Jesaja 28:14-22
De profeet, hen bestraft hebbende, die spotten met het woord van God, gaat nu voort en bestraft hen, die spotten met Gods oordelen en ze trotseerden, want Hij is een naijverig God. en zal niet dulden dat zijn inzettingen en Zijn voorzienigheid geminacht worden. Hij richt zich tot de spotters, die heersen in Jeruzalem, die de magistraten waren van de stad, vers 14. Het staat slecht met een volk, als hun stoelen des gerichts het gestoelte worden van de spotters, als heersers spotters zijn, maar dat de heersers van Jeruzalem mannen zijn van zulk een karakter, dat zij de oordelen Gods geringachten, en het beneden zich achten om op de tekenen van Zijn misnoegen te letten, dat, voorwaar, is zeer treurig. Wie zullen treurenden zijn in Zion, als deze spotters zijn?
Merk op:
I. Hoe deze bespotters zich in hun vleselijke gerustheid in slaap susten, en zelfs God Almachtig uittartten om maar Zijn ergst te doen, vers 15. Gij zegt: Wij hebben een verbond gemaakt met de dood en het graf. Zij dachten zo zeker te zijn van hun leven, zelfs toen de meest verwoestende oordelen waren uitgegaan, alsof zij een verdrag hadden aangegaan met de dood, om niet tot hen te komen voor zij hem riepen, noch hen door geweld weg te rakken, maar dat zij slechts van ouderdom zouden sterven. Als wij met God verzoend zijn en met Hem een verbond gesloten hebben, dan hebben wij in waarheid een verbond gemaakt met de dood, en dan komt hij op de geschiktsten tijd zodat, wanneer hij komt, hij nooit een verschrikking voor ons zijn zal, noch ons wezenlijk kwaad zal doen. De dood is van ons, indien wij van Christus zijn, 1 Corinthiers 3:22, maar te denken om de dood tot onze vriend te maken, of in verbond met hem te zijn, terwijl wij door de zonde God tot onze vijand maken en in oorlog zijn met Hem, dat is wel de grootste ongerijmdheid, die men zich denken kan. Het was een ijdele waan van deze spotters, dat, "wanneer de overvloeiende gesel doortrekken zal door ons land, en anderen er onder vallen zullen, die toch tot ons niet komen zal, ons niet zal bereiken, hoewel hij zich ver uitstrekt, zal hij ons toch niet terneerwerpen, al is hij dan ook een overvloeiende gesel." Het is voor onboetvaardige zondaars de grootste dwaasheid om te denken dat het hun, hetzij in deze wereld of in de andere, beter zal gaan dan hun naburen. Maar wat is de grond van hun vertrouwen? Wel waarlijk: Wij hebben de leugen ons tot een toevlucht gesteld. Hetzij:
1. Dat hetgeen de profeten hun zeiden leugen was, en hen zal bedriegen, ofschoon zij het als een degelijke omheining beschouwden. De bescherming van hun afgoden, de beloften, waarmee hun valse profeten hen susten, hun staatkundig beleid, hun rijkdom. hun invloed op het volk, dat waren de dingen, waarop ze vertrouwden, en niet op God, ja zij vertrouwden erop tegen God. Of
2. De dingen, die leugen en bedrog moesten zijn voor de vijand, die de flagellum Dei-de gesel Gods was, de overvloeiende gesel, wilden zij zich verzekeren door de vijand te misleiden door krijgslisten, of met hun geveinsde onderwerping in vredesverdragen. De overige steden van Juda werden genomen omdat zij zich hardnekkig verdedigden, maar de oversten van Jeruzalem hopen beter te slagen, zij denken bekwamer staatslieden te zijn dan de oversten van de landsteden, zij zullen de koning van Assyrië vleien met een belofte van onderwerping, van hun stad aan hem over te geven, of van hem schatplichtig te zullen worden, terwijl zo het voornemen koesteren om zijn juk af te werpen zodra het gevaar voorbij is, er zich niet om bekreunende, dat "zij leugenaars bij hem bevonden zullen worden," zoals de uitdrukking is in Deuteronomium 33:29. Diegenen bedriegen zichzelf, die denken hun doel te kunnen bereiken door hen te bedriegen met wie zij omgaan of te doen hebben. Zij die hun doeleinden najagen door slinksheid en bedrog, door lage armzalige middeltjes, kunnen ze misschien wel bereiken, maar zij kunnen niet verwachten er wezenlijk genot of genoegen in te zullen smaken. Eerlijkheid is de beste staatkunde. Maar tot zulke toevluchten worden zij heengedreven, die van God afwijken en zich aldus buiten Zijn bescherming stellen.
