Jesaja 14:24-32
De verwoesting van Babel en de ondergang van het rijk van de Chaldeën was nog een zaak van zeer ver, het rijk was nog niet tot aanzienlijke hoogte opgeklommen, toen zijn val hier voorzegd was, er verliepen nog bijna twee honderd jaar tussen deze voorzegging van Babels val en de vervulling ervan. Nu zou het volk aan hetwelk Jesaja profeteerde, kunnen vragen: "Wat gaat ons dit aan, of welk goed zal daar voor ons uit voortkomen, er. welke zekerheid zullen wij er van hebben.?" Op beide vragen geeft hij het antwoord in deze verzen door een voorzegging van de val beide van de Assyriërs en van de Filistijnen, de tegenwoordige vijanden, die hen kwelden, waarvan zij weldra ooggetuigen zullen zijn, en er het voordeel van zullen plukken. Dit zal thans een vertroosting voor hen wezen, en een onderpand van toekomstige uitreddingen, ter bevestiging van het geloof van hun nageslacht. God is voor Zijn volk heden dezelfde, die Hij gisteren voor hen geweest is en daarna voor hen zijn zal, en Hij zal tot in eeuwigheid dezelfde zijn die Hij geweest is, en is. Hier is:
I. De verzekering gegeven van het verderf en de ondergang van de Assyriërs, vers 25. "Ik zal Assur in Mijn land verbreken. Sanherib bracht een zeer geducht leger in het land van Juda, maar daar heeft God het verbroken, al zijn regimenten heeft God door het zwaard van de verderf engel verbroken." Zij, die ten onrechte een inval doen in Gods land, zullen ondervinden dat dit op hun gevaar is, en zij, die met onheilige voeten Zijn heilige bergen vertreden, zullen daar zelf met voeten worden getreden. God neemt op zich om dit zelf te doen, daar Zijn volk geen macht heeft tegen de grote menigte, die tegen hen opkwam. "Ik zal Assur verbreken, laat dat gerust aan Mij over, die engelen, heerscharen van engelen onder Mijn bevelen heb." Nu zal het verbreken van de macht van Assur het verbreken zijn van het juk, van de hals van Gods volk. Zijn last zal wijken van hun schouders, de last van bezetting door dat grote leger en de last van schatting te betalen. De Assyriër moet verbroken worden, opdat Juda en Jeruzalem op adem kunnen komen. Laat hen, die zich tot een juk en een last maken voor Gods volk, zien wat zij te verwachten hebben.
1. Deze profetie nu wordt hier bevestigd door een eed, vers 24. "De Heer der heerscharen heeft gezworen, ten einde de onveranderlijkheid te tonen van Zijn raad, en opdat Zijn volk een sterke vertroosting zou hebben", Hebreeën 6:i7, 18. Wat hier gezegd wordt van dit bijzonder voornemen, is waar van al Gods raadsbesluiten: gelijk Ik gedacht heb, alzo zal het geschieden, want Hij is een van zin, wie zal Hem dan afkeren Job 23:13 Ook worden Hem nooit nieuwe raadslagen aan de hand gedaan, noch is Hij genoodzaakt tot andere maatregelen over te gaan, zoals de mensen dit dikwijls moeten doen als er dingen voorvallen die zij niet hebben voorzien. Laat hen, die de geroepenen zijn naar Gods raad, zich hiermede vertroosten, dat gelijk God beraadslaagd heeft het bestaan zal, en daarvan hangt hun vastigheid af.
2. Het verbreken van de macht van Assyrië is tot een voorbeeld gesteld van hetgeen God doen zal met al de machten van de volkeren, die zich tegen Hem en Zijn kerk hadden verbonden vers 26. "Dit is de raadslag, die beraadslaagd is over dat gehele land, over de gehele wereld", aldus de LXX, over al de inwoners van de aarde, aldus de Chaldeër, niet alleen over het Assyrische rijk (dat toen in zekere zin beschouwd werd als de gehele wereld, zoals later het Romeinse rijk, Lukas 2:1, en met hetzelve zijn vele volken gevallen, die er afhankelijk van waren, maar over al de staten en potentaten, die te eniger tijd Zijn land, Zijn bergen aanvallen, het lot van de Assyriër zal het hun wezen, zij zullen spoedig bevinden dat zij er zich tot hun eigen schade mee bemoeien. Evenals voor de Assyriërs zal Jeruzalem voor alle volken tot een lastige steen gesteld worden, "allen, die zich daarmee belasten, zullen gewis doorsneden worden," Zacheria 12:3,. Dezelfde hand van macht en gerechtigheid, die thans uitgestrekt is tegen de Assyriër, wegens zijn aanval op het volk van God, zal uitgestrekt worden legen alle volken, die hetzelfde doen. Nog is het waar, en het zal altijd waar blijven: Vervloekt is hij, die het Israël van God vervloekt, Numeri 24:9. God zal een vijand zijn voor de vijanden van Zijn volk, Exodus 23:22.
