2 Samuël 5:17-25
De bijzondere dienst, waarvoor David verwekt was, was Israël te verlossen van de hand van de Filistijnen, Hoofdstuk 3:18. Daarom geeft God in Zijn voorzienigheid hem de gelegenheid om die dienst in de eerste plaats te vervullen. Wij hebben hier het bericht van twee grote overwinningen behaald over de Filistijnen, waardoor David niet alleen de schande uitwiste en het verlies herstelde door Israël ondergaan en geleden in de veldslag, waarin Saul gedood werd, maar ook voortgang maakte tot de algehele tenonderbrenging van deze kwellende naburen, de laatste overblijfselen van de gevloekte volken.
I. In die beide krijgsverrichtingen waren de Filistijnen de aanvallers, opgewekt tot hun eigen verderf.
1. Eerst kwamen zij om David te zoeken vers 17, omdat zij hoorden dat zij David ten koning over Israël gezalfd hadden. Wat zou hij, die onder Saul zijn tienduizenden had verslagen, niet doen nu hij zelf koning is! Daarom dachten zij dat het hoog tijd was om rond te zien, en zijn regering reeds bij de aanvang te verpletteren, eer zij nog voor goed gevestigd was. Hun voorspoed tegen Saul enige jaren tevoren heeft hen misschien aangemoedigd om die aanval op David te doen, maar zij bedachten niet dat God met David was, terwijl Saul dat voorrecht had verbeurd en verloren. Het koninkrijk van de Messias werd, zodra het opgericht was in de wereld, aldus krachtig aangevallen door de machten van de duisternis, die met de verenigde krachten van Joden en heidenen er tegen opstonden om het te verderven, de heidenen woedden en de koningen van de aarde stelden zich op om het tegen te staan, maar alles tevergeefs, Psalm 2:1 en verv. Het verderf zal evenals hier, over Satans eigen rijk komen. Zij beraadslaagden tezamen, maar werden verbroken, Jesaja 8:9, 10.
2. Voor de tweede aanval kwamen zij wederom op, hopende te herwinnen wat zij in de vorige strijd hadden verloren, daar hun hart verhard was tot hun verderf, vers 22.
3. Beide malen verspreidden zij zich in het dal Refaïm, dat zeer dicht bij Jeruzalem lag, zij hoopten zich van die stad meester te maken, eer David er de vestingwerken van voltooid had. Van het begin af is Jeruzalem met zeer bijzondere vijandschap aangevallen. Dat zij zich verspreidden duidt aan, dat zij zeer talrijk waren en een zeer geducht aanzien hadden. Wij lezen van de vijanden van de kerk, "dat zij zijn opgekomen op de breedte van de aarde," Openbaring 20:9, maar hoe verder zij zich verspreiden, hoe beter doelwit zij bieden voor Gods pijlen.
II. Beide malen heeft David-hoewel hij ijverig genoeg was om tegen hen op te trekken (want zodra hij het hoorde toog hij af naar de burcht, om de een of ander gewichtige en voordelige stelling te beveiligen, vers 17) de strijd toch niet begonnen voor hij de Here had gevraagd door de borstlap des gerichts, vers 19. Zijn vraag was tweeledig.
1. Betreffende zijn plicht: Zal ik optrekken? Zal ik een opdracht van de hemel hebben om tegen hen te strijden?" Men zou denken dat hij hieraan niet behoefde te twijfelen, waarvoor was hij anders tot koning gemaakt, dan om de krijg des Heren en van Israël te voeren? Maar een Godvruchtig man ziet het gaarne dat bij iedere stap, die hij doet, God voor hem heengaat. "Zal ik thans optrekken?" Het moet geschieden, maar moet het nu geschieden? Erken Hem in al uw wegen. En behalve dat, hoewel de Filistijnen openbare vijanden waren, zijn sommigen van hen toch zijn bijzondere vrienden geweest, Achis had hem, toen hij in benauwdheid verkeerde, weldadigheid bewezen en beschermd. "Moet ik nu", zegt David, "bij de herinnering daarvan niet eerder vrede met hen maken, dan krijg tegen hen voeren?" "Neen", zegt God, "zij zijn Israëls vijanden en ten verderve gewijd, heb dus geen gewetensbezwaar hieromtrent, maar trek op".