II. Hoe God door Zijn profeet hen opwekt uit deze slaap en hun de dwaasheid toont van hun gerustheid.
1. Hij zegt hun op welke gronden zij gerust kunnen zijn. Hij verstoort hun vals vertrouwen niet voor Hij hun de vaste grond toont waarop ze kunnen rusten, vers 16. Ziet, Ik leg een grondsteen in Zion. Deze grond, dit fundament is:
a. Zijn beloften in het algemeen, Zijn woord, waarop Hij Zijn volk heeft doen hopen, Zijn verbond met Abraham, dat Hij hem en de zijnen tot een God zal zijn, dit is een fundament, een fundament van steen, stevig en duurzaam, voor het geloof, om op te bouwen, het is een beproefde steen, want al de heiligen hebben erop gesteund, en hij heeft hun nooit gefaald.
b. De belofte van Christus in het bijzonder, want op Hem is dit uitdrukkelijk toegepast in het Nieuwe Testament, 1 Petrus 2:6-8. Hij is de steen, die het hoofd des hoeks is geworden. De grote belofte van de Messias en Zijn koninkrijk, dat beginnen moest te Jeruzalem, was voldoende om Gods volk ook in de zwaarste tijden gerust te stellen, want zij wisten zeer goed dat tot aan Zijn komst de scepter niet zou wijken van Juda. Zion zal blijven zolang als dit fundament daar gelegd zal worden. Dit zegt de Heere Jahweh tot vertroosting van hen, die geen leugen tot hun toevlucht durven stellen. "Zie, en beschouw Mij als een, die het op zich genomen heeft, om een grondsteen te leggen in Zion." Jezus Christus is een fundament, dat God zelf heeft gelegd, dit is van de Heere geschiedt, Hij is gelegd in Zion, in de kerk, op de heiligen berg. Hij is een beproefde steen, een beproevende steen, zoals sommigen de uitdrukking verstaan, een toetssteen, die onderscheiden zal tussen hetgeen echt is en hetgeen nagemaakt is. Hij is een kostelijke steen, want zodanig zijn de fundamentstenen van het Nieuwe Jeruzalem, Openbaring 21:19, een hoeksteen, in dewelken de zijden van het gebouw verenigd zijn, de hoofdsteen des hoeks. En hij, die deze beloften gelooft en er op vertrouwt, zal niet haasten, zal niet haastig en gejaagd heen en weer lopen, zoals mensen, die ten einde raad zijn, niet hier en daar naar middeltjes uitzien om zich te redden, noch zal hij door schrik en angst op zijn voeten gedreven worden, zoals de goddeloze, Job 18:11, maar met een vast hart zal hit kalm en rustig de gebeurtenis afwachten, zeggende: de wil van God is mij welkom. Hij zal niet haasten in zijn verwachtingen, zodat hij de tijd niet vooruitloopt, die in de raad Gods bepaald is, maar zo Hij vertoeft, zal hij toch de bestemde ure afwachten wetende dat Hij, die staat te komen, zal komen en niet zal toeven. Hij, die gelooft, zal niet meer haasten dan met goede spoed overeenkomt, want hij is ervan overtuigd dat Gods tijd de beste is, en die zal hij geduldig verbeiden. Naar de LXX wordt dit door de apostel aldus uitgedrukt: "die gelooft, zal niet beschaamd worden," 1 Petrus 2:6, zijn verwachtingen zullen niet verijdeld, maar ver overtroffen worden.
