun Godsdienst, en verzot waren op veranderingen.
Merk op:
1. Wat soort van goden zij kozen waaraan zij offerden, toen zij de God verlieten, die hen gemaakt had, vers 16, 17,. Het verzwaarde hun zonde, dat zij dezelfde diensten, die zij voor de ware God hadden moeten doen deden,
a. Voor vreemde goden, die niet konden voorgeven hun enigerlei goedheid te hebben bewezen of hen onder enigerlei verplichtingen te hebben gelegd, goden, die zij niet kenden van welke zij generlei nut of voordeel konden verwachten, want zij waren vreemdelingen. Of wel, zij worden vreemde goden genoemd omdat het anderen waren dan de ene, enige en ware God, aan wie zij ondertrouwd waren, en getrouw moesten zijn. b. Aan nieuwe goden die van nabij gekomen waren of pas waren opgekomen, want zelfs in de Godsdienst, welks oudheid een van de heerlijkste eigenschappen er van is, zijn de mensen in de ijdelheid van hun gedachten verzot op nieuwigheden, en in minachting van de Oude van dagen, hebben zij hun liefde gegeven aan nieuwe goden. Een nieuwe god! kan er groter onzinnigheid bestaan? Als wij de rechte weg willen vinden tot rust dan moeten wij vragen naar de oude paden, Jeremia 6:16 6. Het is waar hun vaderen hebben andere goden gediend, jozua 24:2, en het zou voor de kinderen misschien een kleine verontschuldiging geweest zijn, indien zij tot deze waren teruggekeerd, maar nieuwe goden te dienen, voor dewelke hun vaders niet geschrokken zijn, en deze er temeer om lief te hebben, omdat zij nieuw waren, dat was de deur openen voor eindeloze afgoderij.
c. Zij waren dezulken, die in het geheel geen goden waren, blote namaaksels, hun namen waren het verzinsel van mensen en hun beelden het werk van van de mensen handen. Ja meer,
d. Het waren duivelen. Wel verre van goden te zijn, vaders en weldoeners voor het menselijk geslacht, waren zij inderdaad verdervers (dat is de betekenis van het woord) wier doel het was kwaad te doen. Indien er geesten of onzichtbare machten waren, die hun afgodstempels bezaten, dan waren het boze geesten en kwaaddoende machten, die zij toch niet behoefden te aanbidden uit vrees, dat zij hun anders kwaad zouden doen, zoals men zegt dat de Indianen om die reden hun goden aanbidden, want zij, die getrouwelijk God aanbidden, zijn buiten des duivels bereik ja de duivel kan alleen diegenen verderven, die aan hem offeren. Hoe waanzinnig zijn afgodendienaars, die de Rotssteen des heirs verlaten, om zich te pletter te gaan stoten tegen de rots des verderfs.
2. Welk een grote belediging dit was voor JHWH hun God.
a. Het was met recht verklaard als een vergeten van Hem, vers 18. De rotssteen, die u gegenereerd heeft, hebt gij vergeten. Het acht geven op God zou zonde voorkomen, maar als de wereld wordt gediend en aan het vlees wordt toegegeven, dan wordt God vergeten, en kan er iets meer laag en onwaardig zijn dan God te vergeten, die de oorzaak is van ons bestaan, door wie wij bestaan, en in wie wij leven en ons bewegen? En zie wat hiervan komt, Jesaja 17:10, 11. Omdat gij de God uws heirs hebt vergeten, en niet gedacht aan de Rotssteen uwer sterkte, zullen de ranken van de planten in het eerst wel lieflijk zijn, maar ten laatste zal de oogst maar een hoop van het gemaaide zijn in de dag van de ziekte en van de pijnlijke smart. Men wint er niets bij door God te vergeten.
b. Het werd met recht ten kwade geduid als een niet te verontschuldigen belediging. Zij hebben Hem tot ijver verwekt en tot toorn, vers 16, want hun afgoden waren Hem gruwelen. Zie hier Gods misnoegen tegen afgoden, hetzij deze opgericht worden in het hart of in het heiligdom. Hij is ijverzuchtig op hen als mededingers met Hem naar de troon in het hart. Hij haat hen als vijanden van Zijn kroon en regering. Hij is, en zal zijn, zeer toornig op hen, die eerbied of genegenheid voor hen hebben. Diegenen bedenken niet wat zij doen, die God tergen want wie kent de sterkte Zijns toorns?