2. Betreffende zijn voorspoed. Zijn geweten deed de vorige vraag: Zal ik optrekken? Zijn voorzichtigheid vraagt: Zult Gij ze in mijn hand geven? Hiermede erkent hij zijn afhankelijkheid van God voor de overwinning, dat hij niet over hen kan zegevieren, tenzij God hen in zijn hand geeft, en hij onderwerpt zich aan het welbehagen Gods. Zult Gij het doen? Ja, zegt God, Ik zal het zeker doen. Als God ons zendt, zal Hij ons doorhelpen en ons bijstaan. De verzekering, die God ons gegeven heeft van de overwinning over onze geestelijke vijanden, dat Hij Satan haast onder onze voeten zal verpletteren, moet ons aansporen in onze geestelijke strijd. Wij strijden niet in het onzekere. David had nu een groot leger onder zijn bevel, dat vol was van ijver en moed maar toch steunde hij meer op Gods belofte dan op zijn krijgsmacht.
III. In het eerste van deze twee gevechten heeft David het leger van de Filistijnen verslagen, vers 20, hij sloeg hen, en toen hij dit gedaan had
1. Gaf hij aan zijn God de eer. Hij zei "De Here heeft mijn vijanden voor mijn aangezicht gescheurd, ik zou het niet hebben kunnen doen, indien Hij het niet voor mij gedaan had, Hij heeft de bres geopend, en het was zoals wanneer door een sterke vloed een dijkbreuk ontstaat, die al wijder en wijder wordt. Het voornaamste van het werk heeft God gedaan, ja Hij deed alles, wat David deed, betekende niet veel, en daarom: Niet ons, o Here, niet ons, maar Uw naam geef eer. Hij hoopte ook dat deze scheur, evenals die van de wateren bij de opening van een sluis, een volkomen verwoesting tot hen zou doorlaten, en om de herinnering er aan te bestendigen noemde hij de plaats Baäl-Perazim, de heer van de scheuren, omdat God hen zo was tegengekomen dat zij spoedig het onderspit moesten delven. Laat het nageslacht dit opmerken tot Gods eer.
2. Hij maakte hun goden te schande. Zij brachten de beelden hunner goden in het veld als hun beschermers in navolging van de Israëlieten, die de ark in het leger hadden gebracht, maar op de vlucht gedreven zijnde hadden zij geen tijd om hun beelden mee te nemen, want zij waren "een last voor de vermoeide beesten," Jesaja 46:1, daarom lieten zij hen over om met de rest hunner bagage in de handen van de overwinnaars te vallen. Hun beelden lieten hen in de steek, gaven hun geen hulp, en daarom lieten zij hun beelden nu ook maar voor zichzelf zorgen. God kan de mensen die dingen moede doen worden, waar hun hart het meest aan gehecht was, en hen noodzaken datgene te verlaten waar zij het meest van hielden, zodat zij zelfs "hun zilveren afgoden en hun gouden afgoden wegwerpen voor de mollen en de vleermuizen," Jesaja 2:20, 21. Het overige van de buit hebben David en zijn mannen voor hun eigen gebruik aangewend, maar de beelden hebben zij verbrand, vers 21, zoals God geboden had, Deuter. 7:5, "hun gesneden beelden zult gij met vuur verbranden, ten teken van uw afschuw van afgoderij, en opdat zij u niet tot een strik worden". Bisschop Patrick merkt hier terecht op dat de ark, toen zij in de handen van de Filistijnen is gevallen, hen heeft verteerd maar deze beelden hebben, toen zij in de handen van Israël vielen, zichzelf niet kunnen redden om verbrand en dus verteerd te worden.