2. Hij zegt hun dat zij op de grond, waar zij nu op bouwden, niet veilig kunnen zijn, maar dat hetgeen, waar zij op vertrouwden, hun gewis zal falen, vers 17. Ik zal het gericht stellen naar het richtsnoer, en de gerechtigheid naar het paslood. Dit kan aanduiden: A. Het opbouwen van Zijn kerk, het fundament gelegd hebbende, vers 16, zal Hij nu het gebouw oprichten, zoals bouwlieden doen, naar meetsnoer en paslood, Zacheria 4:10. Gericht zal het richtsnoer, en gerechtigheid het paslood zijn. De kerk, gesondeerd zijnde op Christus, zal geformeerd en gereformeerd worden naar de Schrift, de maatstaf van recht en gerechtigheid, "het oordeel zal wederkeren tot de gerechtigheid," Psalm 94:15. Of,
B. De straf van de vijanden van de kerk, tegen wie Hij naar streng recht zal optreden, overeenkomstig de bedreigingen van de wet, Hij zal naar verdienste met hen handelen, en het oordeel over hen brengen, dat zij uitgetart hebben, maar ook in wijsheid en naar een nauwkeuriger regel, opdat met het onkruid niet ook de tarwe uitgerukt zal worden. En wanneer God aldus komt om het oordeel uit te voeren:
a. Dan zullen deze spotters beschaamd worden in de ijdele verwachtingen, waarmee zij zichzelf misleid hebben.
Ten eerste. Zij hadden het plan, om de leugen tot hun toevlucht te stellen, maar het zal blijken, dat dit in werkelijkheid een toevlucht van de leugen, een bedrieglijke toevlucht is, die de hagel zal wegvagen, die hagelvloed, waarvan gesproken is in vers 2. Zij, die de leugen tot hun toevlucht stellen, bouwen op het zand, en als de storm komt, zal het gebouw vallen en de bouwer onder het puin begraven. Zij, die iets anders dan Christus tot hun schuilplaats stellen, zullen zien dat de wateren het overstromen, zoals elke schuilplaats buiten de ark door de wateren van de zondvloed overstroomd en weggevaagd werd. Zodanig is de hoop van de geveinsde, dat zal het einde wezen van al zijn vertrouwen.
Ten tweede. Zij snoefden op een verbond met de dood en een verdrag met het graf, maar het zal teniet gedaan worden, als gemaakt zijnde zonder de toestemming van Hem, die de sleutelen heeft van de hel en de dood, en er de souvereine heerschappij over heeft. Diegenen misleiden slechts zichzelf, die denken door enigerlei list aan het oordeel Gods te ontkomen.
Ten derde. Zij waanden dat de overvloeiende gesel niet tot hen zal komen, als hij doorgaat door het land, maar de profeet zegt hun dat zij, als anderen vallen onder de algemene ramp, niet alleen er in zullen delen, maar er door vertreden zullen worden. "Gij zult er als een nederdorsing voor zijn, zij zal over u triomferen, evenzeer als over ieder ander, en gij zult er de gemakkelijke prooi van worden."
Hun wordt verder gezegd, vers 19 :
1. Dat het met hen zal beginnen. Zij zullen er zo weinig aan ontkomen, dat zij de eersten zullen zijn om er door te vallen. Van de tijd af, als hij doortrekt, zal hij ulieden wegnemen, alsof hij opzettelijk gekomen was om u te grijpen.
2. Dat hij hen dicht zal achtervolgen, "Want alle morgen zal hij doortrekken, even stipt en gestadig als de dag weerkeert, zult gij van de een of andere verwoesting horen, die er door aangericht is, want de Goddelijke gerechtigheid zal volgen op zijn slag, nooit zult gij veilig en gerust wezen, bij dag noch bij nacht, er zal een pestilentie zijn, die in de donkerheid wandelt en een verderf, dat op de middag verwoest."
