Psalm 5:1-7
Er is in het opschrift van deze psalm niets bijzonders, behalve dat gezegd wordt, dat de psalm op de nechiloth is, een woord, dat nergens meer voorkomt. Men heeft de gissing gemaakt en het is een blote gissing dat het wind instrumenten aanduidt, in begeleiding waarvan deze psalm werd gezongen, zoals verondersteld wordt dat neginoth snaarinstrumenten betekent.
In deze verzen heeft David het oog op God:
I. Als een God, die het gebed hoort, dat is Hij altijd geweest, van dat de mensen de naam des Heeren begonnen aan te roepen en Hij is thans nog even bereid als ooit tevoren om het gebed te hoven.
Merk op met welke naam David Hem hier noemt: O Heere, vers 2, 4, Jehovah, een uit zichzelf bestaand en zelfgenoegzaam wezen, dat wij gehouden en verplicht zijn te aanbidden, en mijn Koning en mijn God, vers 3, die ik verklaard heb mijn God te zijn, aan wie ik hulde en trouw heb gezworen en onder wiens bescherming ik mij gesteld heb als mijn Koning. Wij geloven dat de God, tot wie wij bidden, een Koning en een God is, Koning van de koningen, God van de goden, maar dat is niet genoeg, het beginsel dat het meest aanmoedigt tot bidden en de krachtigste pleitgrond in het gebed uitmaakt, is dat wij Hem onze Koning en onze God noemen, aan wie wij bijzondere verplichtingen hebben en van wie wij bijzondere verwachtingen mogen koesteren. Merk hier nu op:
1. Waar David om bidt, hetgeen in al ons spreken tot God ons geloof en onze hoop kan aanmoedigen. Als wij vurig en in het geloof bidden, dan hebben wij reden te hopen:
a. Dat God kennis zal nemen van onze zaak, van de voorstelling die wij er van doen en het verzoek dat wij er over tot Hem richten, want aldus bidt hij hier: o Heere, neem mijn redenen ter ore. Ofschoon God in de hemel is, heeft Hij toch een open oor voor de gebeden Zijns volks, en het is niet zwaar geworden dat Hij niet zou kunnen horen. De mensen willen of kunnen ons misschien niet horen, onze vijanden zijn zo trots dat zij het niet willen, onze vrienden zijn op zo'n afstand van ons dat zij het niet kunnen, maar God, ofschoon Hij hoog is, in de hemel is, kan en wil het.
b. Dat Hij haar in Zijn wijze en vriendelijke overweging zal nemen, haar niet zal veronachtzamen of haar met een haastig vluchtig antwoord zal afwijzen, want hij bidt: versta mijn overdenking, of overweeg mijn overdenking. Davids gebeden waren niet slechts zijn woorden, maar zijn overdenkingen. Gelijk overdenking de beste toebereiding is tot gebed, zo is gebed de beste uitslag van de overdenking. Overdenking en gebed behoren samen te gaan, Psalm 19:15. Het is wanneer wij aldus onze gebeden beschouwen en dan ook maar alleen dat wij kunnen verwachten dat God ze zal aanzien en ter harte zal nemen wat uit ons hart voortkomt.
c. Dat Hij ter bestemder tijd er een antwoord des vredes op zal geven, want aldus bidt hij, vers 3. Merk op de stem mijns geroeps. Zijn gebed was een geroep, het was de stem zijns geroeps, hetgeen vurigheid van liefde aanduidt en een dringend aanhouden, zulke krachtige vurige gebeden van een gelovige vermogen veel en doen wonderen. 2. Wat David hier belooft als de voorwaarde, die hij nakomen zal om deze genadige aanneming te verkrijgen. Dit kan ons leiden en besturen in ons gebed tot God, om het op de rechte wijze te doen, want wij bidden en ontvangen niet, omdat wij kwalijk bidden.