3. Al de machten van de aarde worden uitgedaagd om Gods raad te veranderen, vers 27, "de Heer der heerscharen heeft in Zijn raad besloten om het juk van de Assyriër te verbreken en iedere scepter van de goddeloosheid, die op het lot van de rechtvaardigen gelegd is, en wie zal die raad tenietdoen? Wie kan Hem bewegen om hem te herroepen, of een pleitgrond vinden om er aan te ontkomen? Zijn hand is uitgestrekt om die raad te volvoeren, en wie heeft macht genoeg om haar af te wenden, of de loop van Zijn recht te stuiten?
II. Evenzo wordt de verzekering gegeven van het verderf en de ondergang van de Filistijnen, de vernietiging van hun macht. Deze last, deze profetie, die als een last op hen lag om hun staat te doen verzinken, kwam in het jaar toen de koning Achaz stierf, dat het eerste jaar was van Hizkia's regering, vers 28, toen een goede koning in de plaats kwam van een slechte, toen werd deze aangename boodschap tot hen gebracht. Als wij ons leven verbeteren, ons hervormen, dan, maar niet eerder, kunnen wij goede tijdingen verwachten van de hemel. Nu hebben wij hier:
1. Ene bestraffing van de Filistijnen wegens hun triomferen in de dood van koning Uzzia. Hij was als een slang voor hen geweest, had hen gebeten, had hen geslagen, had hen zeer vernederd en tenondergebracht, 2 Kronieken 26:6. Hij voerde oorlog tegen de Filistijnen, brak hun muren af en bouwde steden onder hen, maar toen Uzzia stierf, of liever toen hij afstand deed van de regering, werd dit met blijdschap verkondigd te Gath en geboodschapt in de straten van Askelon. Het is onmenselijk om ons aldus te verheugen in de val van onze naaste, maar laat hen niet gerust zijn, want hoewel zij, nadat Uzzia gestorven was, weerwraak oefenden aan Achaz en vele steden van Juda innamen, 2 Kronieken 28:18, zal toch uit de wortel van Uzzia een basiliek voortkomen, een geduchter vijand dan Uzzia geweest is, namelijk Hiskia de vrucht van wiens regering een vurige, vliegende draak voor hen zijn zal, want hij zal hen met ongelooflijke snelheid en woede overvallen. Wij bevinden dat hij dit gedaan heeft 2 Koningen 18:8, hij sloeg de Filistijnen tot Gaza toe. Indien God het een nuttige werktuig in het midden van zijn nuttige arbeid wegneemt, dan kan en zal Hij anderen verwekken om hetzelfde werk voort te zetten en te voltooien waaraan zij bezig waren, en dat zij onvoltooid hebben gelaten.
2. Een profetie van het verderf van de Filistijnen door hongersnood en oorlog.
a. Door hongersnood, vers 30. Als het volk van God dat door de Filistijnen verwoest, benauwd en verarmd was, wederom overvloed zal hebben en de eerstgeborenen van de armen zullen weiden de armsten onder hen het brood huns bescheiden deels zullen hebben, dan zal God de wortel van de Filistijnen doden door hongersnood, wat hun kracht was, hetgeen waardoor zij dachten bevestigd te zijn, zoals de boom door de wortel zal verhongerd worden en langzamerhand opdorren, zoals zij sterven, die sterven door hongersnood, en aldus zal hij het overblijfsel doden. Zij, die ontkomen aan het ene verderf, zijn slechts bewaard voor een ander verderf, en als er slechts weinigen overgebleven zijn, zullen ook die weinigen ten slotte afgesneden worden, want God zal een voleinding maken. b. Door oorlog. Als de nooddruftigen van Gods volk zeker, dat is veilig, zullen nederliggen, vers 30, niet verontrust door de verschrikking van de oorlog, maar zich verlustigende in zangen van de vrede, dan zal iedere poort en elke stad van de Filistijnen huilen en schreeuwen, vers 31, en zal er een algehele ontbinding zijn van hun staat, want van Juda, dat ten noorden van de Filistijnen lag, zal een rook komen, een groot, talrijk leger, dat een stofwolk doet opgaan, een rook, die de aanduiding zal zijn van een verterend vuur, dat nabij is, en niemand uit dat leger zal eenzaam zijn in de voor hem bestemde tijd, niemand zal achterblijven of vermist worden, als de ure van de strijd daar is, zij zullen sterk en eendrachtig zijn in hun aanval op de gemene vijand, als de bestemde tijd er voor gekomen is. Niemand van hun zal weigeren in de openbare dienst te treden, zoals in Debora's tijd Ruben zitten bleef tussen de stallingen, Richteren 5:16, 17. Als God werk te doen heeft dan zal Hij er de mensen op verwonderlijke wijze toe bekwaam en gezind maken.