3. Dat er niet aan te omkomen zal zijn. "Het horen van het bericht van zijn nadering zal u geen gelegenheid geven om te ontsnappen, want er zal geen weg ter ontkoming open zijn, het zal slechts een kwelling voor u zijn, dat gij hem ziet komen, maar geen middel zult vinden om u te verweren." Of, zelfs het gerucht ervan uit de verte zal een verschrikking voor wezen, en wat zal dan de zaak zelf voor u zijn?" Boze tijdingen zijn een verschrikking en kwelling voor de spotters, maar hij wiens hart vast is, vertrouwende op de Heere, vreest ze niet, terwijl als de overvloeiende gesel komt, alle vertroosting en alle vertrouwen faalt aan de spotters, vers 20.
aa. Hetgeen, waarin zij dachten rust te zullen vinden, reikt niet tot de lengte van hun verwachtingen, et bed zal korter zijn dan dat men zich daarop uitstrekken kan, zodat men genoodzaakt is zich in te krimpen of zich te krommen.
bb. Hetgeen, waarin zij dachten zich te beschutten, blijkt ongenoegzaam om aan het doel te beantwoorden. Het deksel zal te smal wezen als men zich daaronder voegt. Zij, die niet bouwen op Christus als hun fundament, maar on hun eigen gerechtigheid betrouwen, zullen in het einde blijken zichzelf bedrogen te hebben, zij kunnen nooit gerust noch veilig, nooit warm zijn, het bed is te kort, het deksel te smal, zoals de vijgebladeren van onze eerste ouders, de schande van hun naaktheid zal toch gezien worden.
b. God zal verheerlijkt worden in de volbrenging van Zijn raad, vers 21. Als God komt om met deze spotters te twisten, dan zal Hij:
Ten eerste. Zijn werk doen en Zijn daad tot stand brengen, Hij zal werken voor Zijn eigen eer en heerlijkheid, overeenkomstig zijn eigen raad, het werk zal voor allen, die het zien, openbaar worden als het werk van God, de rechtvaardigen Rechter van de aarde.
Ten tweede. Hij zal het nu doen tegen Zijn volk, zoals Hij het vroeger deed tegen hun vijanden, waaruit zal blijken dat Zijn gerechtigheid onpartijdig is. Hij zal nu opwaken tegen Jeruzalem, zoals in Davids tijd tegen de Filistijnen op de berg Perazim 2 Samuël 5:20, en zoals in Jozua's tijd tegen de Kanaänieten in het dal van Gibeon. Als zij die beleden leden te zijn van Gods kerk, zich door hun hoogmoed en hun minachting als Filistijnen en Kanaänieten maken, dan moeten zij verwachten als de zodanigen behandeld te worden.
Ten derde. Dit zal Zijn vreemde werk wezen, Zijn vreemde daad, het is werk, dat Hij niet gaarne doet, Hij verlustigt zich veeleer in genade te betonen, en beproeft niet van harte, niet gaarne, het is werk, waaraan Hij niet gewoon is, wat betreft eigen volk. Hij beschermt en begunstigt het, het is in waarheid een vreemd werk, als Hij zich hun in een vijand verkeert en tegen hen strijdt, Jesaja 63:10, het is een werk, waarover al de naburige volken zich zullen verbazen, Deuteronomium 29:24, en daarom worden de puinhopen van Jeruzalem gezegd tot verbazing te zijn, Jeremia 25:18.
Eindelijk. Wij hebben de toepassing van dit alles in vers 22. Nu dan, drijft de spot niet of weest dus geen spotters) durft niet spotten met de bestraffingen van Gods woord noch met het naderen van Zijn oordelen." Het bespotten van de boden Gods was Jeruzalems zonde, die er het meest toe bijdroeg om de maat van haar ongerechtigheid vol te doen worden. De gedachte aan Gods oordelen, die over geveinsde belijders zullen komen, moet de spotters tot zwijgen brengen en hen tot ernst stemmen. "Drijft de spot niet, opdat uw banden niet vaster gemaakt worden, zowel de banden, waarmee gij gebonden zijt onder de heerschappij van de zonde-want er is weinig hoop dat spotters bekeerd zullen worden-als de banden die u onder de oordelen Gods doen komen." God heeft banden van gerechtigheid, sterk genoeg om hen vast te houden, die al de banden verbreken van Zijn wet, en al Zijn touwen van zich werpen. Laat deze spotters de Goddelijke bedreigingen niet gering achten, want de profeet (die één dergenen is, met wie de verborgenheid des Heeren is) verzekert hun dat hij van de Heere Heere van de heirscharen gehoord heeft, dat een verdelging vast besloten is over het gehele land en kunnen zij dan denken er aan te zullen ontkomen? Of zal hun ongeloof de bedreiging teniet doen?