David belooft hier vier dingen, en dat moeten ook wij:
A. Dat hij zal bidden, dat hij er een gewetenszaak van zal maken: tot U zal ik bidden. Anderen leven zonder gebed, maar ik zal bidden. Koningen op hun troon zoals David er een was moeten bedelaars zijn voor Gods troon. "Anderen bidden tot vreemde goden en verwachten hulp van hen, maar tot U, tot U alleen, zal ik bidden." De verzekering, die God ons gegeven heeft van Zijn bereidwilligheid om het gebed te horen, moet ons versterken in ons besluit om biddend te leven en te sterven.
B. Dat hij des morgens zal bidden, dan zal zijn biddende stem gehoord worden, dan zal zijn gebed worden opgezonden, dat zal de datum zijn op zijn brieven naar de hemel. "Des morgens en des avonds en des middags zal ik bidden, ja zeven malen daags zal ik U loven." Maar gewis is inzonderheid het morgengebed onze plicht, wij zijn het meest geschikt voor het gebed als wij meest fris en opgewekt en kalm zijn, afgedaan hebben met de sluimeringen van de nacht, er door verkwikt zijn, en nog niet vervuld zijn van de werkzaamheden van de dag. Wij hebben dan het meest nodig te bidden, vanwege de gevaren en verzoekingen van de dag, waaraan wij zijn blootgesteld en tegen welke wij door geloof en gebed nieuwe genade moeten verkrijgen.
C. Dat hij bij die plicht zijn oog eenvoudig en zijn hart aandachtig zal hebben. Ik zal mijn gebed tot U richten, zoals een schutter zijn pijl richt op het wit, met zo'n vastheid en standvastigheid moeten wij ons tot God wenden. Of zo als wij een brief aan een vriend adresseren naar deze of die plaats, zo moeten wij onze gebeden adresseren aan God als onze Vader in de hemel, en laat ons ze altijd zenden door de Heere Jezus, de grote Middelaar, dan zijn wij er zeker van dat zij niet verloren gaan, Al onze gebeden moeten tot God gericht worden, Zijn eer en heerlijkheid moeten wij op het oog hebben als ons hoogste doel, laat onze eerste bede wezen: Uw naam worde geheiligd, en dan kunnen wij zeker zijn van dezelfde genadige verhoring ervan als die Christus zelf ontvangen heeft, Ik heb Uwen naam verheerlijkt en ik zal hem wederom verheerlijken.
D. Dat hij geduldig op een antwoord des vredes zal wachten. ik zal opzien, vers 4, zal achtgeven op mijn gebeden en horen wat God, de Heere, spreken zal. Psalm 85:9, Habakuk 2:1, opdat, zo Hij mij schenkt hetgeen waar ik om vraag, ik dankbaar zal kunnen wezen, en zo Hij het mij ontzegt, ik geduldig moge zijn, en zo Hij het uitstelt, ik volharden zal in het gebed en niet zal verflauwen. Wij moeten opzien, of uitzien, zoals hij, die een pijl heeft afgeschoten, uitziet om gewaar te worden hoe dicht hij bij het wit is gekomen. Wij verliezen veel van de vertroosting onder gebeden, omdat wij niet genoeg letten op de verhoring ervan. Aldus biddende, aldus wachtende, zoals de kreupele de ogen hield op Petrus en Johannes Handelingen 3:5, kunnen wij verwachten dat God onze woorden ter ore zal nemen, er acht op zal slaan, en tot Hem moeten wij ons wenden zoals David hier, die in zijn gebed niet zegt "Heere, doe dit of dat voor mij," maar hoor mij, beschouw, overweeg mijn toestand, en doe er voor wat goed is in Uw ogen."
II. Als een God, die de zonde haat, vers 5-7. David merkt dit op: 1. Als een waarschuwing voor hemzelf en voor alle andere biddende mensen, om er aan indachtig te zijn dat, gelijk de God, met wie wij te doen hebben, genadig en barmhartig is, Hij ook rein en heilig is. Ofschoon Hij bereid is het gebed te horen, zal Hij toch, zo wij naar ongerechtigheid zien met ons hart, onze gebeden niet horen, Psalm 66:18.