IV. Bij de laatste ontmoeting met de vijand gaf God aan David enige merkbare tekenen van Zijn tegenwoordigheid. Hij gebood hem de vijand niet rechtstreeks aan te vallen, zoals hij tevoren gedaan had, maar achter hem om te trekken, vers 23. 1. God gebood hem terug te gaan, zoals Israël stilstond om het heil des Heren te zien.
2. Hij beloofde hem de vijand zelf met een onzichtbaar heir van engelen aan te vallen, vers 24. Gij zult het geruis horen van een gang, als het optrekken van een heir in de lucht in de toppen van de moerbeziënbomen. Engelen treden zachtkens, en Hij, die op de wolken kan wandelen, kan, als het Hem behaagt op de toppen van bomen wandelen of (zoals bisschop Patrick het opvat) aan het hoofd van de moerbeziënbomen, dat is: van het bos of de haag dier bomen. "En aan dat teken zult gij weten, dat de Here voor uw aangezicht is uitgegaan, hoewel gij Hem niet ziet zult gij Hem horen, en het geloof zal komen en bevestigd worden door het gehoor. Hij gaat uit om het heirleger van de Filistijnen te slaan". Toen David zelf hen geslagen had, vers 20, heeft hij het aan God toegeschreven: De Here heeft mijn vijanden voor mijn aangezicht gescheurd, om hem nu voor deze dankbare erkentenis te belonen, heeft God het de volgende maal alleen gedaan, zonder hem aan enigerlei moeite of gevaar bloot te stellen, voor hen die God erkennen in hetgeen Hij voor hen gedaan heeft zal Hij meer doen. Doch merk op: hoewel God beloofd had voor zijn aangezicht heen te gaan om de Filistijnen te slaan, moest David toch toen hij het geruis van de gang hoorde zich reppen en gereed zijn om de overwinning op te volgen. Gods genade moet ons opwekken en aanvuren in onze pogingen. Als God beide het willen en het werken in ons werkt dan volgt hieruit niet dat wij moeten stilzitten als degenen, die niets te doen hebben maar wij moeten "onze zaligheid werken met vreze en beven," met alle mogelijke zorg en naarstigheid, Filipp. 2:12, 13. Het geruis van de gang was:
a. Een teken voor David om te handelen, het is troostrijk uit te gaan als God voor ons aangezicht heengaat. En
b. Het was misschien een verschrikking voor de vijand en bracht hem in verwarring. Het optrekken van een leger horende tegen hun front trokken zij in allerijl terug, en stuitten op Davids leger, dat achter hun achterhoede lag. Van hen, tegen wie God strijdt, is gezegd dat "het geruis van een gedreven blad hen jagen zal," Leviticus 26:36.
Het succes hiervan wordt in korte bewoordingen meegedeeld, vers 25. David is zijn orders nagekomen, wachtte totdat God zich bewoog, en toen, maar niet eerder, trok hij op. Aldus werd hij geoefend in afhankelijkheid van God en Zijn voorzienigheid. God volbracht Zijn belofte, ging voor zijn aangezicht heen, en versloeg de gehele krijgsmacht van de vijand, en David bleef niet in gebreke om van zijn voordelen gebruik te maken, hij sloeg de Filistijnen tot aan de grenzen van hun eigen land. Toen het koninkrijk van de Messias opgericht moest worden, moesten de apostelen die het rijk des duivels hadden neer te werpen, niets doen of ondernemen, voor zij de belofte des Geestes hadden ontvangen, die kwam "met een geluid als van een geweldige, gedreven wind," Handelingen 2:2, en daarvan is het geruis van de gang in de toppen van de moerbeziënbomen het type geweest, en toen zij dat geluid hoorden, moesten zij aan het werk gaan, en dat hebben zij gedaan, zij zijn uitgegaan, overwinnende, en opdat zij overwonnen.