III. Het goede gebruik, dat van al deze gebeurtenissen gemaakt zal worden ter bemoediging van het volk van God, vers 32. Wat zal men dan antwoorden aan de boden van het volk? Dit duidt aan:
1. Dat van de grote dingen, die God voor Zijn volk doet, kennis wordt genomen door hun buren, het kan niet anders, of zij moeten ze opmerken, er werd over gesproken onder de heidenen, Psalm 126:2.
2. Dat er boden gezonden zullen worden, om er navraag naar te doen. Jakob en Israël zijn lang een volk geweest, onderscheiden van alle andere volken en met buitengewone gunsten boven hen geëerd, en daarom zijn sommigen uit welwillendheid en anderen uit kwaadwilligheid en allen uit nieuwsgierigheid, begerig om er van te horen.
3. Dat wij altijd bereid moeten zijn tot verantwoording aan een iegelijk, die ons rekenschap afeist van de hoop die in ons is, in de voorzienigheid Gods, zowel als in Zijn genade, met zachtmoedigheid en vreze, 1 Petrus 3:15. En wij behoeven niet verder te gaan dan de heilige waarheden van Gods woorden, om er rekenschap van te geven, want in alles wat God doet, vervult Hij de Schriften.
4. De uitkomst van Gods handelingen zal zo duidelijk en blijkbaar heerlijk zijn, dat allen en een ieder van hen in staat zullen wezen om er verantwoording van te doen aan een iegelijk, die er rekenschap van afeist. Het antwoord nu, dat aan de boden van het volk gegeven moet worden, is:
a. "Dat God een getrouw vriend is en zijn zal van Zijn kerk en volk", en hun belangen zal verzekeren en bevorderen. Zeg hun dat de Heer Zion gegrond heeft. Dit geeft een verklaring beide van het werk zelf, dat gedaan wordt, en van de reden ervan. Wat doet God in de wereld en wat bedoelt Hij in al de omwentelingen van staten en koninkrijken, in het verderf en de ondergang ven sommige volken, en in de opkomst van anderen? In dit alles grondt Hij Zion, Hij heeft de bevordering op het oog van de belangen van Zijn kerk, en wat Hij op het oog heeft zal Hij tot stand brengen. Toen de boden van het volk vroegen naar Hizkia's voorspoed tegen de Filistijnen, dachten zij te zullen vernemen door welk staatkundig beleid en door welke krijgskunst hij zijn doel heeft weten te bereiken, maar hun wordt gezegd dat zijn succes niet te danken was aan iets van die aard, maar aan de zorg die God gedragen heeft voor Zijn kerk, en aan zijn deel er in. De Heer heeft Zion gegrond en daarom moeten de Filistijnen vallen. b. Dat Zijn kerk een toevlucht in Hem heeft en zal hebben. De bedrukten uit Zijn volk zullen daarin een toevlucht hebben, Zijn bedrukten, die zeer naar de diepte waren gebracht, in zeer treurige toestand waren gekomen, de armsten van hen, deze meer nog dan anderen, want zij kunnen tot niets of niemand anders de toevlucht nemen, Zefanja 3:12, 13. De armen wordt het evangelie verkondigd, Mattheus 11:5. Zij zullen hier op vertrouwen, vertrouwen op deze grote waarheid dat de Heer Zion gegrond heeft, hierop zullen zij hun hoop bouwen en niet op een vlezen arm. Dit behoort ons overvloedige voldoening te geven met betrekking tot de openbare zaken, dat hoe het ook moge gaan met particuliere personen, partijen en belangen, de kerk, God zelf tot fundeerder hebbende en Christus de rots tot haar fundament, stand zal houden. De bedrukten uit Zijn volk hebben een toevlucht daarin, zij zullen er zich heen begeven, zullen zich voegen bij Zijn kerk en zich haar belangen aantrekken, zij zullen medewerken met God om Zijn volk te bevestigen, en al hun kleine belangen en plannen daarmee verbinden en verenigen. Zij, die Gods volk aannemen voor hun volk, moeten bereid zijn om in zijn lot te delen. Laat de boden van het volk weten dat de arme Israëlieten, die op God vertrouwen, evenals Zion hun fundament hebbende in de heilige bergen, Psalm 87:1, ook als de berg Zion zijn, die niet wankelt, maar blijft in eeuwigheid, Psalm 125:1, en daarom niet zullen vrezen wat de mens hun doen kan.