2. Als een aanmoediging voor zijn gebeden tegen zijn vijanden-het waren goddelozen en dus vijanden van God, de zodanigen in wie Hij geen welbehagen had. Zie hier:
A. De heiligheid van Gods natuur. Als hij zegt: Gij zijt geen God, die lust heeft aan goddeloosheid, dan bedoelt hij: "Gij zijt een God, die haar haat als lijnrecht tegenovergesteld aan Uw oneindige reinheid, rechtheid en heilige wil." Als de werkers van de ongerechtigheid voorspoedig zijn, laat dan niemand daaruit afleiden dat God lust heeft aan goddeloosheid, neen, ook niet in die door welke de mensen voorgeven Hem te eren, zoals degenen, die hun broederen haten en uitwerpen, en dan zeggen: Dat de Heere heerlijk worde. God heeft geen lust aan goddeloosheid, al hult zij zich ook in een mantel van Godsdienst. Laat hen dus, die zich verlustigen in zonde, weten dat God geen welbehagen in hen heeft, en laat ook niemand als hij verzocht wordt zeggen: ik ben van God verzocht, want God is niet de auteur van de zonde, ook zal het boze niet bij Hem wonen, vers 5, het zal niet altijd gesteund of voorspoedig gelaten worden. Dr. Hammond denkt dat dit verwijst naar de wet van Mozes, welke aan vreemdelingen, die volhardden in hun afgoderij, niet vergunde om in het land Israels te wonen.
B. De rechtvaardigheid van Zijn regering: de onzinnigen zullen voor Uw ogen niet bestaan zullen door Hem niet goedkeurend of vriendelijk worden aangezien, niet toegelaten worden om voor Zijn aangezicht te verschijnen, en in de grote dag des oordeels zullen zij niet vrijgesproken worden. De werkers van de ongerechtigheid zijn zeer onzinnig. Zonde is dwaasheid en zondaren zijn de grootste dwazen, geen dwazen, die aldus gemaakt zijn door God, (die zijn te beklagen) want Hij haat niets dat Hij gemaakt heeft, maar dwazen, die zichzelf tot dwazen gemaakt hebben, en deze haat Hij. Goddelozen haten God, rechtvaardiglijk worden zij dus door Hem gehaat, en dat zal hun eindeloze ellende en hun verderf zijn. Hen, die Gij haat, zult Gij verdoen, inzonderheid twee soorten van zondaren, die hier getekend zijn voor het verderf.
a. De onzinnigen, die leugens spreken en bedriegen. Er wordt een bijzondere klem of nadruk gelegd op deze zondaren, Openbaring 21:8, al de leugenaars, en Hoofdst. 22:15, een iegelijk, die de leugen liefheeft en doet. Niets is meer tegenstrijdig met de God van de waarheid en daarom is Hem ook niets meer hatelijk.. Degenen, die wreed zijn. "Van de man des bloeds en bedrogs heeft de Heere een gruwel, want onmenselijkheid is niet minder tegenstrijdig met, niet minder hatelijk aan, de God van barmhartigheid, die aan barmhartigheid een welgevallen heeft. Leugenaars en moordenaars worden zeer bijzonder gezegd op de duivel te gelijken en zijn kinderen te zijn, en daarom kan men wel verwachten dat God hen verafschuwt. Zodanig was het karakter van Davids vijanden, en de zodanigen zijn nog de vijanden van Christus en van Zijn kerk, mensen, die alle deugd en eer hebben afgeschud, hoe slechter zij zijn zoveel zekerder wij kunnen wezen van hun verderf, als de bestemde tijd daarvoor gekomen is.
Bij het zingen en biddend overdenken van deze verzen, moeten wij onszelf opwekken tot de plicht van bidden en er ons in aanmoedigen, omdat wij de Heere niet tevergeefs zullen zoeken, en wij moeten onze verfoeiing en afschuw van de zonde uitdrukken, en onze eerbiedige verwachting van de dag van de verschijning van Christus, die de dag zal zijn van het verdoen van de goddelozen.